Strafbepaling, administratieve geldboete, strafrechtelijke sanctie, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 19 juni 2002

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, strafrechtelijke sanctie, vervolging, geding

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-strafrechtelijke-sanctie-rechtbank-hasselt-2002-06-19-9faa

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
19 juni 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

118 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 19.06.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT – 11° KAMER HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR 95/2499/A

DE NV M., voorheen NV L., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven HR Tongeren nr. …;

eiser,

vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. T., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het 2de BTW-Ontvangkantoor te 3500 Hasselt, en gevestigd Koning Boudewijnlaan 4;

verweerster,

vertegenwoordigd door Mr. F. R., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- de tussenvonnissen van deze rechtbank van 19.01.1998 en 20.03.2002;

- het arrest van het Arbitragehof van 24.02.1999;

- de conclusies en de stukken van partijen;

- de herneming van de zaak voor de zetel zoals deze thans is samengesteld;

Feiten en voorgaanden

1. Op 24/06.1994 vond op de maatschappelijke zetel van eiseres een BTW-controle plaats, uitgevoerd door de heren L. V. en P. D. M. respectievelijk adjunct-verificateur en verificateur bij de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, 7e inspectie van Antwerpen.

Naar aanleiding van deze controle werden er in een proces-verbaal van 29.08.1994 diverse inbreuken op de aftrekregeling overeenkomstig art. 45 van het BTW-wetboek en art. 3, § 1 van het KB nr. 3 van 10.12.1969 vastgesteld, met name het ten onrechte aftrekken van BTW op fictieve facturen, uitgereikt door de heer P. S. onder de firmabenamingen BVBA ALB, BVBA S. en BVBA S. P. aan eiseres. In dit proces-verbaal erkenden de afgevaardigde bestuurders van eiseres, met name de heren L. L. en M. L., de inbreuken.

Voormelde afgevaardigde bestuurders werden voor de hoger vermelde inbreuken bij vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 14.10.1994 elk veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 15 maanden met uitstel gedurende vijf jaar en tot betaling van een fiscale geldboete ten belope van 500.000 BEF, thans 12.394,68 EUR, vonnis dat inmiddels in kracht van gewijsde is getreden.

2. Op 04.11.1994 werd door de waarnemend Ontvanger van het tweede ontvangkantoor van de BTW te Hasselt een dwangbevel uitgevaardigd lastens eiseres, hetwelk werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de adjunct-directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 24.11.1994. Voormeld dwangbevel werd aan eiseres betekend bij geregistreerd exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder P. V. loco L. H., gerechtsdeurwaarder te Maaseik van 9.12.1994, samen met het proces-verbaal van 29.08.1994.

In voormeld dwangbevel werd de betaling gevorderd van de som van 2.315.027 BF (thans 57.388,02 EUR) ontdoken en derhalve verschuldigde BTW, de som van 4.630.000 BF (thans 114.774,70 EUR) administratieve geldboeten, zijnde 200 % van de ontdoken BTW krachtens art. 70, § 1, 70, § 1bis en 70, § 2 W.BTW, te verhogen met de intresten en de vervolgingskosten.

3. Bij geregistreerd exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder P. V. A. loco R. V. D. V., gerechtsdeurwaarder te Hasselt, van 01.02.1995 tekende eiseres verzet aan tegen voormeld dwangbevel, doch enkel voor wat betreft de verschuldigdheid van de geldboete en de hierop lopende intresten, waarvan zij de kwijtschelding, minstens vermindering vordert.

Inmiddels zou eiseres op 16.03.1995 het bedrag van de verschuldigde BTW, vermeerderd met de intresten, hebben betaald.

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 20.12.1995 werd de zaak omwille van territoriale onbevoegdheid met akkoord van de partij en verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

Middels conclusies, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 30.06.1997, besloot verweerster tot de ongegrondheid van de vordering, nu zij van oordeel was dat de rechter niet gerechtigd is de door in het kader van art. 70 van het BTW-wetboek opgelegde administratieve geldboete noch volledig noch gedeeltelijk kwijt te schelden en dergelijke bevoegdheid overeenkomstig art. 84 van het BTW-wetboek alleen zou toekomen aan de Minister van Financiën.

Bij tweede aanvullende conclusies, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 26.11.1997 verzocht eiseres de rechtbank de volgende twee prejudiciële vragen te stellen aan het .Arbitragehof :

"1. Is art. 70 BTW-wetboek, voor zover nodig in combinatie met art. 84, 2de lid BTW-wetboek, in de interpretatie dat de in art. 70 BTW-wetboek voorziene fiscale boeten, opgelegd door de administratie, verschuldigd zijn ongeacht de schuld of de goede trouw van de belastingplichtige, en zonder dat de rechterlijke macht bevoegd geacht wordt om te oordelen of er enige schuld of kwade trouw aanwezig is op grond waarvan de oplegging van de boete gegrond is, en zonder dat de rechterlijke macht bevoegd geacht wordt om de evenredigheid van de opgelegde boete te beoordelen en, desgevallend rekening houdend met verzachtende omstandigheden of rechtvaardigingsgronden, een vermindering of kwijtschelding toe te staan, strijdig met het Grondwettelijk beginsel non-discriminatiebeginsel (art. 10 - 11 G.W), gelet op het feit dat de voormelde appreciatie en milderingen overeenkomstig art. 73quinquies BTW-wetboek wel zijn toegestaan voor de bestraffing van dezelfde feiten via strafrechtelijke boeten ?

2. Indien het antwoord op de eerste vraag positief is; geldt dan het volgende voor wat betreft de overtredingen van de BTW-reglementering die niet werden gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, en die derhalve wel aanleiding kunnen geven tot een administratieve boete, doch die niet kunnen worden gestraft met een sanctie als bedoeld in art. 73 BTW-Wetboek, is voor wat betreft deze overtredingen art. 70 BTW-wetboek, voor zover nodig in combinatie met art. 84, 2de lid BTW-wetboek) in de interpretatie dat de in art. 70 BTW-wetboek voorziene fiscale boeten, opgelegd door de administratie, verschuldigd zijn ongeacht de schuld of de goede trouw van de belastingplichtige, en zonder dat de rechterlijke macht bevoegd geacht wordt om te oordelen of er enige schuld of kwade trouw is op grond waarvan de overlegging van de boete gegrond is, en zonder dat de rechterlijke macht bevoegd geacht wordt om de evenredigheid van de opgelegde boete te beoordelen en desgevallend rekening houdend met verzachtende omstandigheden of rechtvaardigingsgronden, een vermindering of kwijtschelding toe te staan, strijdig met het Grondwettelijk non-discriminatiebeginsel (art. 10 - 11 G. W), gelet op het feit dat de voormelde appreciatie en milderingen overeenkomstig het antwoord op de eerste prejudiciële vraag wel zijn toegestaan voor de administratieve geldboeten die worden opgelegd wegens overtredingen die tevens kunnen worden bestraft met strafrechtelijke boeten zoals bedoeld in art. 73 BTW-wetboek, gelet op het feit dat het evenredigheidsbeginsel vereist dat op een lichtere overtreding geen strengere (of zelfs geen even strenge) sanctie mag worden gesteld als op een zwaardere overtreding ?"

4. Bij tussenvonnis van deze rechtbank van 19.01.1998 werd het verzet reeds ontvankelijk verklaard, doch werd alvorens ten gronde uitspraak te doen de twee voormelde prejudiciële vragen aan het Arbitragehof gesteld en de zaak in afwachting van een uitspraak van het Hof naar de rol verwezen.

5. Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest van 24.02.1999 ten aanzien van gestelde prejudiciële vragen het volgende :

"- In zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, niet toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen, schendt artikel 70 van het BTW-wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

- In zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen, schendt artikel 70 van het BTW-wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet".

In de overweging B.14 besliste het Hof ingevolge de vastgestelde discriminatie niet verder over te gaan tot de vergelijkingen die, in fine, in de twee prejudiciële vragen zijn vermeld.

6. Bij tussenvonnis van 20.03.2002 heropende de rechtbank ambtshalve de debatten teneinde eiseres toe te laten een volledig en regelmatig voor eensluidend verklaard afschrift met vermelding van kracht van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 14.10.1994, nu eiseres zich in conclusies beriep op de toepassing van het art. 14 BUPO-Verdrag of het non bis in idem-beginsel.

Standpunten van partijen na het arrest van het Arbitragehof

Standpunt van eiseres

Eiseres vordert in hoofdorde nog steeds de kwijtschelding van de haar opgelegde BTW-boete en ontwikkelt hiertoe drie argumenten. Hierbij gaat zij enerzijds uit van het strafrechtelijk karakter van de fiscaal-administratieve geldboete en anderzijds interpreteert zij het tussengekomen arrest van het Arbitragehof van 24 februari 1999 op zulke wijze dat zij de rechter bevoegd acht een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen ten aanzien van de bestreden administratieve sanctie, met name de mogelijkheid tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boete, rekening houdend met de omstandigheden.

Voormelde drie argumenten worden door eiseres als volgt ontwikkeld :

- nu de litigieuze overtredingen reeds werden gesanctioneerd door de strafrechtelijke veroordeling van elk der afgevaardigde bestuurders van eiseres tot een geldboete van 500.000 BF (thans 12.394,68 EUR), werden deze overtredingen reeds voldoende zwaar bestraft, waardoor een bijkomende geldboete derhalve overbodig zou zijn;

- ingevolge de eerdere strafrechtelijke veroordeling van de afgevaardigde bestuurders voor dezelfde feiten als vervat in het betrokken dwangbevel is in casu art. 14, § 7 van het BUPO-Verdrag of het non bis in idem-beginsel van toepassing, zodat de rechtsgeldigheid van de administratieve sanctie wordt betwist;

- in het juridisch tijdskader dat de rechtspersoon nog niet kon worden gestraft, kon aan eiseres geen fiscale geldboete met strafrechtelijk karakter worden opgelegd voor de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen.

In ondergeschikte orde verzoekt zij de rechtbank de haar opgelegde boete te verminderen op grond van de door haar in conclusies aangehaalde omstandigheden.

Standpunt van verweerster

Verweerster betwist in besluiten blijkbaar niet meer het uitgangspunt van eiseres inzake het strafrechtelijk karakter van de door haar opgelegde BTW-boete. Zij betwist evenmin dat de feiten dewelke ten grondslag liggen aan de eerdere strafrechtelijke veroordeling van de afgevaardigde bestuurders van eiseres, dezelfde zijn als deze waarvoor het dwangbevel met de daarin vervatte fiscale geldboete lastens eiseres werd uitgevaardigd.

Verweerster is evenwel nog steeds van oordeel dat de rechter de opgelegde fiscale boete niet kan kwijtschelden. Inzake de rechterlijke controlebevoegdheid t.a.v. de opgelegde fiscale boete interpreteert verweerster de overwegingen in het tussengekomen arrest van het Arbitragehof op deze wijze dat de rechter enkel de mogelijkheid heeft de omvang van de sanctie te moduleren indien de administratie dit ook kan. Daar het art. 1 van het KB nr. 41 tot uitvoering van de artikelen 70 en 84 van het BTW-wetboek stelt dat "de verminderde geldboeten niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken", zou volgens verweerster de rechtbank in casu deze matigingsbevoegdheid ook niet hebben, nu het bedrieglijk opzet van de afgevaardigde bestuurders van eiseres reeds werd bewezen verklaard door de correctionele rechtbank te Antwerpen in het vonnis van 14 oktober 1994.

Verweerster houdt vervolgens voor dat het non bis in idem-beginsel in casu niet van toepassing is nu, op het ogenblik dat eiseres een fiscale geldboete werd opgelegd, weliswaar haar afgevaardigde bestuurders reeds werden bestraft doch nog niet zijzelf, zodat er geen beletsel bestond om haar alsnog een sanctie op te leggen, gelet op de pluraliteit van daders.

Beoordeling

1. De draagwijdte van de rechterlijke controle op de fiscaal-administratieve geldboete : beoordeling na het arrest van het Arbitragehof van 24 februari 1999

Nu vaststaat dat de fiscaal-administratieve geldboeten een straf karakter hebben in de zin van art. 6 E.V.R.M., dient volgens vaste rechtspraak van het E.H.R.M. steeds de betrokkene, dewelke een dergelijke boete werd opgelegd, de mogelijkheid te hebben om beroep in te stellen bij een rechtscollege dat aan de waarborgen van art. 6 E.V.R.M. voldoet en dat over volle rechtsmacht beschikt.

Het Arbitragehof heeft in zijn arrest van 24.02.1999 uitdrukkelijk erkend dat de interpretatie van art. 70 BTW-wetboek die stelt dat de rechter, bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, op de beslissing van de administratie tot oplegging van een administratieve sanctie in de zin van art. 70 BTW-wetboek geen controle met volle rechtsmacht kan uitoefenen, voormeld artikel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

Partijen voeren naar aanleiding van voormeld arrest in deze zaak nog steeds betwisting omtrent de draagwijdte van deze rechterlijke controlebevoegdheid.

Eiseres houdt voor dat ongeacht de aard, de ernst of de omvang van de overtreding de rechter een controlebevoegdheid heeft, zowel aangaande de wettelijkheid als de opportuniteit van de opgelegde administratieve sanctie en zowel inzake de schuld als de verzachtende omstandigheden. De rechter kan derhalve volgens haar steeds een kwijtschelding, dan wel vermindering van de opgelegde geldboete toestaan.

Verweerster meent evenwel uit het arrest af te leiden dat de rechterlijke bevoegdheid tot controle met volle rechtsmacht zou inhouden dat de beoordelingsbevoegdheid van de administratie en van de rechter aan elkaar gelijk zijn en de rechter niet meer beoordelingsbevoegdheid zou hebben dan de administratie. Nu verweerster voorhoudt dat de aan eiseres verweten inbreuken op de BTW-wetgeving zijn gepleegd met het oogmerk om belasting te ontduiken, met verwijzing naar het vonnis van 14 oktober 1994 van de correctionele rechtbank te Antwerpen, zou volgens verweerster art. 1 van het KB nr. 41 tot uitvoering van de artikelen 70 en 84 van het BTW-wetboek van toepassing zijn, dat stelt dat "de verminderde geldboeten niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken". Nu de administratie in dergelijk geval de geldboete niet kan verminderen, zou volgens verweerster de rechter dewelke de administratieve boete dient te beoordelen, deze matigingsbevoegdbeid ook niet hebben.

Bij het stellen van voormelde prejudiciële vragen, verwees de rechtbank naar een welbepaalde mogelijke interpretatie van het getoetste artikel 70 BTW-wetboek, met name dat de rechter niet bevoegd zou zijn om bij de beoordeling van de opgelegde fiscale geldboete rekening te houden met de schuld of de goede trouw van de belastingplichtige, de evenredigheid van de opgelegde boete en in geval van verzachtende omstandigheden of rechtvaardigingsgronden die boete te verminderen of zelfs kwijt te schelden.

Bij het beantwoorden van de prejudiciële vraag erkende het Hof eerst uitdrukkelijk het strafrechtelijk karakter van de fiscaal-administratieve geldboete. In navolging van voormelde vaststaande rechtspraak van het E.H.R.M. stelde het Hof vervolgens dat de wetgever de vrijheid heeft om aan de fiscus de taak toe te vertrouwen de fiscale inbreuken te vervolgen en te bestraffen, doch dit betekent evenwel niet dat deze wetgevende regeling er mag toe leiden dat aan een categorie van personen, op een discriminerende manier, het recht wordt ontzegd op een daadwerkelijk en jurisdictioneel beroep dat zowel door een algemeen rechtsbeginsel als door artikel 6 van het E.V.R.M. wordt gewaarborgd.

Het Hof stelde dat in de mogelijke interpretatie van het art. 70 BTW-wetboek, zoals deze werd verwoord in de gestelde prejudiciële vragen, de categorie van personen die door een administratieve geldboete wordt getroffen, niet de mogelijkheid heeft een beroep in te stellen dat hem ertoe in staat stelt door een rechter te laten toetsen of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt, hetgeen strijdig is met de artikelen 10 en 11 G.W.

Tevens stelde het Arbitragehof evenwel uitdrukkelijk dat de tekst van artikel 70 BTW-wetboek zich er niet tegen verzet dat de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, een bevoegdheid van volle rechtsmacht uitoefent die hem ertoe in staat stelt te controleren al wat onder de beoordeling van de administratie valt inzake de fiscale boete.

Het Arbitragehof erkent derhalve expliciet dat de rechter zich met volle rechtsmacht moet kunnen uitspreken over de door de administratie opgelegde BTW-boete en dat art. 70 BTW-wetboek deze interpretatie ook toelaat.

De vraag of deze volheid van rechtsmacht ook betrekking heeft op de mogelijkheid tot kwijtschelding of vermindering van de boete wegens opportuniteitsredenen, beantwoordt het Arbitragehof niet uitdrukkelij. De passage waarin het Hof oordeelt dat de wetgever weliswaar de sfeer van gestrengheid bepaalt waarin de administratie en de rechter dienen te oordelen, doch als de wetgever meent dat de administratie de omvang van de sanctie kan aanpassen, niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag kunnen ontspannen, kan immers op verschillende manieren worden geïnterpreteerd (A. ALEN, “Naar een betere rechtsbescherming inzake administratieve geldboeten na de koerswijziging van het Hof van Cassatie in zijn arresten van 5 februari 1999”, R.W., 1999-2000, 632).

Men kan voorhouden dat "volle rechtsmacht" betekent dat de rechter de boete kan kwijtschelden of verminderen op grond van o.m. de in acht name van verzachtende omstandigheden die de rechter toelaten de boete te minderen tot onder het wettelijk vastgestelde minimum, gelet op het feit dat de correctionele rechter zulks wel kan op grond van art. 85 S.W., van toepassing verklaard door art. 13quinquies, §1 BTW-wetboek.

Een andere interpretatie zou kunnen zijn dat indien de rechter de door de administratie opgelegde boete onevenredig acht, hij zich dan ertoe dient te beperken de geldboete niet toe te passen en de oplegging van een lichtere sanctie aan de administratie dient te overlaten, vermits hij zich niet in de plaats zou kunnen stellen van het bestuur.

Een derde interpretatie, zoals ook geformuleerd door verweerster, kan erin bestaan dat enkel voor zover de administratie zelf een appreciatiebevoegdheid heeft omtrent de omvang van de sanctie, de rechter de bevoegdheid heeft om te oordelen of de administratie haar bevoegdheid binnen de redelijke grenzen die haar zijn ter beschikking gesteld, heeft uitgeoefend.

Nu het Arbitragehof deze vraag niet expliciet heeft beantwoord en derhalve ruimte laat voor interpretatie, oordeelt de rechtbank dat de laatst geschetste interpretatie en haar gevolgen, met name dat de administratie, noch de rechter zich over de hoogte van de boete ingeval van bedrieglijk opzet zou kunnen uitspreken, strijdig is met art. 6 E.V.R.M., vermits er dan geen enkele toetsing kan gebeuren aan omstandigheden en of de administratie het evenredigheidsbeginsel heeft in acht genomen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, in navolging van de rechtspraak van het Arbitragehof inzake de sociale geldboeten (Arbitragehof, nrs. 40/97 en 45/97, 14 juli 1997, BS 21 en 26 augustus 1997; R.W., 1997-98, 1047 (nr. 40/97), het de rechter wel degelijk mogelijk moet zijn om de administratieve geldboete zelf te verminderen dan wel kwijt te schelden, zelfs onder de wettelijke vastgestelde minima, vermits in het tegengestelde geval zulks strijdig zou zijn met het gelijkheidsbeginsel nu de correctionele rechtbank voor dezelfde inbreuk krachtens art. 73quinquies, § 1 BTW-wetboek verzachtende omstandigheden op grond van art. 85 S.W. in acht kan nemen.

De vraag of de opgelegde BTW-boete in casu ook daadwerkelijk op grond van de omstandigheden dient kwijtgescholden dan wel verminderd te worden, kan evenwel slechts aan de orde komen na de beoordeling van het door eiseres opgeworpen middel m.b.t. het non bis in idem-beginsel.

2. De toepassing van het non bis in idem-beginsel

Nu het strafrechtelijk karakter van de fiscale geldboete uitdrukkelijk erkend wordt door de hoogste rechtscolleges in België en het E.H.R.M., zijn niet enkel de waarborgen van art. 6 E.V.R.M. op de procedures voor fiscale boeteoplegging van toepassing, doch evenzeer de waarborgen van het art. 14 B.U.P.O.-Verdrag, dat in België rechtstreekse werking heeft, of het non bis in idem-beginsel als algemeen rechtsbeginsel. Het artikel 4 van het Zevende Protocol bij het E.V.R.., dat een gelijkaardige bepaling bevat, heeft in België evenwel geen rechtstreekse werking.

Het artikel 14, § 7 BUPO-Verdrag bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

Eiseres is van oordeel dat ingevolge de eerdere strafrechtelijke veroordeling van de afgevaardigde bestuurders voor dezelfde feiten als vervat in het betrokken dwangbevel, genomen lastens eisers, in casu art. 14, § 7 van het B.U.P.O.-Verdrag of het non bis in idem-beginsel van toepassing is, zodat de rechtsgeldigheid van de administratieve sanctie wordt betwist.

Partijen betwisten ter zake niet dat de veroordeling van de afgevaardigde bestuurders van eiseres definitief en in kracht van gewijsde is getreden voordat de administratieve boete in het dwangbevel lastens eiseres werd opgelegd. De rechtbank stelt dit overigens voor zoveel als nodig vast aan de hand van het door eiseres overgelegde en voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 10 oktober 1994.

Tevens wordt door partijen niet betwist dat de feiten die ten grondslag liggen aan de strafrechtelijke veroordeling van de afgevaardigde bestuurders van eiseres dezelfde zijn als deze die ten grondslag liggen aan de administratieve geldboete, dewelke bij dwangbevel werd opgelegd aan eiseres en als een strafsanctie moet worden beschouwd.

Verweerster voert daarentegen wel betwisting omtrent de toepassing van het non bis in idem-beginsel ten aanzien van een administratieve sanctie aan eiseres als vennootschap, na de strafrechtelijke veroordeling van haar afgevaardigde bestuurders voor feiten door eiseres als vennootschap gepleegd en die aan hen konden worden toegerekend, zich baserend op het argument van de pluraliteit van daders.

In tegenstelling tot hetgeen eiseres voorhoudt, vereist het non bis in idem-beginsel naast de identiteit van de feiten ook de identiteit van de persoon op wie de cumulatie van strafsancties betrekking heeft. De vraag is in hoeverre de rechtspersoon aan wie een administratieve sanctie werd opgelegd, dezelfde is als de persoon dewelke strafrechtelijk werd veroordeeld, in casu de afgevaardigde bestuurders van eiseres aan wie het gepleegde misdrijf door de strafrechter werd toegerekend.

In casu is de wet tot invoering van de stafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon van 4 mei 1999 niet van toepassing, nu de feiten werden gepleegd vóór 2 juli 1999, zijnde de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Vóór de inwerkingtreding van deze wet gold als algemeen principe dat de rechtspersoon weliswaar een misdrijf kon plegen doch er niet voor kon worden bestraft, hetgeen verwoord werd in het Latijnse adagium "societas delinquere potest, sed non puniri". Het Hof van Cassatie erkende in tal van arresten uitdrukkelijk het daderschap van de rechtspersoon (zie o.m. Cass., 8 april 1946, .Arr.Cass., 1946, 137; Cass., 19 maart 1991, .Arr.Cass., 1990-91, 748, nr. 373 en Cass., 26 maart 1991, Arr.Cass., 1990-91, 794, nr. 399). Het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke vervolging en veroordeling bleef daarentegen voor de rechtspersoon nog steeds uitgesloten. Men was immers gekant tegen een collectieve strafrechtelijke verantwoordelijkheid en kende enkel een individuele verantwoordelijkheid, waardoor enkel de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hadden gehandeld of, ingeval van omissiedelicten, hadden nagelaten te handelen, konden worden gestraft (Deruyck F., De rechtspersoon in het strafrecht, Mys & Breesch, Gent, 1996, 12).

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor het misdrijf bleef volgens een vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie rusten op de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hadden gehandeld of hadden nagelaten te handelen (zie o.m. Cass., 26 maart 1991, Arr.Cass., 1990-91, 794; Cass., 29 maart 1994, 328). Teneinde het misdrijf niet ongestraft te laten, heeft men het mechanisme van de toerekening in het leven geroepen, uitgaande van het principe dat een rechtspersoon weliswaar een misdrijf kan plegen, doch handelt doorheen een natuurlijke persoon, die er dan ook voor kon worden gestraft.

Het uitgangspunt van het toerekeningsmechanisme is het causaal verband tussen feit en dader : "Imputer un fait à quelqu'un, c'est affirmer que c'est bien cette personne qui en est l’auteur au regard de la loi pénale » (R. Legros, « Imputabilité » pénale et entreprise économique », R.D.P., 1968-69, 372). Het Hof van Cassatie zag evenwel geen beletsel in het feit dat de rechtspersoon tot dader wordt verheven en dat de natuurlijke persoon, aan wie de feiten worden toegerekend, ook als dader wordt beschouwd, deze hoedanigheid samen met de rechtspersoon heeft dan wel samen met de rechtspersoon de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd (zie o.m. Cass., 7 oktober 1974, Arr. Cass., 1975, 169; Cass., 21 oktober 1980, Pas., 1981, I, 220; Cass., 21 september 1964, Pas., 1965, I, 65; Cass., 11 december 1967, Arr. Cass., 1968, 524).

De voorwaarden die gesteld worden opdat de feiten, gepleegd door een rechtspersoon, aan een natuurlijke persoon kunnen worden toegerekend, worden even streng geacht als deze, vereist om een natuurlijke persoon, los van enige rechtspersoon, strafrechtelijk verantwoordelijk te stellen, zodat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke personen voor misdrijven gepleegd door een vennootschap en die hen worden toegerekend, noch een objectieve strafrechtelijke verantwoordelijkheid is, noch een strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor een ander (F. Deruyck, o.c., 12; Ph. Traest; "Strafrechtelijke toerekening van handelingen en feiten aan rechtspersonen", in M. Storme, E. Wymeersch en H. Braekmans (ed.), Handels-, economisch en financieel recht) Gent, Mys & Breesch, 1995, 297-298).

De interpretatie van eiseres dat men voor de invoering van de wet van 4 mei 1999 niet kan spreken van pluraliteit van daders en derhalve maar één dader kan bestaan van het misdrijf, met name de rechtspersoon, is derhalve foutief, daar zij het mechanisme van de toerekening van het misdrijf aan de natuurlijke persoon miskent.

Bij toepassing van voormelde beginselen stelt de rechtbank vast dat in het kader van de strafprocedure waarbij de afgevaardigde bestuurders strafrechtelijk werden veroordeeld voor de gepleegde inbreuken op de BTW-wetgeving, de strafrechter een rechterlijke toerekening van het misdrijf aan de natuurlijke personen binnen de rechtspersoon heeft uitgevoerd, vermits bij gebreke aan een wettelijke toerekenbaarheid de rechter de strafbare dader-natuurlijke persoon diende aan te wijzen.

De strafrechter heeft vervolgens in hoofde van de afgevaardigde bestuurders van eiseres een persoonlijke fout weerhouden m.b.t. de misdrijven inzake BTW (tenlasteleggingen D en G) en meer specifiek dat het bijzonder opzet, met name het oogmerk om een zuiver fiscaal misdrijf te plegen, in hun hoofde aanwezig was, daar zij wetens en willens de betaalde BTW in aftrek brachten overeenkomstig art. 45 BTW-wetboek, voor goederen en diensten die aan hen niet werden verstrekt (zie blz. 225 van het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 14 oktober 1994). Eiseres betwist niet dat de misdrijven inzake BTW in beginsel eveneens begaan werden door eiseres als rechtspersoon.

Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank de terechte stelling van verweerster inzake de pluraliteit van daders. Nu de inbreuken begaan werden zowel door eiseres zelf als vennootschap als door haar afgevaardigde bestuurders als de natuurlijke personen aan wie de misdrijven dienden te worden toegerekend, om tot effectieve bestraffing te kunnen komen, gelet op de onmogelijkheid van bestraffing van de rechtspersoon, dient te worden vastgesteld dat het non bis in idem-beginsel niet van toepassing kan zijn ten aanzien van de administratieve sanctie ten laste van eiseres als vennootschap, nu zij nog niet voor de betrokken inbreuken werd bestraft.

De rechtbank verwijst ter zake eveneens naar het arrest van het Hof van Cassatie van 24 januari 2002 (C000307N en C000599N, onuitg.) dat, oordelend over het cassatieberoep m.b.t. de door partijen besproken arresten van het Hof van Beroep te Antwerpen van 10 januari 2000, het principe van de pluraliteit van daders onder het oude recht uitdrukkelijk heeft erkend :

"Overwegende dat het arrest vaststelt dat de zaakvoerders een misdrijf hebben gepleegd door te handelen zoals zij gedaan hebben, maar dat de vennootschap die het voordeel heeft genoten van het misdrijf zonder te kunnen worden bestraft op grond van de toenmalige wetgeving ook een strafbaar feit heeft gepleegd dat toen niet kon worden bestraft;

Dat onder het vigerende recht niet uitgesloten kon worden dat een rechtspersoon en haar zaakvoerders samen een strafbare daad zouden stellen waardoor alleen de zaakvoerders konden worden gestraft;

Dat door op die gronden te oordelen dat te dezen onder het oude recht sprake was van een pluraliteit van daders, de appelrechter de aangevoerde juridische tegentrijdigheid niet begaan en de in het middel aangehaalde wetsbepalingen over het begrip dader niet schenden.”

3. De vordering tot kwijtschelding van de boete op grond van het adagium "societas delinquere potest, sed non puniri potest"

Eiseres houdt voordat nu de rechtspersoon op het ogenblik van de uitvaardiging van het dwangbevel van 24.11.1994 niet strafrechtelijk kon worden veroordeeld en een dergelijke administratieve sanctie opgelegd aan de rechtspersoon principieel een strafkarakter heeft, zoals hierboven werd aangenomen, deze sanctie dient te worden kwijtgescholden.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het feit dat de administratieve geldboeten in wezen strafsancties betreffen in de zin van art. 6 EVRM en art. 14, § 7 BUPO-Verdrag, geenszins betekent dat het nationale strafrecht en strafprocesrecht van toepassing worden, doch enkel dat aan de waarborgen van art. 6 EVRM en art. 14, § 7 BUPO-Verdrag moet worden tegemoet gekomen (zie in die zin de Nederlandse Hoge Raad, betreffende fiscale geldboeten, in een arrest van 7 september 1988, B.N.B., 1988, nr. 1988, nr. 298, aangehaald door F. Deruyck, o.c., 111).

Het standpunt van eiseres kan derhalve op dit punt niet worden bijgetreden.

4. Kwijtschelding dan wel vermindering van de opgelegde boete op grond van omstandigheden

Nu de rechtbank, zoals hoger beslist onder punt 2, oordeelt dat het haar wel degelijk mogelijk moet zijn om de administratieve geldboete zelf te verminderen dan wel kwijt te schelden, dient in casu te worden nagegaan of de uiteindelijk verschuldigde boete in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

Het staat vast dat eiseres wetens en willens heeft gehandeld door de betaalde BTW in aftrek te brengen overeenkomstig art. 45 BTW-wetboek, voor goederen en diensten die aan haar niet werden verstrekt; het bedrieglijk opzet ter zake is bewezen. Eiseres dient derhalve van haar handelen met name de inbreuk op een aantal fiscale verplichtingen, de gevolgen te dragen; de inbreuken verschaften haar overigens een voordeel van een ontdoken belasting ten bedrage van 57.388,02 EUR.

Anderzijds werd de vennootschap onrechtstreeks reeds getroffen door de strafrechtelijke veroordeling van haar afgevaardigde bestuurders tot een geldboete van 12.394,68 EUR, hetgeen een gegeven is dat de rechtbank kan betrekken in haar beoordeling omtrent de verhouding van de boete met de gegeven omstandigheden. Dat de vennootschap enerzijds en de afgevaardigde bestuurders anderzijds niet los van elkaar kunnen worden beschouwd en een zelfde economische entiteit vormen, blijkt uit het feit dat de terugbetaling van de ontdoken belasting, te vermeerderen met de erop verschuldigde intresten, mee gefinancierd werd door de familie van de afgevaardigde bestuurders.

Gelet op hoger vermelde omstandigheden sluit een boete van 50 % beter bij de feiten aan.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak, haar tussenvonnis van 20 maart 2002 verder uitwerkende;

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 4.11.1994 ontvankelijk en in de hierna volgende mate gegrond.

Zegt voor recht dat de geldboete zoals voorzien in het dwangbevel van 4.11.1994 wordt herleid tot 50 % boven op de verschuldigde rechten, deze boete te verhogen met de moratoire intresten op de wijze zoals opgenomen in het bestreden dwangbevel conform art. 91, § 4 Wetboek-BTW.

Veroordeelt beide partijen elk tot de helft der kosten en begroot deze kosten in hun geheel als volgt :

Aan de zijde van eiseres op :

* 93,90 euro dagvaardingskosten;

* 54,54 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding;

* 327,22 euro rechtsplegingsvergoeding;

Aan de zijde van verweerster op :

* 54,54 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding;

* 327,22 euro rechtsplegingsvergoeding;

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de elfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 19.06.2002;

alwaar aanwezig waren :

De Heer E. S., rechter, waarnemend voorzitter,

De Heer L. B., rechter,

Mevrouw M. C., rechter,

De Heer A. T., griffier.

A. T. M. C. L. B. E. S.

Aangehaalde teksten

8
WBTW art. 7015 voorkomens
WBTW art. 453 voorkomens
WBTW art. 843 voorkomens
KB nr. 41 art. 12 voorkomens
WBTW art. 732 voorkomens
KB nr. 3 art. 31 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8