Procesverloop
2 stappen · 5 jaar 4 maanden- Bestreden beslissingHof van beroep te Luik09.11.2001
- Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België22.03.2007
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 22.03.2007 (C.02.0185.F)
BTW-fraude - Openbare orde - Ongeoorloofde oorzaak - Miskenning van de rechten van de belastingadministratie - Volstrekte nietigheid
Wettelijke bepalingen
Art. 17, Zesde richtlijn (77/388/EEG)
Artt. 1317, 1319 en 1320, Burgerlijk Wetboek
Artt. 23, 26 en 27, Gerechtelijk Wetboek
Samenvatting
In geval van een levering aan een belastingplichtige die niet wist en niet had kunnen weten dat de betrokken handeling deel uitmaakte van fraude door de verkoper, moet artikel 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van nationaal recht volgens welke de nietigverklaring van de verkoopovereenkomst krachtens een bepaling van burgerlijk recht ingevolge welke deze overeenkomst absoluut nietig is wegens strijdigheid met de openbare orde op grond van een ongeoorloofde oorzaak aan de zijde van de verkoper, leidt tot het verlies van het recht op aftrek van de door deze belastingplichtige voldane belasting over de toegevoegde waarde. Niet relevant is in dit verband, of deze nietigheid het gevolg is van B.T.W.-fraude of van andere fraude. Daarentegen staat het aan de nationale rechter het recht op aftrek te weigeren indien aan de hand van objectieve elementen wordt vastgesteld dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een transactie die onderdeel is van B.T.W.-fraude
Het hof van beroep dat oordeelt dat een belastingplichtige geen weet had van de B.T.W.-fraude beslist naar recht dat die belastingplichtige die B.T.W. die hij aan zijn verkoper had betaald mocht aftrekken. Dezelfde dag heeft het Hof de arresten gewezen in de vier andere hierboven vermelde zaken en op die gevallen de door het H.v.J. geformuleerde regel toegepast.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 22.03.2007
(C.02.0185.F)
BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. F.K., advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
R.R., besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, Mr. J.K., advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 9 november 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.
Bij een arrest van 7 oktober 2004 heeft het Hof prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Ze werden beantwoord bij een arrest van 6 juli 2006.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn memorie twee middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1317, 1319 en 1320 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering;
- de artikelen 23, 26 en 27 van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser niet-gegrond, bevestigt het beroepen vonnis dat voor recht had gezegd dat het op 26 oktober 1989 door de eiser tegen de verweerster uitgereikte dwangbevel voor een bedrag van 14.561.700 BEF, te vermeerderen met interest, geen wettelijke grondslag heeft en bijgevolg nietig en zonder rechtsgevolg is en dat de eiser bevolen had het dwangbevel op te heffen, en voor recht zegt dat het vonnis zal gelden als bevel tot opheffing bij niet-tenuitvoerlegging ervan binnen achtenveertig uur na de betekening ervan, en de eiser veroordeelt in de kosten van de twee gedingen, zijnde 39.884 BEF, op grond dat:
"de administratie aanvoert dat (de verweerster) niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden om haar recht op aftrek uit te oefenen, op grond dat de overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de facturen volstrekt nietig zijn omdat de doorslaggevende beweegreden die de heer A. ertoe heeft aangezet om met (de verweerster) te contracteren erin bestond een btw-carrousel op te zetten die strijdig is met de wettelijke btw-regeling; dat de litigieuze handelingen een ongeoorloofde oorzaak zouden hebben in de zin van artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek en dat uit die oorzaak zou kunnen worden afgeleid dat de noodzakelijke voorwaarden om recht op aftrek te hebben, en meer bepaald het bestaan van leveringen van goederen in de zin van het btw-wetboek (artikel 10), namelijk het feit waarbij een goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld ingevolge een contract onder bezwarende titel, niet vervuld zouden zijn; dat de administratie tot staving van haar betoog verschillende beslissingen van de Rechtbank van Eerste Aanleg en het Hof van Beroep te Brussel aanvoert waarbij de heer A. (en andere beklaagden) wegens verschillende misdrijven waaronder valse facturen werden veroordeeld; dat de administratie veel belang hecht aan het arrest van 17 april 1997 van het Hof van Beroep te Brussel dat de beklaagde A. veroordeelde wegens twee valse facturen die het in zijn hoofdconclusie vermeldt (p. 9); niettemin, behoudens de omstandigheid dat de zaakvoerder van de (verweerster) niet vervolgd werd en dus voor de bodemgerechten geen uitleg heeft kunnen verstrekken, waardoor kennelijk problemen kunnen rijzen betreffende het recht van verdediging (...), kan het hof [van beroep] slechts vaststellen dat de administratie klaarblijkelijk een fout begaat wanneer zij zegt dat de beklaagde A. veroordeeld is wegens tenlasteleggingen i.v.m. valse facturen aan de vennootschap Auto Mail terwijl hij daarvan werd vrijgesproken (zie stuk 11.2, p. 4 en 18 van het dossier [van de eiser]); dat het hof [van beroep] bijgevolg niet inziet waarop de administratie zich baseert om staande te houden dat (de verweerster) heeft deelgenomen aan een btw-carrousel terwijl het niet betwist dat de verkoper de goederen ter beschikking heeft gesteld en dat er kennelijk regelmatige aankoop- en verkoopfacturen zijn opgemaakt; dat de bewering (van de eiser) als zouden alle litigieuze facturen fictief zijn aan de zijde van ten minste een van de protagonisten, wat (de verweerster) betreft, op geen enkele ernstige en bewezen grond berust en het gevolg is van grove verwarring met een reeks beklaagden die daadwerkelijk door de strafrechter zijn veroordeeld".
Grieven
Om staande te houden dat de door de verweerster gedane aankopen en verkopen nietig waren omdat ze strijdig waren met de openbare orde en de goede zeden, aangezien hun oorzaak ongeoorloofd was doordat verkoper A., de enige leverancier van de verweerster, alsook de koper Auto Mail, aan de hand van die aankopen en verkopen een omvangrijk systeem van btw-fraude hadden opgezet, had de eiser aangevoerd dat de heer A. bij het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 17 april 1997 veroordeeld was wegens valse verkoopfacturen aan de verweerster en valse verkoopfacturen aan de vennootschap Auto Mail.
Het bestreden arrest beweert dat de heer A. bij het arrest van 17 april 1997 van die tenlasteleggingen werd vrijgesproken, zodat er niet mag worden beweerd dat de verweerster betrokken zou zijn in het fraudesysteem dat was opgezet om de rechten van de Schatkist te ontduiken, aangezien de aankoop- en verkoopfacturen betrekking hadden op overeenkomsten waarvan de oorzaak niet ongeoorloofd was.
Blijkens het arrest van de veertiende correctionele kamer van het Hof van Beroep te Brussel van 17 april 1997 werd de heer A. vervolgd omdat hij "A. met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, valsheid in (...) handelsgeschriften heeft gepleegd (...) II. 9 drieëndertig verkoopfacturen van de de b.v.b.a. Auto Mail aan G. A. (...); A III 17 met name: a) een valse factuur nr. 59 van 10 juni 1989 met een briefhoofd van A. G. aan de (verweerster) waarbij de verkoop wordt bevestigd van een Mercedes 190 E, chassisnummer B201.0244107535 voor de prijs van 440.000 BEF en 110.000 BEF btw, terwijl die verkoop volstrekt fictief was; b) een valse factuur nr. 730 van 11 juni 1988 met een briefhoofd van de (verweerster) aan de b.v.b.a. Auto Mail waarbij de verkoop wordt bevestigd van een Mercedes 190 E, chassisnummer WDB20102441075435 voor de prijs van 470.000 BEF met btw-vrijstelling, terwijl die verkoop volstrekt fictief is aangezien de b.v.b.a. Auto Mail dat voertuig nooit bij de (verweerster) heeft aangekocht (...)" en omdat hij "B. met schending van de artikelen 73, 73bis, 73quinquies, 73sexies, 73septies en 74 van het btw-wetboek, valsheid in geschriften heeft gepleegd of van een zodanig vals geschrift gebruik heeft gemaakt teneinde (...) met name de btw-administratie op te lichten en meer bepaald ontvangen btw-bedragen en weeldetaksen naar zichzelf te versluizen, ofwel naar aanleiding van de facturatie van belastbare handelingen, ofwel naar aanleiding van de teruggave van btw-kredieten en weeldetaksen die door bedrog werden verkregen,, een zeer aanzienlijk aantal valse stukken heeft opgemaakt of doen opmaken, in deze zaak meer bepaald (...) (A.) B II 8 de valse facturen waarop de tenlastelegging A II 9 slaat (...); B III (...) 17 (A.) met name de valse facturen waarop de tenlastelegging A III 17 a en b slaat (...)".
En, hoewel het vonnis van 15 juni 1995 van de negenenveertigste correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel beklaagde A. vrijgesproken had van onder meer de tenlasteleggingen A II 9 en A III 17 a en b, en daarbij wel met name "de tenlasteleggingen B II 8, B III 16 tot 19 (...)" bewezen verklaarde en hem op die grond veroordeeld had tot drie maanden gevangenisstraf en een boete van 100.000 BEF, heeft het arrest van de veertiende correctionele kamer van het Hof van Beroep te Brussel van 17 april 1997 voornoemd vonnis gewijzigd in zoverre het de heer A. vrijgesproken heeft van met name de tenlasteleggingen A II 9 en A III 17 a en b.
Het bevestigt immers het beroepen vonnis "met als enige wijziging dat de tenlasteleggingen A II 9, A III 16 a en b, A III 17 a en b, A III 18 a en b, A III 19 a en b, A III 21 a à d, A III 23 a en b, A III 27 a en b in de zaak I ten laste van A. G. eenparig bewezen zijn" en veroordeelt hem voor alle tenlasteleggingen die de eerste rechter had aangenomen en die welke door het hof van beroep bewezen waren verklaard, en die waarvoor hij door het beroepen vonnis werd vrijgesproken, tot een gevangenisstraf van drie maanden en een boete van 100.000 BEF.
Hieruit volgt dat bestreden arrest, doordat het beslist dat beklaagde A., de verkoper van de voertuigen die door de verweerster met btw-vrijstelling aan de b.v.b.a. Auto Mail werden doorverkocht, niet werd veroordeeld voor de tenlasteleggingen betreffende de valse facturen aan de b.v.b.a. Auto Mail, zodat de verweerster niet betrokken kon zijn bij de litigieuze btw-carrousel en de facturen krachtens welke de aftrek van de belasting door de verweerster werd gevorderd, niet fictief waren aan de zijde van ten minste een van de protagonisten en de verweerster dus die aftrek mocht eisen, het gezag van gewijsde miskent van het arrest van de veertiende correctionele kamer van het Hof van Beroep te Brussel van 17 april 1997 dat die tenlasteleggingen bewezen heeft verklaard aan de zijde van G.A. (schending van de artikelen 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en, voor zoveel als nodig, 23, 26 en 27 van het Gerechtelijk Wetboek) en de bewijskracht ervan miskent door aan die beslissing een vrijspraak toe te kennen die er niet in is vervat (schending van de artikelen 1317, 1319 en 1320 van het Burgerlijk Wetboek).
Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 6, 1108, 1131, 1315, 1604, 1606, 1609, 1614 en 1615 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;
- de artikelen 4, 15, 43, 45 en 59 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 december 1992;
- de artikelen 4, inzonderheid §1 en 2, 17, inzonderheid § 2, a, 18, 20 en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting;
- artikel 1, inzonderheid eerste lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de bijzondere waarde, vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 29 december 1992;
- artikel 3, §1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 29 december 1992;
- artikel 149 van de Grondwet.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest, dat eerst erop wees dat "(de verweerster) niet betwist dat zij bij de heer A. zes zogenaamde topklasse auto's heeft gekocht, die de betrokkene had aangekocht bij een vennootschap Auto Mail, en dat die eerste aankopen geen aanleiding hadden gegeven tot betaling van btw ten voordele van de Schatkist", dat "de heer A. evenmin de door (de verweerster) betaalde belasting (aan de eiser) teruggestort heeft en dat (eerstgenoemde) de voertuigen met btw-vrijstelling heeft doorverkocht aan de vennootschap Auto Mail terwijl hij gedekt was door een vergunning tot verkoop die met toepassing van artikel 43 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde door de administratie was uitgereikt", en beslist vervolgens, met bevestiging van het beroepen vonnis dat het op 26 oktober 1989 door de eiser afgegeven dwangbevel nietig en zonder rechtsgevolg is, dat de eiser het moet opheffen binnen achtenveertig uur na de de betekening van het vonnis dat zal gelden als bevel tot opheffing bij niet-tenuitvoerlegging ervan, en veroordeelt de eiser tot betaling van de kosten van de verweerster in de twee gedingen, op grond dat:
"(de eiser) thans niet meer beweert dat (de verweerster) ‘wetens en willens' gehandeld zou hebben om mee te werken aan een btw-carrousel (...)"; dat "het hof [van beroep] slechts kan vaststellen dat de administratie klaarblijkelijk een fout begaat wanneer zij zegt dat de beklaagde A. veroordeeld is wegens tenlasteleggingen i.v.m. valse facturen aan de vennootschap Auto Mail terwijl hij daarvan werd vrijgesproken (...); dat het hof [van beroep] bijgevolg niet inziet waarop de administratie zich baseert om staande te houden dat de bewuste vennootschap heeft deelgenomen aan een btw-carrousel terwijl het niet betwist dat de verkoper de goederen ter beschikking heeft gesteld en dat er kennelijk regelmatige aankoop- en verkoopfacturen zijn opgemaakt; dat de bewering (van de eiser) als zouden alle litigieuze facturen fictief zijn aan de zijde van ten minste een van de protagonisten, wat (de verweerster) betreft, op geen enkele ernstige en bewezen grond berust en het gevolg is van een grove verwarring met een reeks beklaagden die daadwerkelijk door de strafrechter zijn veroordeeld" en dat "(de eiser) tevergeefs het arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2000 aanvoert dat niet naar dit geval kan worden omgezet, aangezien het Hof van Cassatie, in het bedoelde geval, erop gewezen had dat het arrest van het hof van beroep, met overneming van de redenen van de eerste rechter, vaststelt dat de verweerster betrokken is geraakt bij frauduleuze handelingen, de zogenaamde ‘btw-carrousel', in die zin dat de voertuigen die de verweerster zogezegd zou hebben gekocht, nooit geleverd zijn, dat sommige auto's niet fysiek bestaan en dat de overige auto's al in het bezit van andere definitieve kopers waren (zie de argumenten van de partijen die in het eerste gedeelte van het arrest door de Staat worden uiteengezet); dat daaruit volgt dat de voorwaarden die de uitgangspunten van de redenering van het Hof vormen, verschillen van het geval dat thans aan het hof [van beroep] is voorgelegd".
Grieven
Eerste onderdeel
Het bestreden arrest, dat vaststelt dat de verweerster betrokken raakte bij een frauduleuze handeling, een zogenaamde "btw-carrousel" betreffende de verkoop van auto's en dat degenen die bij haar auto's hebben gekocht en er haar hadden verkocht de bedoeling hadden om, ten laste van de Schatkist, voor eeuwig de B.T.W. terugbetaald te krijgen, maar dat, anderzijds de verweerster niet op de hoogte was van die georganiseerde fraude en te goeder trouw was, hoewel die voertuigen haar waren geleverd en zij ze zelf op haar beurt had geleverd aan de uiteindelijke koper die btw-vrijstelling genoot, en de overige facturen kennelijk regelmatig waren, beslist dat de verkoopovereenkomsten tussen de verkoper, een medeplichtige van Auto Mail, en de verweerster, niet nietig waren wegens strijdigheid met de openbare orde, zodat de verweerster, de wegens die overeenkomsten verschuldigde btw diende te betalen en, bijgevolg, krachtens artikel 45 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aftrek en de teruggave ervan aan de eiser kon vorderen.
De bepalingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde zijn van openbare orde, daar zij de wezenlijke belangen van de Staat en de gemeenschap raken. Elke overeenkomst waarvan het voorwerp of de oorzaak in strijd is met de openbare orde is echter volstrekt nietig, aangezien artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg kan hebben".
De oorzaak van een wederkerige overeenkomst is de beweegreden of de beweegredenen die een partij tot contracteren heeft aangezet; en hoewel de doorslaggevende beweegreden tot het sluiten van de overeenkomst moet hebben geleid, is het geenszins vereist dat alle partijen bij de overeenkomst die beweegreden hebben.
Wanneer de oorzaak van een overeenkomst strijdig is met de openbare orde en een derde, wiens rechten door de overeenkomst zijn benadeeld, de nietigheid en in elk geval de niet-tegenwerpelijkheid ervan aanvoert, is het voldoende, aangezien het om het algemeen belang gaat, dat de doorslaggevende beweegreden van één van de contracterende partijen ongeoorloofd is, zonder dat het noodzakelijk is de contractant op de hoogte moet zijn van die bedoeling of door hem wordt gedeeld.
Wanneer de ongeoorloofde overeenkomst een verkoop is, maakt het evenmin iets uit dat de verkochte zaak al dan niet bestaat en dat zij al dan niet is geleverd, aangezien de nietigheid van de overeenkomst voortvloeit uit het feit dat de oorzaak ongeoorloofd is.
Het bestreden arrest, dat vaststelt dat de oorspronkelijke verkoper, de b.v.b.a. Auto Mail, de intermediaire koper A. en uiteindelijke koper, de b.v.b.a. Auto Mail, een autozwendel hadden opgezet ten nadele, meer bepaald, van de eiser, wiens rechten beschermd worden door bepalingen van openbare orde, welke zwendel voor hen de doorslaggevende beweegreden van de koopovereenkomsten was, niet naar recht heeft kunnen beslissen dat de overeenkomsten tussen de verkoper en de verweerster geldig waren, zodat het door de eiser uitgegeven dwangbevel nietig was, omdat de verweerster te goeder trouw was, geen weet had van de "carrousel"fraude die door haar medecontractanten was opgezet en omdat de aankopen en verkopen het voorwerp hadden uitgemaakt van daadwerkelijke leveringen en kennelijk regelmatige facturen (schending van de artikelen 6, 1108, 1131 1604, 1615 van het Burgerlijk Wetboek, 2, 4, 10, 15, 40 en 45 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 december 1992).
Tweede onderdeel
Artikel 2, §1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde luidt als volgt: "Aan de belasting zijn onderworpen, wanneer ze hier te lande plaatsvinden: 1° de leveringen van goederen en de diensten die door de belastingplichtigen in de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid worden verricht (...)".
Artikel 10 van het wetboek omschrijft de levering als "het feit waarbij een goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld ingevolge een contract onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik"; leveringen van goederen, zoals ze in die bepaling zijn omschreven, zijn slechts aan de btw onderworpen als ze worden uitgevoerd door een belastingplichtige, d.w.z. volgens artikel 4 van het wetboek, "ieder wiens werkzaamheid erin bestaat geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten te verrichten (...)", waarbij artikel 15, § 1, van het wetboek preciseert dat "de levering plaatsvindt op het tijdstip waarop het goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld".
Volgens artikel 45, §1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde mag de belastingplichtige, in de zin van artikel 4, op de belasting ter zake van de door hem verrichte leveringen van goederen, slechts de belasting in aftrek brengen van de goederen die hem daadwerkelijk en geldig zijn geleverd en die hij, op daadwerkelijke en geoorloofde wijze heeft gebruikt voor het verrichten van handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 43 van dat wetboek.
Uit het onderlinge verband tussen die bepalingen volgt dat een belastingplichtige slechts de bij artikel 45 toegestane belastingaftrek kan genieten, voor zover er een levering van diensten is gebeurd in de zin van artikel 10 van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde; dat is niet het geval wanneer de, weliswaar materieel gebeurde levering is gedaan krachtens een overeenkomst met ongeoorloofde oorzaak, omdat zij strijdig is met de openbare orde, en dus geen enkel rechtsgevolg kan hebben; hierbij maakt het niet uit dat de belastingplichtige te goeder trouw was en de omstandigheid dat de verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot de uitgifte van facturen die beantwoorden van de vormvereisten van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 en van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 is dienaangaande niet relevant.
En de belastingplichtige die aanspraak wil maken op een recht tot aftrek moet bewijzen dat de belasting, waarvan hij de gehele of gedeeltelijke teruggave vraagt, geheven is op de levering van goederen of diensten die hem daadwerkelijk zijn geleverd en die gebruikt zijn om geoorloofde handelingen in de zin van artikel 45, §1, 1° of 2°, van het wetboek te verrichten.
Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet naar recht heeft kunnen beslissen dat de verweerster de belasting mocht aftrekken die zij aan haar medecontractant wegens de ongeoorloofde verkoopovereenkomsten had betaald en dat, bijgevolg, het door de eiser uitgereikte dwangbevel nietig was omdat de verweerster te goeder trouw was en dat zij niet wist dat de aankopen en verkopen deel uitmaakten van een zwendel en dat de verkochte goederen materieel waren geleverd, terwijl er kennelijk regelmatige facturen waren opgemaakt (schending van alle in het middel aangewezen bepalingen).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Beide onderdelen
Als antwoord op de prejudiciële vragen die bij voornoemd arrest van 9 november 2001 aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen werden gesteld, heeft dat Hof voor recht gezegd:
"In geval van een levering aan een belastingplichtige die niet wist en niet had kunnen weten dat de betrokken handeling deel uitmaakte van fraude door de verkoper, moet artikel 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van nationaal recht volgens welke de nietigverklaring van de verkoopovereenkomst krachtens een bepaling van burgerlijk recht ingevolge welke deze overeenkomst absoluut nietig is wegens strijdigheid met de openbare orde op grond van een ongeoorloofde oorzaak aan de zijde van de verkoper, leidt tot het verlies van het recht op aftrek van de door deze belastingplichtige voldane belasting over de toegevoegde waarde. Niet relevant is in dit verband, of deze nietigheid het gevolg is van btw-fraude of van andere fraude.
Daarentegen staat het aan de nationale rechter het recht op aftrek te weigeren indien aan de hand van objectieve elementen wordt vastgesteld dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een transactie die onderdeel is van btw-fraude".
Uit die antwoorden volgt dat het hof van beroep dat van oordeel was dat de verweerster niet op de hoogte was van de btw-fraude, waarbij zij zonder haar medeweten betrokken was geraakt, wettig beslist dat zij de belastingen die zij aan haar verkoper had betaald, mocht aftrekken en, bijgevolg, dat het door de eiser uitgevaardigde bevel nietig was
Het middel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel
Uit het antwoord op het tweede middel volgt dat het middel opkomt tegen ten overvloede gegeven consideransen van het arrest.
Het vertoont geen belang en is dus, zoals de verweerster aanvoert, niet ontvankelijk.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter …
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
15Rechtspraak
3België
3Hof van Cassatie18.06.2009
Aftrek, rechtmisbruik, BTW-carrousel, vordering tot voldoening
Hof van Cassatie07.10.2004
Aftrek voorbelasting, BTW-carrousel, Nietigheid transacties
Hof van beroep te Luik2009/RG/117712.10.2015