Procesverloop
2 stappen · 4 jaar 5 maanden- Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Leuven16.06.2006
- Weergegeven beslissingHof van beroep te Brussel02.12.2010
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 02.12.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
HOF van BEROEP te BRUSSEL - Toegevoegde kamer 6SN
Nr. van de zaak : 2006/AR/2638
2007/AR/774
2008/AR/2667
IN ZAKE VAN :
I. In de zaak gekend onder 2006/AR/2638 :
De BVBA D., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer ….
appellante,
vertegenwoordigd door Meester L., in eigen naam en loco Meester Y. N. G., advocaten te …, …, …,
TEGEN :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de gewestelijke directeur der directe belastingen Leuven 4 , met kantoren te 3001 Heverlee-Leuven, Philipssite 3 A, bus 1,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester H., loco Meester P. D., advocaat te …, …,
EINDARREST- gedeeltelijk gegrond (art. 356 WIB/92)
II. In de zaak gekend onder 2007/AR/774 :
De BVBA D., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer ….
appellante op hoofdberoep,
geïntimeerde op incident beroep,
vertegenwoordigd door Meester L., in eigen naam en loco Meester Y. N. G., advocaten te …, …, …,
TEGEN :
DE BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Leuven, met kantoren voorheen gelegen in de residentie Cambridge te 3000 Leuven, Strijdersstraat 63 bus 90, thans gelegen te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 2,
Geïntimeerde op hoofdberoep,
Appellant op incidenteel beroep,
Vertegenwoordigd door Meester H., loco Meester P. D., advocaat te …, …
III. In de zaak gekend onder 2008/AR/2667 :
De heer Y. D., wonende te …, …,
appellant,
vertegenwoordigd door Meester L., in eigen naam en loco Meester Y. N. G., advocaten te …, …, …,
TEGEN :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, in de persoon van de minister van Financiën, vertegenwoordigd door de heer gewestelijk directeur ter Directie Leuven-Taxatie, met kantoren te 3001 Heverlee-Leuven, Philipssite 3A, bus 1,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester H., loco Meester P. D., advocaat te …, …,
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :
Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder :
In de zaak onder 2006/AR/2683 :
- het afschrift van vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 16 juni 2006 (A.R. nr. 01/1050/A), vonnis waarvan geen betekeningakte voorligt;
- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 26 september 2006.
In de zaak gekend onder 2007/AR/774 :
- Het afschrift van vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 26 januari 2007 (A.R. nr. 99/1089/A), vonnis waarvan geen betekeningsakte voorligt;
- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 16 maart 2007.
In de zaak gekend onder 2008/AR/2667 :
- het afschrift van vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 3 oktober 2008 (A.R. nr. 07/1552/A), vonnis waarvan geen betekeningsakte voorligt;
- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 17 oktober 2008.
De ontvankelijkheid van de hogere beroepen wordt in geen van de drie zaken betwist.
In de zaak gekend onder 2006/AR/2638 verklaarde het vonnis van 16 juni 2006 de vordering van de BVBA S. zoals geformuleerd in het inleidend verzoekschrift, strekkende tot de hervorming van de directoriale beslissing dd. 30 januari 2001 en tot het gegrond verklaren van de bezwaarschriften tegen de aanslag in de Venn.B. aanslagjaar 1995, kohierartikel … niet toelaatbaar. De vordering, zoals uitgebreid in besluiten en strekkende tot het vaststelling van de verjaring van de belastingvordering, werd ontvankelijk, maar niet gegrond verklaard.
In de zaak gekend onder 2007/AR/774 verklaarde het vonnis van 26 januari 2007 de vordering van de BVBA D. strekkende tot de vernietiging van het dwangbevel en tot de vaststelling dat de erin vermelde BTW en boeten niet verschuldigd zouden zijn, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het vonnis herleidde het bedrag van de door de BVBA D. verschuldigde BTW tot … BEF en het bedrag van de door haar verschuldigde boete tot … BEF.
In de zaak gekend onder 2008/AR/2667 wees het vonnis van 3 oktober 2008 de vordering van de heer D., strekkende tot de vernietiging van de aanslag in de P.B., aanslagjaar 995 kohierartikel …, met inbegrip van een belastingverhoging van 50 % af.
A. SAMENVOEGING VAN DE DRIE ZAKEN
Het hof heeft onderhavige drie zaken samen behandeld omdat zij betrekking hebben respectievelijk op de vennootschapsbelasting (Venn. B.) in hoofde van de BVBA D. voor het aanslagjaar 1995 (zaak gekend onder 2006/AR/2638), op de BTW verschuldigd door de BVBA D. in het jaar 1994 (zaak gekend onder 2007/AR/774), en op de personenbelasting (P.B.) in hoofde van de heer D. voor het aanslagjaar 1995 (zaak gekend onder 2008/AR/2667).
Teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zouden zijn indien deze zaken afzonderlijk zouden worden behandeld en berecht, voegt het hof, overeenkomstig art. 856, lid 2 Ger. W. onderhavige drie zaken, die naar zijn oordeel samenhangend zijn, ambtshalve samen.
Daarover ondervraagd door het hof op zijn zitting van 29 september 2010, verklaarde de BVBA D. en de heer D. zich akkoord, terwijl de Belgische Staat zich tegen de samenvoeging verzette.
Het hof volgt in deze het standpunt van de Belgische Staat niet.
In deze heeft de Belgische Staat tot vlak voor zijn laatste besluiten (meer bepaald zijn tweede antwoordconclusie, neergelegd ter zitting van 13 oktober 2010) in de zaak gekend onder 2006/AR/2638 de stelling verdedigd dat een bijzondere aanslag in de Venn. B. verschuldigd was uit hoofde van geheime commissielonen in hoofde van de BVBA D. Uit dit standpunt volgden dan de volgende vragen :
- of een bijzondere aanslag in de Venn. B. uit hoofde van geheime commissielonen kan gepaard gaan met een aanslag in de P.B. op dezelfde bestanddelen en
- of de bijzondere aanslag in de Venn. B. uit hoofde van geheime commissielonen als een straf dient te worden opgevat, zodat deze repercussies kan hebben op eventueel nadien opgelegde sancties.
Het feit dat de Belgische Staat in zijn laatste besluiten is teruggekomen op zijn tot dan toe verdedigde stelling, ontneemt de zaken geenszins alle samenhang.
Tussen de zaken gekend onder 2006/AR/2638 en 2007/AR/774 bestaat de samenhang erin dat in de tweede zaak BTW werd geheven op de in de eerste zaak aangenomen omzet.
En tussen de zaken gekend onder 2006/AR/2638 en 2008/AR/2667 bestaat de samenhang erin dat de in de eerste zaak aangenomen winst op de verkopen van fietsen wordt geacht te zijn terechtgekomen in het persoonlijke vermogen van de heer D. en in de laatste zaak in zijnen hoofde werd belast.
B. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
I. In de zaak gekend onder 2006/AR/2638 :
In deze zaak heeft het hof op 6 mei 2010 een tussenarrest gewezen. De feiten van deze zaak werden reeds uiteengezet in dit tussenarrest. Voor de duidelijkheid herhaalt het hof hierna de feiten van deze eerste zaak.
Op 22 december 1997 werd lasten de BVBA D. een supplementaire aanslag voor het aanslagjaar 1995 in de Venn. B. gevestigd onder kohierartikel … Deze supplementaire aanslag bestaat deels uit een gewone aanslag, deels uit een bijzondere aanslag aan 300 %. Deze aanslag werd ambtshalve gevestigd na het versturen op 6 november 1997 van een bericht van wijziging en op 9 december 1997 van een kennisgeving van aanslag van ambtswege wegens het niet-antwoorden op het bericht van wijziging.
Het bericht van wijziging van aangifte steunde op de gegevens van het strafonderzoek, resulterend uit de kennisneming door de administratie van de BBI (na toelating tot inzage) uit twee gerechtsdossiers geopend lastens de heer D. bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Naar aanleiding van het gerechtelijk onderzoek gevoerd door de BOB Leuven werd overgegaan tot het opstellen van een inventaris van de fietsen die tot de BVBA D. behoorden. Dit resulteerde in de vaststelling van een onderschatting van het actief. Er werden bijzondere aanslagen gevestigd met betrekking tot aankopen van fietsen zonder factuur (aankopen fietsen Koga Miyata) en met betrekking tot aankopen fietsen met factuur (particulier) (aankopen fietsen Scott). Daarnaast werden een aantal verworpen uitgaven onderzocht en voordelen van alle aard aangenomen.
Op 9 januari 1998 werd het aanslagbiljet aan de BVBA D. verzonden.
Op 27 april 1998 verzond de toenmalige raadsman van de BVBA D. een bezwaarschrift namens de zaakvoerder van zijn cliënte, de heer Y. D., tegen de in zijnen hoofde gevestigde aanslag in de P.B. gevestigd onder kohierartikel …
Op dezelfde dag werd tevens, in een afzonderlijke omslag, door dezelfde raadsman een tweede schrijven gericht aan de gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven, waarvan de eerste pagina volledig identiek was aan de eerste pagina van het bezwaarschrift dat in de P.B. werd ingediend doch kennelijk voor de BVBA D. en dat derhalve het verkeerde kohierartikel draagt (… in plaats van …). Op de pagina’s 2 en 3 van dit tweede schrijven ondertekend door de raadsman namens de BVBA D. en voor deze laatste door haar zaakvoerder, de heer Y. D.
Op 26 april 1999 schreef de raadsman van de BVBA D. aan de gewestelijke directeur te Leuven dat hij een aanvullend bezwaarschrift indiende tegen de aanslag lastens de BVBA D. gevestigd in de Venn. B. onder kohierartikel … en dat reeds op 27 april 1998 een bezwaarschrift werd ingediend.
Op 30 januari 2001 oordeelde de gewestelijke directeur dat geen bezwaar werd ingediend tegen de aanslag in de Venn B., maar tweemaal tegen de aanslag in de P.B. Het bezwaar van 26 april 1999 werd onontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid.
Op 30 april 2001 legde de BVBA D. een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
Op 16 juni 2006 velde de rechtbank te Leuven een vonnis in de zin als hiervoor uiteengezet.
Op 26 september 2006 legde de BVBA D. een verzoekschrift in hoger beroep neer ter griffie van dit hof.
Op 6 mei 2010 wees het hof een tussenarrest, waarin het bestreden vonnis van 16 juni 2006 reeds teniet deed en waarin het de bezwaarschriften van de BVBA D. ontvankelijk verklaarde, dit in tegenstelling tot het bestreden vonnis, dat de vordering van de BVBA D., zoals geformuleerd in het inleidend verzoekschrift strekkende tot het gegrond verklaren van haar bezwaarschriften – naar het oordeel van het hof ten onrechte – niet toelaatbaar verklaarde. Voor de eerste rechter had de BVBA D. haar vordering uitgebreid en haar eisuitbreiding strekte tot het vaststellen van de verjaring van de belastingvordering. Deze eisuitbreiding werd evenwel door de eerste rechter afgewezen.
II. In de zaak gekend onder 2007/AR/774 :
Op 15 april 1999 werd door de BTW-administratie proces-verbaal opgesteld waarin werd verwezen naar een bericht van wijziging van 6 november 1997 en gerechtsdossiers geopend door een onderzoeksrechter (waarvan sprake in de zaak gekend onder 2006/AR/2638).
Op grond van deze stukken werd in het proces-verbaal besloten dat de BVBA D. in 1994 56 fietsen Koga Miyata had aangekocht zonder factuur, dat deze fietsen werden verkocht aan gemiddeld … BEF, exclusief BTW, en dat voor deze verkopen een BTW van … BEF verschuldigd was. Verder werd verwezen naar de strafdossiers en werd er gesteld dat fietsen Scott werden aangekocht. Op deze niet-aangegeven omzet was een BTW verschuldigd van … BEF. Ten slotte werd verwezen naar niet-aangegeven voordelen van alle aard. Het betreft twee personenwagens Mercedes 300 SL, waarvan werd aangenomen dat deze alleen ter beschikking stonden voor de privé-doeleinden van de zaakvoerder van de BVBA D., de heer Y. D., en waarvoor een BTW van … BEF verschuldigd was.
Op 16 april 1999 werd op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd, dat op dezelfde dag uitvoerbaar werd verklaard. Volgens dit dwangbevel was de BVBA D. een bedrag van … BEF verschuldigd als BTW en een bedrag van … BEF als geldboete, te vermeerderen met de intresten.
Op 28 april 1999 ging de BVBA D. over tot dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel.
Bij het bestreden vonnis van 26 januari 2007 herleidde de rechtbank te Leuven het bedrag van de verschuldigde BTW tot … BEF en het bedrag van de verschuldigde boete tot … BEF. Wat de verschuldigde BTW betreft, baseerde de eerste rechter zich op een herberekening van de verkopen van fietsen Koga Miyata op grond van een gemiddelde prijs van … BEF, inclusief BTW. Wat de verschuldigde geldboeten op grond van de paragrafen 1 en 2 van art. 70, W.BTW betreft, oordeelde de rechtbank dat het louter opleggen van één geldboete, gelijk aan het dubbele van de ontdoken rechten, een straf uitmaakte die evenredig was met de gepleegde inbreuken, en dat er geen reden toe bestond om daarnaast de tweede boete op te leggen.
III. In de zaak gekend onder 2008/AR/2667 :
De oorspronkelijke aanslag in de P.B. voor het jaar 1995 in hoofde van de heer D. gevestigd onder kohierartikel … werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 16 juni 2006 nietig verklaard.
Op 19 oktober 2006 verzond de administratie een bericht van wijziging, waarin werd verwezen naar verkopen van fietsen, die de heer D. in zijn hoedanigheid van zaakvoerder-vennoot van de BVBA D. had verwezenlijkt en waarvan noch de aankopen, noch de corresponderende verkopen terug te vinden waren in de boekhouding van de BVBA D.. De winst van deze transacties was, volgens het bericht van wijziging, terechtgekomen in het persoonlijke vermogen van de heer D., die daarvan geen aangifte had gedaan. Tevens werd een voordeel van alle aard belast voor het persoonlijke gebruik van ter beschikking gestelde personenwagens en premies voor een individuele hospitalisatieverzekering. Er zou ten slotte een belastingverhoging van 50 % worden toegepast.
Ondanks het niet-akkoord van de heer D. werd op 11 december 2006 een aanslag in de P.B., aanslagjaar 1995, conform het bericht van wijziging gevestigd onder kohierartikel ….
Nadat het bezwaar van de heer D. bij directoriale beslissing van 12 juli 2007 werd afgewezen, legde hij op 30 juni 2007 een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
Bij het bestreden vonnis van 3 oktober 2008 wees de rechtbank te Leuven de vordering van de heer D. strekkende tot het horen uitspreken van de vernietiging van de aanslag in de P.B. aanslagjaar 1995, kohierartikel … af.
C. DISCUSSIE
1. In de zaak gekend onder 2006/AR/2638 :
Ter openbare terechtzitting van het hof van 15 september 2010 verklaarde de BVBA D. de kwestie van de verjaring van de vordering, voorwerp van haar eisuitbreiding voor de eerste rechter, in hoger beroep niet aan te houden.
In deze zaak staan bijgevolg de volgende zeven punten ter discussie :
a) de onderschatting van de voorraden op 31 december 1994;
b) de verborgen winst bij verkoop van fietsen Koga Miyata, aangekocht zonder factuur;
c) de verborgen winst bij verkoop van fietsen Scott, aangekocht met een factuur;
d) het persoonlijk gebruik van ter beschikking gestelde voertuigen;
e) de supplementaire autokosten;
f) de mogelijkheid tot taxeren aan 300 %, en
g) de inidividuele hospitalisatieverzekering.
Logischerwijze behandelt het hof vooreerst de mogelijkheid voor de Belgische Staat om te taxeren aan 300 %. In deze werden de volgende posten in de bijzondere aanslag van 300 % :
- de verborgen winst bij verkoop van fietsen Koga Miyata, aangekocht zonder factuur (… BEF);
- de verborgen winst bij aanverkoop van fietsen Scott, aangekocht met een factuur (… BEF);
- het persoonlijk gebruik van ter beschikking gestelde voertuigen (… BEF);
- de individuele hospitalisatieverzekering (… BEF).
a) Wat de mogelijkheid tot taxeren aan 300 % betreft
De administratie heeft de bijzondere aanslag aan 300 % gevestigd voor de aankoop van fietsen Koga Miyata, aangekocht zonder factuur, voor de aankoop van fietsen Scott met factuur “particulier” en voor het persoonlijk gebruik van ter beschikking gestelde voertuigen. Meer bepaald gaat het volgens haar in de eerste twee gevallen om een verborgen winst en in het derde geval om een voordeel van alle aard.
De BVBA D. werpt op dat art. 219 WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1995, als volgt luidde :
“Een bijzondere afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten, vermeld in artikel 57, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave. Die aanslag is gelijk aan 300 % van die kosten”.
In deze bepaling is geen sprake van voordelen van alle aard, enkel van kosten. In zijn huidige versie (niet van toepassing op het aanslagjaar 1995, waarover het in deze gaat) vermeldt dit artikel thans beiden (nl. kosten en voordelen van alle aard).
De BVBA D. doet gelden dat de verdoken meerwinsten pas onder het toepassingsgebied van art. 219 WIB 1992 vallen vanaf het aanslagjaar 1999. Zij meent dan ook dat de bedoelde meerwinsten niet konden worden belast als niet-verantwoorde kosten aan 300 %/
Bovendien stelt de BVBA D. dat ook de voordelen van alle aard in het aanslagjaar 1995 niet binnen het toepassingsgebied vielen van art. 219 WIB 1992 en derhalve evenmin konden worden belast aan 300 %.
Indien de bijzondere aanslag aan 300 % in beginsel wel toepassing kan vinden op voormelde posten, dient de administratie, volgens de BVBA D., het bewijs te leveren van het feit dat deze de vennootschap verlaten hebben en gediend hebben om één van de in art. 57 WIB 1992 bedoelde uitgaven te dekken. Volgens de BVBA D. levert de administratie dit bewijs niet.
Art. 219 WIB 1992 impliceert dat de administratie een dubbel bewijs dient te leveren, zijnde het bestaan van een verdoken meerwinst en het feit dat deze het vermogen van de vennootschap heeft verlaten in de vorm van een toekenning zoals bedoeld in art. 57, WIB 1992 (zie : Brussel 15 oktober 1999, F.J.F. 1999 n° 99/256).
In zijn ter zitting van 13 oktober 2010 neergelegde tweede antwoordconclusie geeft de Belgische Staat – in extremis – toe dat uit het geheel van het onderzoek blijkt dat een groot aantal fietsen werd aangekocht en verkocht waarbij niet de correcte boekhoudkundige verwerking van aankoop- en verkoopdocumenten is gebeurd in hoofde van de vennootschap (de gerealiseerde winst komt niet voor op haar balans). In deze zijn er volgens de Belgische Staat geen aanduidingen dat de verborgen winst als een “kost, dewelke als een bezoldiging is te aanzien” kan worden beschouwd en waarop de verplichting van het opstellen van fiches en een samenvattende opgave dient te worden toegepast.
De Belgische Staat geeft toe dat het dubbele bewijs (meerwinst EN kost als bezoldiging) niet is bijgebracht, reden waarom de bijzondere aanslag naar zijn oordeel niet zal kunnen worden behouden.
Het hof sluit zich aan bij dit nieuwe, in extremis gewijzigde standpunt van de Belgische Staat.
Derhalve kan de van de supplementaire aanslag in de Venn. B voor het aanslagjaar 1995 deel uitmakende bijzondere aanslag op de verborgen winst bij aan- verkoop van fietsen Koga Miyata, aangekocht zonder factuur (… BEF), op de verborgen winst bij aan- verkoop van fietsen Scott, aangekocht met een factuur (… BEF), op het persoonlijk gebruik van ter beschikking gestelde voertuigen (… BEF) en op de individuele hospitalisatieverzekering (… BEF) niet behouden blijven.
b) Wat de onderschatting van de voorraden op 31 december 1994 betreft
Het gaat hier om een bedrag van … BEF, volgens de Belgische Staat belastbaar in de gewone aanslag in de Venn. B.
De berekening steunt op de vergelijking tussen enerzijds de voorraden opgenomen door de BOB op 9 januari 1995 in een loods gelegen te …, …, en op 10 januari 1995 in een garagebox gelegen te …, … (garagebox …) en in de handelszaak van de BVBA D. te …, … en anderzijds de voorraden opgenomen in de jaarrekening per 31 december 1994. Het verschil geeft 67 niet opgenomen fietsen in de rubriek voorraden van de balans.
De zaakvoerder van de BVBA D. stelt dat hij geen toegang had tot de loods die verzegeld was. Hij wijst erop da de opname door de BOB pas op 9 en 10 januari 1995 gebeurde en dat zich in de inventaris van de BOB oude fietsen met een geringe handelswaarde of zelfs zonder dergelijke waarde bevonden, die door de BVBA D. werden overgenomen van klanten die een nieuwe fiets kochten.
De BVBA D. legt evenwel geen afdoende bewijs voor van haar ……… beweringen.
Op verzoek van de BVBA D. om geen rekening te houden met deze, naar haar eigen zeggen geringe afwijking tussen beide inventarissen (het gaat wel om een bedrag van … BEF) kan dan ook niet worden ingegaan.
c) Wat de supplementaire autokosten betreft
Het gaat hier in essentie om brandstofkosten, die volgens de Belgische Staat op onredelijke wijze de beroepskosten overtreffen en als verworpen uitgaven belastbaar zijn in de gewone aanslag in de Venn. B.
Volgens de BVBA D. was de berekening van de kosten verkeerd.
De BVBA D. meent dat de wijziging van de voordelen voor het persoonlijk gebruik van de ter beschikking gestelde voertuigen zowel een herberekening van de kosten die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen, als een aanpassing van de niet-aftrekbare autokosten met zich meebrengt.
Ten onrechte meent de Belgische Staat dat de BVBA D. akkoord ging met zijn berekening Hij verwijst daarvoor naar stuk 117 van het administratief dossier, waaruit dit zou moeten blijken. Bij nader toezien blijkt het om een handgeschreven vermelding “akkoord” te gaan, waarvan niet blijkt wie ze heeft aangebracht, die op geen verdere stukken is gebaseerd en die overigens ten stelligste wordt betwist door de BVBA D.
Het hof stelt vast dat de BVBA D. niet betwist dat haar twee personenwagens uitsluitend ter beschikking van haar zaakvoerder, de heer D. stonden. Terecht oordeelde de eerste rechter in de zaak gekend onder 2008/AR/2667 dat de bewering van de Belgische Staat dat de brandstofkosten in de boekhouding van de BVBA D. werden opgesplitst in personenwagens en camionette en dat bij de berekening van het aantal gereden kilometers uitsluitend rekening werd gehouden met de brandstof personenwagens niet wordt weergelegd.
De berekening door de Belgische Staat van het voordeel in natura was derhalve correct, minstens bewijst de BVBA D. het tegendeel daarvan niet.
Deze conclusie staat er niet van in de weg dat de kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen en als niet-aftrekbare autokosten dienen te worden herzien.
Derhalve dient het hoger beroep ook op dit punt te worden afgewezen.
d) Wat de vermeende belastingverhoging betreft
Ten onrechte argumenteert de Belgische Staat uitvoering over een eventuele belastingverhoging, nu deze geenszins werd opgelegd in de zaak gekend onder 2006/AR/774 (zie stuk 122 van het administratief dossier).
II. In de zaak gekend onder 2007/AR/774 :
In deze zaak werd er naast het hoofdberoep van de BVBA D. incidenteel beroep ingesteld door de Belgische Staat.
De volgende punten staan ter discussie :
a) de gevorderde BTW-bedragen;
b) de administratieve geldboeten en
c) de verschuldigde interesten
Het hof gaat ervan uit dat de kwestie van de verjaring van de vordering van de Belgische Staat, waarvan sprake in de besluiten van de BVBA D. voor de eerste rechter, niet het voorwerp uitmaakt van haar hoger beroep, nu daarvan geen sprake is in haar verzoekschrift tot hoger beroep, noch in haar in hoger beroep neergelegde besluiten.
Voor zoveel als nodig verwijst het hof terzake naar de oordeelkundige overwegingen van de eerste rechter, die met reden tot het besluit kwam dat de BTW-schuld in deze niet verjaard was.
a) Wat de gevorderde BTW-bedragen betreft
In het dwangbevel werden drie afzonderlijke onderdelen weerhouden, nl. de aankoop van Koga Miyatafietsen, de aankoop van Scottfietsen en de niet-aangegeven voordelen van alle aard.
a.1. Wat de aankopen van Koga Miyatafietsen betreft
Terzake verklaart de BVBA D. zich naar de wijsheid van het hof te gedragen met betrekking tot de eventueel nog verschuldigde BTW, doch stelt zij dat deze maximaal … BEF in plaats van … BEF kan bedragen.
De Belgische Staat is van oordeel dat uit diverse verklaringen blijkt dat de BVBA D. in 1994 56 fietsen, aangekocht zonder factuur heeft verkocht aan een verkoopprijs variërend tussen … en … BEF.
Ter zitting van het hof van 15 september 2010 verklaarde de BVBA D. deze feiten niet te betwisten. Het bedrag van … BEF is het bedrag van de vermeende winst. De discussie tussen partijen betreffende dit punt houdt verband met de vraag of de gemiddelde prijs per verkochte fiets (… BEF) exclusief BTW, dan wel inclusief BTW was. Volgens de BVBA D. werd de belasting op een verkeerde grondslag berekend, nu de prijs van … BEF inclusief BTW was.
Het hof merkt op dat de rechtbank te Leuven in haar vonnis van 16 juni 2006 waarvan sprake in de zaak gekend onder 2008/AR/2667 de oorspronkelijke aanslag in de P.B. in hoofde van de heer D. voor het aanslagjaar 1995 heeft vernietigd om reden dat de verkoopprijs van de 56 fietsen exclusief BTW was en dat daarenboven ook nog de BTW werd ontvangen van de kopers. De administratie heeft berust in dit vonnis, nu zij wel een nieuwe aanslag vestigde, maar daarbij rekening hield met het bepaalde in dit vonnis.
Verder ging de Belgische Staat ook in de zaak gekend onder 2007/AR/774;akkoord met het feit dat de verschuldigde BTW niet … BEF, maar slechts … BEF bedraagt. Dit impliceert dat de Belgische staat aanvaardt dat de prijs per fiets … BEF inclusief BTW bedroeg.
Het hof stelt vast dat de Belgische Staat in zijn op 5 juli 2010 ter griffie neergelegde synthesebesluiten hiermee akkoord gaat.
Derhalve heeft de eerste rechter op dit punt op correcte wijze het bedrag van de verschuldigde BTW herleid.
a. 2. Wat de aankopen van Scottfietsen betreft
Terzake stelt de BVBA D. dat de Belgische Staat zich enkel steunt op verklaringen en vermoedens om haar vordering te staven.
In dat verband werd in de zaak gekend onder 2008/AR/2667 een omzet aan zwarte leveringen van … BEF aangenomen door de Belgische Staat, omzet die tot een winst leidt van … BEF. Voor de verborgen omzet-berekening bij de BVBA D. heeft de BBI zich gesteund op documenten teruggevonden bij de BVBA D. alsook op documenten geleverd door de NV S. en de NV L. Volgens de BVBA D. wordt telkens ten onrechte voorgehouden dat de fietsen voorkomend op voormelde stukken overeenstemmen met de opgestelde facturen particulieren. De BVBA D. is van oordeel dat het om stukken gaat die geenszins kunnen aantonen dat de erop voorkomende fietsen wel degelijk door haar werden geleverd. Verder meent de BVBA D. dat de Belgische Staat zijn argumentatie baseert op de verklaringen van de bestuurders van de NV S. en de NV L., zonder rekening te houden met de verklaringen van haar eigen zaakvoerder. En verder meent zij dat de Belgische Staat geen rekening houdt met de twee regularisatiefacturen die door de NV L. en de NV S. op 21 december 1994 werden opgesteld en die in de boekhouding van de BVBA D. werden ingeschreven op regelmatige wijze, zodat er geen sprake kan zijn van enige belastingontduiking. Volgens de BVBA D. blijkt uit niets dat in het jaar 1994 zwarte leveringen door de NV S. en door de NV L. zijn verricht. Zij houdt voor dat in de periode september tot december 1994 door zowel de NV S. als door de NV L. leveringen van overjaarse fietsen zijn gebeurd doch dat deze leveringen door beide firma’s werden geregulariseerd door het factureren van deze leveringen. Deze goederen werden opgenomen in de voorraad per 31 december 1994 en de verkoop van deze goederen gebeurde in 1995 en in 1996. Derhalve meent de BVBA D. dat de taxatie door de BBI van een bijkomende omzet in 1994 aldus dubbel gebruik uitmaakt met deze gerealiseerd in 1995 en in 1996.
Tenslotte stelt de BVBA D. dat de Belgische Staat zijn stelling wenst te bewijzen aan de hand van vermoedens, waarbij de administratie zich op deze vermoedens steunt teneinde tot taxatie over te gaan. Terzake meent zij dat de administratie zich louter steunt op vermoedens en daarenboven een vermoeden afleidt uit een ander vermoeden, hetgeen naar haar oordeel niet kan worden aanvaard.
Voor het vestigen van de aanslag verklaart de Belgische Staat te steunen op de gegevens van het gerechtelijk dossier. Daarvan maken deel uit de verklaringen van de bestuurders van de NV S. en de NV L.. Het hof stelt vast dat deze personen hebben verklaard dat de BVBA D. de enige valabele afnemer van de fietsen in kwestie bleek te zijn en dat zij zodoende genoodzaakt waren om rekening te houden met haar eisen, die onder meer betrekking hadden op het niet op haar naam factureren van de fietsen, doch als “particulier” of “particuliere sector I”.
Tevens heeft de Belgische Staat op basis van de documenten, die zowel bij de BVBA D., als bij haar leveranciers in beslag werden genomen, een onderzoek doorgevoerd. De Belgische Staat heeft op de maatschappelijke zetel van de BVBA D. een aantal documenten in beslag genomen. Daarvoor kon zij geen aanvaardbare uitleg geven waarop ze werden bewaard indien ze niet dienstig waren voor de exploitatie van de handelszaak.
Van groot belang is dat voor deze documenten een verband werd gelegd met de facturatie van de leveranciers van de fietsen en dat een zeer grote mate van overeenstemming bleek te zijn. Het hof verwijst terzake naar de motieven die de Belgische Staat in dat verband ontwikkelt op de pagina’s 2 tot en met 4 van zijn op 10 juni 2010 ter griffie van het hof neergelegde besluiten, motieven die het hof tot de zijne maakt.
Het hof sluit zich dan ook bij de Belgische Staat aan dat hij uit de samenlezing van het geheel van de onderzoeken, die hij heeft gevoerd, kan besluiten dat de gegevens waarop hij zich steunt om de aanslag te vestigen, steunen op bekende gegevens. Zodoende heeft de Belgische Staat voldaan aan de op hem rustende bewijslast en steunt de becijferde belastbare grondslag met betrekking tot de verkoop van fietsen Scott en Ludo op bekende feiten.
Na deze fietsen niet meer in de voorraad van de BVBA D. voorkomen, besloot de Belgische Staat terecht ertoe dat deze werden verkocht.
In dat verband betwistte de eerste rechter terecht in de zaak gekend onder 2008/AR/2667 dat de regularisatiefacturen werden opgemaakt voor de verkopen van de fietsen voorkomend op de bons. Verder stelde de eerste rechter in dezelfde zaak eveneens terecht vast dat de (zaakvoerder van de) BVBA D. geen redelijke verklaring had voor het feit dat de bons in haar bezit waren en was zij evenmin in staat facturen voor te leggen die met deze bons overeenstemmen.
Verder legt de BVBA D. geen bewijs voor van haar bewering dat de fietsen in kwestie werden opgenomen in de voorraad per 31 december 1994 en dat de verkoop van deze fietsen gebeurde in 1995 en in 1996.
a.3. Wat de niet-aangegeven voordelen van alle aard betreft
Terzake stelt de BVBA D. dat het supplementaire voordeel van alle aard maximaal … BEF bedraagt en niet … BEF. De BTW op dit supplementair voordeel van alle aard bedraagt volgens haar maximaal … BEF.
De BVBA D. meent dat het vooropgestelde aantal privé-kilometers van 26.846 volledig arbitrair is samengesteld en dit om reden dat het vooropgestelde verbruik van de wagens haar volledige wagenpark zou betreffen (in casu twee bestelwagens en twee personenwagens) en dat het aandeel van de twee personenwagens op één derde van het totale verbruik moet worden geraamd. In de zaak gekend onder 2008/AR/2667 stelt de (zaakvoerder van de) BVBA D. dat het voordeel maximum … BEF in plaats van … BEF bedraagt.
Hiervoor in de zaak gekend onder 2006/AR/2638 kwam het hof evenwel reeds tot het besluit dat de voordelen van alle aard niet arbitrair werden berekend en correct werden vastgesteld op een bedrag van … BEF, minstens dat de BVBA D. het tegendeel daarvan niet bewijslast.
b) Wat de geldboeten betreft
Deze maken zowel het voorwerp uit van het hoofdberoep, als van het incidenteel beroep.
De BVBA D. verzoekt om kwijtschelding, minstens om vermindering van de administratieve geldboete(n). Zij betwist de cumulatie van geldboeten en stelt bovendien dat zij in de volstrekte onmogelijkheid is om een dergelijke omvangrijke boete te voldoen.
Van zijn kant meent de Belgische Staat dat de inbreuken op het W.BTW, waaraan de BVBA D. zich schuldig heeft gemaakt, ontegensprekelijk door hem werden bewezen. Bijgevolg meent hij dat hij de wettelijk verschuldigde boeten heeft toegepast op de inbreuken, zoals deze voorzien zijn in de paragrafen 1 en 2 van art 70, W.BTW. Hij vraagt dan ook beide boeten op te leggen.
Lastens de BVBA D. werd in de zaak gekend onder 2006/AR/2638 een bijzondere aanslag aan 300 % gevestigd. Hiervoor onder I, a) gaf de Belgische Staat evenwel zelf toe dat deze bijzondere aanslag niet behouden kan blijven. Daarnaast werden haar in onderhavige zaak gekend onder 2007/AR/774 twee geldboeten inzake BTW op grond van de paragrafen 1 en 2 van art. 70bis, W.BTW opgelegd. Wel oordeelde de eerste rechter dat het opleggen van één boete gelijk aan 200 % in deze volstond.
Art. 70, § 1 W.BTW bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.
Art. 70, § 2 W.BTW bepaalt dat wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53octies en 54, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan … EUR.
Art. 70, § 2, in fine W.BTW bepaalt dat in geval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel de in § 1 als de in § 2 bepaalde geldboete oploopt, alleen de laatste verschuldigd is.
Zoals de eerste rechter met reden opmerkte, gaat het niet om eenzelfde overtreding, maar om twee overtredingen die door de BVBA D. werden begaan : enerzijds vroeg zij de facturen niet op haar naam op te stellen op het ogenblik dat zij de fietsen aankocht; anderzijds droeg zij geen BTW af op het ogenblik dat zij de fietsen verkocht.
Waar de BVBA D. het hof om een kwijtschelding, minstens een vermindering van de administratieve geldboete(n) vordert, vraagt de Belgische Staat de twee geldboeten op te leggen.
Wat de kwestie van de administratieve geldboeten inzake BTW betreft, die aan de BVBA D. werden opgelegd in onderhavige zaak gekend onder 2007/AR/774, staat het thans algemeen vast de BTW-boeten in kwestie, net zoals alle proportionele fiscaal administratieve sancties een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van art. 6 EVRM.
Dit betekent in deze dat de door de BVBA D. gepleegde inbreuken aanleiding hebben gegeven tot een cumulatie van fiscaal administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter in de zin van art. 6 EVRM.
Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie (zie Cass. 24 januari 2002, A.F.T. 2002, 201) verzet het non bis in idem-beginsel zich niet tegen een cumulatie van fiscaal administratieve sancties met strafrechtelijk karakter.
Wel erkent het Hof van Cassatie dat een rechter bij de beoordeling van de evenredigheid van de ene fiscaal administratieve sanctie rekening mag houden met de hoogte van de andere opgelegde fiscaal administratieve sanctie.
Het hof meent dat het opleggen van twee administratieve geldboeten inzake BTW onevenredig met de door de BVBA D. gepleegde inbreuken voorkomt.
Derhalve is het hof van oordeel dat de eerste rechter terecht slechts één administratieve geldboete inzake BTW heeft opgelegd.
Het hof verwijst terzake naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter, motieven die het hof tot de zijne maakt.
c) Wat de verschuldigde interesten betreft
De BVBA D. verklaart zich met betrekking tot de verschuldigde interesten te gedragen naar de wijsheid van het hof, maar meent dat er slechts maximaal interesten kunnen verschuldigd zijn op een bedrag in hoofdsom van … BEF.
Dit bedrag is samengesteld als volgt :
- de verschuldigde BTW op de Koga Miyata fietsen : … BEF;
- de verschuldigde BTW op de voordelen van alle aard : … BEF.
Hiervoor kwam het hof evenwel reeds tot het besluit dat de BVBA D. ook op de Scott fietsen BTW verschuldigd was en dat het bedrag van de voordelen van alle aard, waarop eveneens BTW verschuldigd was, door de administratie correct werd berekend.
Derhalve dient het hoger beroep in deze zaak voor het geheel te worden afgewezen.
III. In de zaak gekend onder 2008/AR/2667 :
In deze zaak staan de volgende punten ter discussie :
a) de samenstelling van de aanslag;
b) het persoonlijk gebruik van de voertuigen, en
c) de belastingverhoging.
a) Wat de samenstelling van de aanslag betreft
Zoals hiervoor reeds gezegd, heeft de rechtbank te Leuven in haar vonnis van 16 juni 2006 de oorspronkelijke aanslag in de P.B. in hoofde van de heer D. voor het aanslagjaar 1995 vernietigd om reden dat de verkoopprijs van de 56 fietsen Koga Miyata exclusief BTW was. De administratie heeft berust in het vonnis en een nieuwe aanslag gevestigd in overeenstemming met het bepaalde in dit vonnis.
De heer D. betwist de verkoop van 56 fietsen aan gemiddeld … BEF niet, evenmin de aankoop van deze fietsen (zonder factuur) aan … BEF per fiets. Derhalve realiseerde hij een winst van … x 56 = … BEF. Nu de heer D. deze verkopen evenmin BTW doorstortte aan de Belgische Staat, realiseerde hij een netto-winst van … BEF per fiets.
De heer D. meent dat de door de BBI weerhouden zwarte leveringen van Scott fietsen ter waarde van … BEF gebaseerd zijn op loutere veronderstellingen en geenszins bewezen zijn.
In het bericht van wijziging van 19 oktober 2006 (zie stuk LV 50 e.v. van het administratief dossier) werd op zeer grondig gemotiveerde wijze een hersamenstelling van de fietsen Scott met factuur particulier aangekocht door de BVBA D. gemaakt. Deze hersamenstelling bevat drie onderdelen :
- fietsen zonder korting : 47 voor een totale aankoopprijs, exclusief BTW van … BEF;
- fietsen met korting 25 % : 71 voor een totale aankoopprijs, exclusief BTW van … BEF;
- fietsen met korting 20 % ; 497 voor een totale aankoopprijs, exclusief BTW van … BEF.
Hetgeen een totaal geeft van 615 fietsen voor een totale aankoopprijs, exclusief BTW van … BEF.
Vervolgens heeft de administratie de verborgen winst berekend, die werd verwezenlijkt op de aankopen fietsen Scott met factuur particulier als volgt : Vooreerst berekende zij de bruto-winstmarge correct op 41,44 %. Vervolgens berekende zij de verkoopprijs exclusief BTW van de fietsen in kwestie op … x 141,44 % = … BEF. Op dit bedrag bracht zij de aankoopprijs exclusief BTW van … BEF, evenals de betaalde niet gerecupereerde BTW (… c 20,5/100 =) … BEF in mindering, hetgeen een bedrag gaf van … BEF. Ten slotte verhoogde zij dit bedrag met de BTW (… x 20,5/100 =) … BEF, hetgeen een gerealiseerde verborgen winst inclusief BTW van … BEF gaf.
Hiervoor in de zaak gekend onder 2007/AR/774 kwam het hof tot het besluit dat de administratie ten genoegen van recht de aankopen van fietsen heeft bewezen.
Wat de gerealiseerde verborgen winsten betreft, gaat de administratie ervan uit dat deze winsten, die, zoals gezegd, buiten de boekhouding van de BVBA D. werden gehouden, werden doorgesluisd naar het persoonlijk vermogen van de heer D. en als dusdanig een bezoldiging van werkend vennoot uitmaken.
In het bestreden vonnis van 3 oktober 2008 (in de zaak gekend onder 2008/A/2667) overwoog de eerste rechter dat de heer D. niet betwist dat de aldus gerealiseerde winst niet in het vermogen van de BVBA D. terug te vinden is en aan hem werd uitgekeerd.
Hoewel de heer D. in hoger beroep deze overweging van de eerste rechter betwist, gaat het hof met de Belgische Staat akkoord dat de heer D., gelet op de regelmaat van de verrichtingen en de daarbij gehanteerde systematiek (nl. aankoop van fietsen zonder factuur, respectievelijk met factuur “particulier”) bewust een dubbel circuit heeft opgezet, waarbij de meerwinsten in zijn persoonlijk vermogen terecht zijn gekomen.
Overigens neemt de heer D. op pagina 21 van zijn beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie van het hof op 15 mei 2009 in de zaak gekend onder 2008/AR/2667, een voorstel op met betrekking tot de bepaling en de kwalificatie van de belastbare grondslag. In dit voorstel wordt de door de heer D. becijferde meerwinst uit de verkoop van fietsen Koga Miyata door hemzelf eveneens als een bezoldiging werkend vennoot gekwalificeerd.
b) Wat het persoonlijk gebruik van de voertuigen betreft
De heer D. meent dat het supplementair voordeel van alle aard maximaal … BEF en niet … BEF kan bedragen.
Hiervoor in de zaak gekend onder 2007/AR/774 kwam het hof evenwel reeds tot het besluit dat de voordelen van alle aard correct werden berekend door de administratie.
Wat het voordeel van alle aard betreft, stelt het hof vast dat de heer D. niet betwist de beschikking te hebben gehad over twee personenwagens. Derhalve was hij bekend als genieter van dit voordeel en werd dit voordeel terecht in zijnen hoofde in aanmerking genomen.
c) Wat de belastingverhoging betreft
De heer D. vraagt het hof, indien dit meent dat een belastingverhoging dient te worden opgelegd, om deze minstens te herleiden tot 10 %.
De heer D. legt een vonnis neer van de correctionele rechtbank te Leuven van 13 januari 1997, waarbij hij wegens het plegen van valsheid, meer bepaald het opstellen van valse stukken, nl. de stocklijst van 31 december 1994 en het boek der inkomende facturen over 1994, werd veroordeeld tot een geldboete van … BEF of een vervangende gevangenisstraf van één maand.
De belastingverhogingen uit art. 44 WIB 1992 dienen eveneens (weliswaar onder bepaalde voorwaarden) als straffen in de zin van art. 6 EVRM te worden beschouwd. Dit is met name het geval (zie daarover : Cass. 25 mei 1999, Fisc. Act. 1999, 22/3) indien de administratieve sanctie zonder onderscheid elke belastingplichtige treft en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut; een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, niet alleen maar een vergoeding in geld van schade betreft of een weinig dwangmiddel, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tegelijk preventief en repressief is en zeer zwaar is, gelet op het bedrag ervan.
Aan deze voorwaarden is in deze voldaan wat de aan de heer D. opgelegde belastingverhoging betreft.
In het kader van art. 6 EVRM wordt aan de belastingplichtige een bijzondere rechtsbescherming toegekend. Deze houdt onder meer het recht voor de belastingplichtige in om geen tweemaal voor dezelfde feiten te worden veroordeeld.
Dan rijst de vraag in hoeverre fiscaal administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter (in deze de belastingverhoging) cumuleerbaar zijn met eigenlijke strafsancties (in deze de veroordeling tot een geldboete van … BEF).
Het hof dient na te gaan in hoeverre de administratieve sanctie en de strafrechtelijke sanctie in soortgelijke bewoordingen hetzelfde gedrag bestraffen en of de essentiële bestanddelen van beide inbreuken identiek zijn.
Is dit het geval, dan dient het non bis in idem-beginsel zeer strikt te worden beoordeeld en is een cumulatie van strafsancties en van administratieve sancties die een strafkarakter hebben in de zin van art. 6 EVRM ontoelaatbaar in het licht van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (zie : G. H. nr. 67/2007 van 26 april 2007, B.S. 13 juni 2007; G. H. nr. 91/2008 van 18 juni 2008, B.S. 10 september 2008); is dit niet het geval dan dient minstens te worden aangenomen dat het non bis in idem-beginsel zich niet verzet tegen een cumulatie van een strafsanctie met een fiscaal administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter, maar mag een rechter bij de beoordeling van de evenredigheid van een fiscaal administratieve sanctie rekening houden met de hoogte van de reeds opgelegde strafsanctie (zie Cass. 24 januari 2002, A.F.T. 2002, 201).
Het hof stelt vast dat de veroordeling van de heer D. van 13 januari 1997 plaatsvond wegens het plegen van valsheid. Deze inbreuk werd in het vonnis nader omschreven als : “herhaaldelijk, tussen 1 januari 1994 en 1 januari 1995, met overtreding van de artikelen 449, 450, 457, 458 en 459 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (…) met het oogmerk om één van de in artikel 449 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften, valsheid te hebben gepleegd om namelijk met het bedrieglijk inzicht de werkelijke omzet wederrechtelijk verborgen te houden voor de fiscus om de betaling van de erop verschuldigde vennootschapsbelasting te ontduiken, te hebben opgesteld of doen opstellen verscheidene boekhoudkundige stukken op naam van de BVBA D. betreffende het boekjaar 1994, terzake en o.m. de “stocklijst” en inventaris beiden dd. 31/12/94, alsmede het boek der inkomende facturen, in welke stukken geen melding wordt gemaakt van de door de vennootschap bij de BV Koga te Heerenveen (Ned) voor ongeveer … BF aangekochte fietsen van het merk Koga-Miyata, zodat die stukken onjuist, onvolledig en bijgevolg vals zijn”.
Nu de strafrechtelijke sanctie en de administratieve sanctie in deze in soortgelijke bewoordingen hetzelfde gedrag bestraffen en de essentiële bestanddelen van beide inbreuken identiek zijn, meent het hof dat samen beschouwd de reeds opgelegde strafsanctie en de belastingverhoging verminderd tot 10 % in die zin een voldoende bestraffing uitmaakt van de heer D. voor de door hem gepleegde feiten.
D. WAT DE KOSTEN BETREFT
Nu beide partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk werden gesteld, meent het hof dat het aangewezen is elke partij tot de eigen kosten van beide aanleggen te veroordelen en de rechtsplegingsvergoedingen om te slaan.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Voegt de zaken gekend onder A.R. nrs. 2006/AR/2638, 2007/AR/774 en 2008/AR/2667 samen;
In de zaak gekend onder A.R. nummer 2006/AR/2638 :
Verklaart het hoger beroep van de BVBA D. over de grond van de zaak ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegronde;
Het tussenarrest van 6 mei 2010 verder uitwerkend en rechtdoende ten gronde;
Vernietigt de betwiste aanslag van 22 december 1997, kohierartikel …, supplement van artikel …, maar uitsluitend voor zover hij bestaat uit de bijzondere aanslag aan 300 %;
Handhaaft deze aanslag voor het overige.
In de zaak gekend onder A.R. nummer 2007/AR/774 :
Verklaart het hoger beroep van de BVBA D. ontvankelijk, doch ongegrond;
Verleent de Belgische Staat akte van het instellen van zijn incidenteel beroep;
Verklaart dit ontvankelijk, doch ongegrond;
Bevestigt het bestreden vonnis.
In de zaak gekend onder A.R. nummer 2008/AR/2667 :
Verklaart het hoger beroep van de heer D. ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond;
Doet het bestreden vonnis teniet in zoverre het een belastingverhoging van 50 % oplegde en de kosten verdeelde, en, opnieuw rechtdoende op deze punten;
Veroordeelt in elk van de drie zaken elke partij tot de eigen kosten van beide aanleggen en slaat de rechtsplegingsvergoedingen om.
Dit arrest werd gewezen door de zesde fiscale kamer van het Hof van beroep te Brussel samengesteld door :
de heer J. V., raadsheer dd. Voorzitter,
Mevrouw M. D. W., plaatsvervangend raadsheer,
De heer L. D., plaatsvervangend raadsheer, die alle zittingen en het beraad hebben deelgenomen aangaande de zaak.
Mevrouw M. D. W. verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.
C. D. N. J. D. J. V.
Het arrest werd uitgesproken door de heer J. V., raadsheer dienstdoend voorzitter, bijgestaan door C. D. N., griffier, op 2 december 2010.
C. D. N. J. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.