Recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Leuven 16 juni 2006

Zoeken

Recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-rechtbank-leuven-2006-06-16-2a6d

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Leuven
Datum
16 juni 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

69 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 16.06.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, twaalfde kamer.

zitting : 16 juni 2006

eindvonnis

Rol nr. : 04/931/A en 05/238/A

NV P., voorheen met maatschappelijke zetel te …, …, thans te …, …, met BTW-nummer BE …;

eiseres,

ter zitting vertegenwoordigd door meester D. W., advocaat te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van de Federale Overheidsdienst Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit - sector BTW - met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3 A bus 2;

verweerster,

ter zitting vertegenwoordigd door meester C. M. loco meester d. N., advocaat te …, ….

I. PROCEDURE

De rechtbank doet uitspraak in deze zaken die op de zitting van 21 april 2006 in beraad werden genomen.

De procedure verliep met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

De rechtbank nam onder meer kennis van :

- de verzoekschriften op tegenspraak ter griffie neergelegd op 22 april 2004 en 28 januari 2005;

- de conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken;

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 21 april 2006.

II. FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

1. P. NV (hierna : eiseres) is BTW-belastingplichtige voor de activiteit van aan- en verkoop van tweedehandswagens.

2. Op 18 december 2003 werd door de heer J. D., eerstaanwezend verificateur verbonden aan de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, controlecentrum Leuven, proces-verbaal opgesteld lastens eiseres. In dit proces-verbaal wordt geschreven dat B. C. I. SPRL (hierna BCI) de voornaamste leverancier is van eiseres. BCI werd failliet verklaard op 21 oktober 2003. Lastens BCI werd op 6 augustus 2003 proces-verbaal opgesteld door de Bijzondere Belastinginspectie van Namen.

In het proces-verbaal van 18 december 2003 wordt het systeem van de BTW-carrousel uitvoerig uiteengezet, waarna de volgende vaststellingen worden vermeld die zouden kaderen in het systeem van de BTW-carroussel :

- eiseres treedt op als uiteindelijke uitvoerder van de tweedehandsvoertuigen (voor 95 % van de gerealiseerde omzet wordt de vrijstelling van artikel 39 of 39bis van het BTW­Wetboek ingeroepen);

- eiseres bouwt BTW-kredieten op die periodiek teruggevraagd worden;

- alle wagens die eiseres bij BCI aankoopt worden aan haar gefactureerd met toepassing van 21 % BTW. Geen enkele wagen wordt aangekocht met toepassing van winstmargeregeling voor tweedehandsvoertuigen zoals bedoeld in artikel 58, § 4 van het BTW-Wetboek;

- de verkoopprijs vermeld op de facturen uitgereikt door BCI is in nagenoeg alle gevallen significant hoger dan de overnamequoteringen zoals deze opgesteld worden door Federauto VZW;

- de door eiseres gerealiseerde winstmarge is vaak miniem en in een beperkt aantal gevallen zelfs negatief;

- voor de aankopen bij BCI bestaat er geen ander bewijs van betaling dan de firmastempel en een onleesbare handtekening op de facturen uitgaande van BCI. Alle aankopen bij BCI worden via kas betaald.

Het proces-verbaal besluit dat de gegevens vermeld in de processen-verbaal ernstige vermoedens uitmaken van fraude zodat in afwachting van het onderzoek het belastingkrediet ten bedrage van 169.777,63 euro in hoofde van eiseres ingehouden wordt op grond van artikel 8/1, § 3, 5° lid van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969.

3. Door het BTW-ontvangkantoor Leuven werd op 18 december 2003 een akte van inhouding voor het bedrag van 169.777,63 euro, saldo rekening-courant op 31 oktober 2003 in het voordeel van eiseres, opgemaakt. Deze werd op 19 december 2003 ter kennis van eiseres gebracht.

4. Op 23 juni 2004 werd een gelijkaardig proces-verbaal opgesteld voor de inhouding van het belastingkrediet ten bedrage van 2.257,52 euro. Dit proces-verbaal werd opgemaakt in verband met een andere leverancier van eiseres, A. P. SPRL (hierna : P.).

5. Door het BTW-ontvangkantoor Leuven werd op 8 maart 2004 een akte van inhouding voor het bedrag van 2.394,40 euro, saldo rekening-courant op 31 januari 2004 in het voordeel van eiseres, opgemaakt. Deze werd op 8 maart 2004 ter kennis van eiseres gebracht.

6. Op 26 november 2004 werd door de heer J. D. nogmaals een proces-verbaal opgesteld. In dit proces-verbaal wordt verwezen naar de processen-verbaal op respectievelijk 6 augustus 2003 en 24 oktober 2003 door de BBI Namen opgesteld lastens BCI en P.. Het proces-verbaal weerhoudt een aantal inbreuken op de BTW­wetgeving en besluit dat de in de boekhouding van eiseres opgenomen handelingen met BCI en P. als fictief worden beschouwd zodat eiseres geen recht heeft op aftrek van de belasting op grond van documenten die op naam van deze leveranciers werden opgemaakt. In het totaal werd 1.378.470,97 BTW ten onrechte in aftrek gebracht.

7. Het proces-verbaal vermeldt ook nog dat wegens materiële vergissing 156,17 euro van een andere leverancier teveel in aftrek werd gebracht.

8. De totale BTW-schuld wordt in het proces-verbaal vastgesteld op 1.378.627,14 euro. Er wordt een boete opgelegd van 2.757.254,28 euro.

9. Op 9 december 2004 werd een dwangbevel uitgevaardigd, uitvoerbaar verklaard op 10 december 2004, voor deze bedragen, vermeerderd met de intrest.

Dit dwangbevel werd op 27 december 2004 aan eiseres betekend.

10. Eiseres vordert dat het dwangbevel betekend op 9 december 2004 nietig en ongeldig verklaard wordt, dat verweerster zou veroordeeld worden tot terugbetaling van alle sommen die op grond van de akten van inhouding van 18 december 2003 en van 8 maart 2004 gedaan werden, zijnde het saldo van de rekening courant voortvloeiende uit kader VI van de periodieke aangifte ingediend met betrekking tot de periode 1 juli 2003 tot 31 december 2003 en bevattende een som van 172.172,03 euro en dat de BELGISCHE STAAT tevens veroordeeld wordt tot betaling van de wettelijke intrest van 0,8 % per maand over het terug te geven bedrag te rekenen vanaf 1 april 2003.

III. BEOORDELING

11. De ontvankelijkheid van de vorderingen wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve aan te voeren redenen om de vorderingen niet ontvankelijk te verklaren.

12. De BTW-belastingplichtige mag, onder bepaalde voorwaarden, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen in aftrek brengen (artikel 45, § 1, BTW-wetboek).

Eiseres kan de BTW die op de aan haar uitgereikte facturen vermeld is slechts aftrekken indien de erop vermelde goederen door de op de factuur vermelde leverancier daadwerkelijk aan haar werden geleverd.

13. In casu bestaan er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens dat de personenwagens op de door BCI en P. uitgeschreven facturen niet door deze leveranciers aan eiseres geleverd werden en dat het om louter fictieve facturen gaat, waaraan geen daadwerkelijk verkoop door BCI of P. ten grondslag ligt. De rechtbank verwijst naar de vaststellingen opgenomen in het proces­verbaal van 18 december 2003 en die hierboven onder randnummer 2 werden vermeld.

14. Uit het proces-verbaal van 6 augustus 2003 opgemaakt lastens BCI blijkt dat deze firma niet over een effectieve maatschappelijke zetel beschikte van waaruit een commerciële activiteit kon worden ontplooid.

De leveranciers van BCI waarbij BCI, volgens haar boekhouding haar wagens kocht, kunnen deze wagens niet verkocht hebben. S. BVBA heeft voor het jaar 2000 in het totaal voor 285.644 BEF aankopen verricht, terwijl BCI, volgens haar boekhouding, in 2000 voor 40.864.000 BEF aankopen bij deze firma zou gedaan hebben. In 2001 zou BCI, volgens haar boekhouding, voor 43.736.083 BEF aankopen gedaan hebben bij deze firma die van belastingvrijstelling genoot als kleine onderneming (artikel 56, § 2 BTW­Wetboek) en dus geen omzet van meer dan 225.000 BEF mocht realiseren.

De facturen die in de boekhouding van BCI terug te vinden waren van de leverancier C.-L. BVBA hadden een volledig ander uitzicht (hoofding, telefoonnummer, stempel, handtekening voor voldaan) als de facturen die de administratie bij andere klanten van C.-L. heeft aangetroffen. Er was zelfs een fout in de benaming, er werd namelijk C.-L. geschreven. De facturen teruggevonden bij BCI zijn gemaakt met hetzelfde grafische procédé en op hetzelfde papier als die van andere firma's die als leverancier van BCI in haar boekhouding terug te vinden zijn zoals S. (zie hierboven), G. C. BVBA en A. D. BVBA. De handtekening op de facturen van G. C. is dezelfde als deze op de facturen van C.-L.. Op het ogenblik dat de facturen werden uitgeschreven was de zaakvoerder van G. C. ambtshalve geschrapt uit de bevolkingsregisters, de zaakvoerder van C.-L. was onbekend op het adres vermeld op de documenten in verband met de wijziging van de statuten en de zaakvoerder van S. was evenmin terug te vinden in het rijksregister. Het adres op de facturen van C.-L. komt niet overeen met de maatschappelijke zetel van de firma en kan onmogelijk een exploitatiezetel zijn. Het betreft een appartementsgebouw dat enkel voor private bewoning gebruikt wordt. De BTW-listing van C.-L. vermeldt voor de jaren 2000 en 2001 geen leveringen aan BCI. In de boekhouding van BCI zijn facturen van C.-L. terug te vinden voor 48.289.570 BEF in 2001. C.-L. werd failliet verklaard bij vonnis d.d. 10 december 2001 van de rechtbank van koophandel van Nijvel (BS 28 december 2001, ed. 2, 45313). Toch zijn in de boekhouding van BCI voor de periode van 1 januari 2002 tot 30 juni 2002 facturen van C.-L. terug te vinden voor een bedrag van en 1.401.290,70 euro.

G. C. BVBA werd failliet verklaard bij vonnis van 22 augustus 2000 van de rechtbank van koophandel te Brussel (BS 1 september 2000, 30248). In de boekhouding van BCI zijn voor het jaar 2001 facturen van deze leverancier terug te vinden voor 110.918.215 BEF en voor 562.565,30 euro voor de periode van 1 januari 2002 tot 30 juni 2002.

15. Gelijkaardige vaststellingen worden in het proces-verbaal van 6 augustus 2003 gemaakt voor andere leveranciers van BCI. Het is duidelijk dat de aankoopfacturen die in de boekhouding van BCI terug te vinden waren fictieve facturen betroffen, waaraan geen levering van personenwagens aan BCI ten grondslag lagen.

In het proces-verbaal van 6 augustus 2003 opgemaakt lastens BCI wordt aan ook terecht besloten dat het geheel van de aankopen van de vennootschap niet overeenstemmen met de werkelijkheid (blz. 17 originele Franstalige proces-verbaal).

16. Het feit dat de aankopen van BCI fictief zijn maakt het onwaarschijnlijk dat BCI anderzijds wel werkelijk personenwagens aan eiseres zou verkocht hebben en dat de door BCI uitgeschreven facturen wel met de werkelijkheid zouden overeenstemmen.

17. Met betrekking tot P. worden in het proces-verbaal van 24 oktober 2003 lastens P. gelijkaardige vaststellingen gemaakt : de aankoopfacturen van P. zijn fictief, de leveranciers die deze facturen zouden uitgeschreven hebben kunnen de personenwagens niet geleverd hebben. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat P. anderzijds wel werkelijk personenwagens aan eiseres zou verkocht hebben en dat de door P. uitgeschreven facturen wel met de werkelijkheid zouden overeenstemmen.

18. Eiseres slaagt er niet in om, buiten de facturen, ook maar één element te bewijzen waaruit zou kunnen blijken dat de desbetreffende personenwagens wel degelijk door BCI of P. geleverd werden.

Het feit dat de desbetreffende personenwagens door eiseres zouden verkocht zijn en eiseres de levering door haar aan haar klanten zou kunnen bewijzen is hierbij niet relevant. Dit bewijst immers niet dat eiseres deze personenwagens van BCI of P. gekocht heeft met betaling van de BTW op de facturen uitgeschreven door BCI of P. vermeld.

19. Eiseres slaagt er niet in de gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens dat de personenwagens op de door BCI en P. uitgeschreven facturen niet door deze leveranciers aan eiseres geleverd werden en dat het om louter fictieve facturen gaat, waaraan geen daadwerkelijk verkoop door BCI of P. ten grondslag ligt te weerleggen.

Nu er geen daadwerkelijke verkoop en levering is geschied heeft eiseres geen recht op aftrek van de BTW vermeld op de fictieve facturen.

Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en in eerste aanleg.

De vordering is ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot de kosten en stelt deze als volgt vast :

- voor eisende partij : 356,98 euro (rechtsplegingsvergoeding)

- voor verwerende partij : 356,98 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 16 juni 2006, waar zetelden :

De heer L. W., rechter;

mevrouw G. D., griffier.

G. D. L. W.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 391 voorkomen
WBTW art. 39bis1 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 561 voorkomen
WBTW art. 581 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8