Tekst van de beslissing
ARREST C 00/1
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 15.02.2000
Cassatie - BTW - Valsheid in geschrifte - Dwangbevel - Schadevergoeding - Strafvordering - Strafrechtelijke uitspraak
Wanneer de belasting ontdoken wordt door het plegen van het misdrijf zelf, zoals tengevolge van een overtreding van art. 45 WBTW, kan de door het misdrijf ontdoken belasting terzelfder tijd schade uitmaken, zodat deze kan worden ingevorderd door burgerlijke partijstelling van de Belgische Staat (min. van financiën); de omstandigheid dat art. 85 WBTW aan de minister van financiën bevoegdheid verleent om de verschuldigde belastingen, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, bij wijze van dwangbevel in te vorderen, doet daaraan geen afbreuk.
Wanneer de strafrechter het misdrijf van onrechtmatige BTW-aftrek bewezen heeft verklaard, is de rechter die over een verzet tegen een dwangbevel betreffende deze onrechtmatige BTW-aftrek moet oordelen, ingevolge het gezag van het strafrechtelijk gewijsde door de beslissing van de strafrechter gehouden.
P.98.0836.N
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 20 mei 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen;
A. In zoverre de voorziening is gericht tegen de beslissing op de tegen eiser ingestelde strafvordering
Over het vijfde middel, gesteld als volgt : schending van artikel 193 Strafwetboek,
doordat het arrest stelt dat de overtreding geen louter fiscaal karakter heeft nu het een valsheid in geschrifte betreft,
terwijl het misdrijf omschreven in art. 193 SW vereist dat de vervalser handelde met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden en het arrest niet vaststelt dat het misdrijf is gepleegd met bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden,
zodat het arrest de bepalingen van het art. 193 van het Strafwetboek geschonden heeft Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, eiser niet is vervolgd wegens een inbreuk op artikel 193 Strafwetboek;
Dat het middel feitelijke grondslag mist;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
B. In zoverre de voorziening is gericht tegen de beslissing op de door verweerder tegen eiser ingestelde burgerlijke rechtsvordering;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van het artikel 85 en artikel 86, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde waarde,
doordat het arrest stelt dat het uitvaardigen van een dwangbevel slechts een specifieke mogelijkheid is, voorzien door art. 85 van het BTW-Wetboek, doch dat deze faculteit de toegang tot de rechter door middel van de gewone rechtspleging niet belet,
terwijl de verschuldigdheid van de BTW voortvloeit uit de wet (art. 170, par. 1 Grondwet),
en terwijl, om de BTW-schuld in te vorderen, de BTW-administratie beschikt over de procedure van invordering via dwangbevel (art. 85 WBTW). Dat het dwangbevel door de BTW-ontvanger wordt uitgevaardigd en dat het geviseerd en uitvoerbaar verklaard wordt door de gewestelijke directeur van de BTW-administratie, Door het opstellen van het dwangbevel maakt de BTW-administratie voor zichzelf een uitvoerbare titel op, op grond waarvan zij de BTW, boeten en intresten desnoods met dwang kan innen,
zodat het bestreden arrest het artikel 85 van het BTW Wetboek schendt
Overwegende dat, overeenkomstig artikel 74, §1, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, de strafvordering door het openbaar ministerie wordt uitgeoefend;
Dat bij ontstentenis van een andersluidende bepaling, de burgerlijke partijstelling volgens de gemeenrechtelijke regels mogelijk is;
Overwegende dat de omstandigheid dat artikel 85 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde aan de minister van financiën bevoegdheid verleent om de verschuldigde belastingen, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, bij wijze van dwangbevel in te vorderen, daaraan geen afbreuk doet;
Dat het middel faalt naar recht;
Over het tweede middel en het derde middel, gesteld als volgt : schending art. 3 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering,
doordat het bestreden arrest stelt dat de ontdoken rechten, fiscale geldboeten en aanhorigheden die krachtens het BTW-Wetboek verschuldigd waren, de bij de wet bepaalde vergoeding uitmaken wegens schade door het misdrijf van het ten onrechte in aftrek brengen van BTW-bedragen veroorzaakt,
terwijl de BTW-schuld geen schade is die in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met het beweerde misdrijf,
zodat het bestreden arrest de beginselen verwoord in het art. 3 Voorafgaande Titel van het Wetboek Strafvordering schendt;
schending van artikel 73sexies BTW-Wetboek,
doordat het bestreden arrest oordeelt dat de burgerlijke partij hier geen ontdoken belasting vordert maar schadevergoeding,
terwijl de kwalificatie schadevergoeding strijdig is met artikel 73sexies voormeld, zodat het bestreden arrest ten onrechte uitgaat van het begrip schadevergoeding
Overwegende dat de middelen uitgaan van de onderstelling dat ontdoken belasting geen door een misdrijf veroorzaakte schade kan uitmaken en daarvoor geen vergoeding kan worden gevorderd door burgerlijke partij stelling;
Overwegende dat evenwel, wanneer de belasting ontdoken wordt door het plegen van het misdrijf zelf, zoals hier tengevolge van een overtreding van artikel 45 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, de door het misdrijf ontdoken belasting tezelfdertijd schade kan uitmaken, zodat deze kan worden ingevorderd door burgerlijke partijstelling;
Dat de middelen falen naar recht;
Over het vierde middel, gesteld als volgt : schending van het artikel 74, par. 4, BTWWetboek,
doordat het arrest oordeelt dat art. 74, par. 4 geen toepassing kan vinden vermits de aanhangig zijnde overtreding geen louter fiscaal karakter heeft, nu het een valsheid in geschrifte betreft, zodat art. 4 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is,
terwijl inzake BTW de strafrechter ook ertoe gehouden is de uitspraak over de tenlasteleggingen van de BTW-misdrijven uit te stellen indien de oplossing van een geschil over de BTW-schuld als dusdanig hem van aard lijkt te zijn de uitspraak over de strafvordering te kunnen beïnvloeden,
zodat in casu de autonomie van de fiscale procedure geschonden is
Overwegende dat overeenkomstig artikel 74, §4, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, de uitspraak over de telastleggingen of over één ervan moet uitstellen wanneer, vóór het sluiten van het debat bij een andere gerechtelijke overheid een geschil aanhangig wordt gemaakt over de toepassing van een bepaling van het vermelde wetboek of van een ter uitvoering ervan genomen besluit, totdat aan dit geschil een einde is gemaakt door een in kracht van gewijsde gegane beslissing;
Overwegende dat het middel schending van vermelde wetsbepaling aanvoert om reden dat eisers veroordeling door de strafrechter tot schadevergoeding voor ontdoken BTW een andersluidende beslissing van de rechtbank van eerste aanleg, die zou moeten oordelen over het verzet dat eiser eventueel tegen een dwangbevel betreffende die ontdoken BTW kan instellen, verhindert;
Overwegende dat artikel 74, § 4, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde niet toepasselijk is wanneer bij een andere gerechtelijke overheid nog geen geschil aanhangig werd gemaakt; dat bovendien, wanneer de strafrechter het misdrijf van onrechtmatige BTW-aftrek bewezen heeft verklaard, het gezag van het strafrechtelijk gewijsde de rechter die over een verzet tegen een dwangbevel betreffende deze onrechtmatige BTW-aftrek moet oordelen, door de beslissing van de strafrechter gehouden is;
Dat het middel faalt naar recht;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
1België
1Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen04.03.2011