Nietigheid overeenkomst, Goede trouw afnemer, BTW-carrousel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie 12 oktober 2000

Zoeken

Nietigheid overeenkomst, Goede trouw afnemer, BTW-carrouselNietigheid overeenkomst,Goede trouw afnemer,BTW-carrousel

https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-overeenkomst-goede-trouw-afnemer-cassatie-brussel-2000-10-12-6c5b

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Datum
12 oktober 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

31 paragrafen

Tekst van de beslissing

ARREST C 00/2

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 12.10.2000

FJF 2003/237

Nietigheid overeenkomst - Goede trouw afnemer - BTW-carrousel

Een overeenkomst die bedoeld is om afbreuk te doen aan de door een wetgeving van openbare orde beschermde rechten van de administratie der belastingen is volstrekt nietig, wanneer één van de partijen ongeoorloofde bedoelingen had bij het sluiten van de overeenkomst, zonder dat vereist is dat de medecontractant hiervan op de hoogte was (Zie Cass., 5 maart 1999, A.R. F.95.0104.N, nr. 134).

Nr. C.99.0136.F

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën,

Mr. F. T., advocaat bij het Hof van Cassatie,

Tegen

A.E.P. BVBA,

Mr. J.K., advocaat bij het Hof van Cassatie.

HET HOF,

Gehoord het verslag van raadsheer P. en op de conclusie van advocaatgeneraal W.;

Gelet op het bestreden arrest, op 8 december 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Luik;

Over het middel, luidend als volgt : schending van de artikelen 6, 1108, 1131, 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 4, 10, 15, 43, 45, 59 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 december 1992, 4, inzonderheid §§ 1 en 2, 17, inzonderheid § 2, a, 18, 20 en 22 van de zesde Europese Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting, 1, inzonderheid eerste lid, 2° en 3° van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, 3, § 1, 1 ° van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 29 december 1992, en 149 van de Grondwet,

doordat het arrest, met gedeeltelijke bevestiging van het beroepen vonnis, beslist dat "noch A.I. noch R. BTW betalen (aan eiser)", "alle handelingen nagenoeg dezelfde dag worden verricht voor elke wagen; dat (verweerster) de gelegenheid niet heeft de wagens te zien en niet eens poogt de staat ervan na te gaan of ze bij de ontvangst te controleren - en zulks trouwens ook niet vraagt -; dat sommige wagens niet bestaan - de chassisnummers zijn fictief voor in elk geval zes wagens (...); dat bij het strafonderzoek zelfs is vastgesteld dat sommige eindkopers, zelfs voor de dag van de aankoop van de wagens door (verweerster), reeds in het bezit zijn van de verkochte wagens, die de showroom van herkomst niet eens verlaten hebben" en "dat geen BTW kan worden geheven van onbestaande handelingen (sommige verkochte wagens bestonden niet eens)"; dat het arrest vervolgens de nietigverklaring van het op 15 september 1989 uitgevaardigde dwangbevel bevestigt, eiser veroordeelt om een bedrag van 4.204.300 frank, verhoogd met de interest tegen 9,6 pct. per jaar met ingang van 18 september 1989 aan verweerster terug te betalen en hem tevens veroordeelt in drie vierde van de uitgaven en kosten van beide instanties, op grond dat "er een zeker circuit van wagens heeft bestaan waarbij iedere tussenpersoon winst opstreek en BTW betaalde, met uitzondering van de laatste schakel, de firma A. M., die van het Bestuur, na een onderzoek waarvan (verweerster) kon aannemen dat het werkelijk ernstig was geschied (...) BTW vrijstelling had gekregen, omdat zij de aangekochte wagens bestemde voor de export; dat de eerste rechter dienaangaande terecht heeft beslist dat de beginselen van goede rechtsbedeling impliceren dat de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen op wat volgens hem niets anders dan vaste gedrags- en beleidsregels kunnen zijn en hij ervan mocht uitgaan dat de door het Bestuur aan de garage A. M. verstrekte vergunning wettig was", dat "(verweerster) zich op haar goede trouw beroept (...)", "dat niet kan worden staande gehouden dat de CV R. de belasting niet verschuldigd is in plaats van (verweerster) die haar voornoemde belasting heeft betaald en ze kon terugvorderen - daar aan haar zijde geen bedrog bewezen was - aangezien zij het goed doorverkocht aan een zekere vennootschap A. M. die de voertuigen, volgens (verweerster), voor de uitvoer bestemde overeenkomstig een regelmatig afgegeven vergunning; dat bij het onderzoek van de burgerlijke rechtsvordering niet meer dan bij het onderzoek van de strafvordering gebleken is dat (verweerster) werkelijk op de hoogte was van het door R. en A. M. gepleegde bedrog" en dat "de gedachtegang van de eerste rechter derhalve moet worden gevolgd zowel op dat punt als wat het begrip ongeoorloofde oorzaak betreft; dat de motivering van het beroepen vonnis waarnaar het arrest verwijst en die het overneemt de volgende was : "de ongeoorloofde oorzaak : (...) dat het, zelfs als R. en A. M. een omvangrijke fraude op het oog hadden, niet vaststaat dat de tussen R. en (verweerster), en vervolgens tussen (verweerster) en A.M. gesloten overeenkomsten nietig zijn wegens ongeoorloofde oorzaak; (...) dat onder oorzaak moet worden verstaan de doorslaggevende beweegredenen van de partijen; dat het voor de vernietiging van een contract onder bezwarende titel is vereist dat de ene partij tenminste op de hoogte was van de ongeoorloofde beweegreden van de andere partij, met andere woorden dat die beweegreden tot het sluiten van het contract heeft geleid" en dat "de door R. uitgereikte facturen, de betaling ervan en de betaling van de belasting door (verweerster), de doorverkoop door (verweerster) op bestelling door A. M. (...) gegevens zijn die wijzen op het bestaan van aan belasting onderworpen handelingen", dat "(verweerster) in de voorwaarden verkeerde om aftrek toe te passen overeenkomstig artikel 45 van het BTW-Wetboek; dat haar niet kan worden verweten dat zij geen BTW in rekening heeft gebracht op haar verrichtingen met A. M., aangezien zij in het bezit was van een attest van vrijstelling dat tot 31 december 1988 aan die vennootschap was verstrekt voor verkoop met het oog op uitvoer",

tweede onderdeel, het arrest, met overneming van de gronden van het beroepen vonnis, beslist dat de tussen de CV R. en verweerster gesloten overeenkomsten niet nietig waren wegens strijdigheid met de openbare orde, zodat verweerder gehouden was tot betaling van de wegens die overeenkomsten verschuldigde belasting en, derhalve, de aftrek en de teruggave ervan aan eiser kon eisen krachtens artikel 45 van het BTW-Wetboek; de bepalingen van het BTW-Wetboek van openbare orde zijn, daar zij de wezenlijke belangen van de Staat en de gemeenschap raken; elke overeenkomst waarvan het voorwerp of de oorzaak in strijd is met de openbare orde volstrekt nietig is; artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat "een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg kan hebben"; de oorzaak van een wederkerige overeenkomst de beweegreden of de beweegredenen is die een partij tot contracteren heeft aangezet; de doorslaggevende beweegreden weliswaar tot het sluiten van het contract moet hebben geleid, maar het geenszins vereist is dat alle partijen bij de wederkerige overeenkomst

die beweegreden hebben; wanneer de oorzaak van een overeenkomst strijdig is met de openbare orde en een derde, wiens rechten door de overeenkomst zijn benadeeld, de nietigheid en in elk geval de niettegenwerpelijkheid ervan aanvoert, het voldoende is dat de doorslaggevende beweegreden van één van de contracterende partijen ongeoorloofd is; het arrest vaststelt dat de essentiële beweegreden die de CV R. ertoe heeft aangezet de koopcontracten met verweerster te sluiten het opzetten van een "carrouselfraude" was ten nadele van eiser wiens rechten worden beschermd door bepalingen van openbare orde; het bijgevolg niet met overneming van de motivering van de eerste rechter wettig heeft kunnen beslissen dat de tussen de CV R. en verweerster gesloten koopovereenkomsten niet als nietig konden worden beschouwd wegens ongeoorloofde oorzaak, op grond dat verweerster te goeder trouw was en niet op de hoogte was van de door haar medecontracten opgezette "carrouselfraude" (schending van de artikelen 6, 1108, 1131 van het Burgerlijk Wetboek, 2, 4, 10, 15, 40 en 45 van het BTW-Wetboek);

Wat het tweede onderdeel betreft;

Overwegende dat het arrest, zowel op eigen gronden als door overneming van de gronden van de eerste rechter, enerzijds, vaststelt dat verweerster verwikkeld is in frauduleuze handelingen, de zogenaamde "BTW-carrousel" betreffende verkoop van wagens en dat degene die haar wagens heeft verkocht "een omvangrijke fraude op het oog had" ten nadele van de Schatkist en, anderzijds, overweegt dat verweerster niet op de hoogte was van die georganiseerde fraude;

Overwegende dat een overeenkomst die bedoeld is om fraude te plegen jegens derden, te dezen eiser, wiens rechten worden beschermd door wetten van openbare orde, een ongeoorloofde oorzaak heeft en volstrekt nietig is;

Dat het, als het algemeen belang in het geding is, voldoende is dat één van de partijen bij het sluiten van het contract ongeoorloofde oogmerken had en dat het niet nodig is dat de medecontract daarvan op de hoogte is;

Overwegende, derhalve, dat het arrest niet wettig beslist dat de door verweerster gesloten contracten niet nietig zijn wegens ongeoorloofde oorzaak;

Dat het onderdeel gegrond is;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

Vernietigt het bestreden arrest;

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde

arrest;

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Bergen. Aldus door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf oktober tweeduizend uitgesproken, alwaar aanwezig zijn raadsheer P., waarnemend voorzitter, de raadsheren S., C., M., P., advocaat-generaal W., griffier M..

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter B. en overgeschreven met assistentie van griffier V.G..

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 452 voorkomens

Rechtspraak

3

België

3

Hof van CassatieC.02.0185.F22.03.2007

BTW-fraude, Openbare orde, Ongeoorloofde oorzaak

Hof van beroep te Luik09.11.2001

Terugbetaling belastingkrediet

Administratieve doctrine

3

Bekijk de 6 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8