Regelmatige factuur, Winstmargeregeling, Bewijs, Bewijskracht, Tarief, Fraude · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 28 november 2023

Zoeken

Regelmatige factuur, Winstmargeregeling, Bewijs, Bewijskracht, Tarief, Fraude

https://juriel.be/nl/rechtspraak/regelmatige-factuur-winstmargeregeling-bewijs-bewijskracht-hof-van-beroep-gent-2023-11-28-95ae

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
28 november 2023

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

450 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 28.11.2023

WF 709-15-20/073805

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Regelmatige factuur – Winstmargeregeling – Bewijs – Bewijskracht – Tarief - Fraude

Wettelijke bepalingen

Artikel 3, § 1, 1°, van het KB nr. 3 van 10 december 1969

Artikel 58, § 4 WBTW

Artikel 70, § 1 WBTW

Samenvatting

1. Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige is sinds 18 januari 2017 geregistreerd als btw-plichtige voor de economische activiteit van detailhandel in auto’s en lichte bestelwagens. Tijdens een controle werden inbreuken vastgesteld tegen de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur, met betrekking tot de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge bedoeld in artikel 58, § 4, WBTW en inbreuken in verband met de aangegeven omzet.

Deze inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal dat werd betekend. De belastingschuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister.

Bij verzoekschrift van 14 december 2020 stelde de belastingplichtige haar vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, ter bestrijding van de voornoemde belastingschuld.

De eerste rechter oordeelde dat de vordering ontvankelijk en deels gegrond was. Tegen dit vonnis heeft de Belgische Staat hoger beroep ingesteld en belastingplichtige incidenteel hoger beroep.

2. Het arrest van het hof van beroep

a) Over de verplichting van het bezit van een regelmatige factuur

Het hof oordeelde dat de bijlagen aan de facturen van Proximus dienden te worden voorgelegd aangezien het algemeen geweten is dat ze door Proximus (en andere telecomproviders) worden bijgevoegd om toe te lichten op welke door deze leverancier verrichte prestaties betrekking hebben. De administratie heeft zonder die bijlagen niet kunnen nagaan of de onderliggende prestaties betrekking hebben op de economische activiteit van de belastingplichtige. In die omstandigheden werd de aftrek met reden verworpen.

b) Over de toepassing van de winstmargeregeling

Het hof oordeelde dat voor de toepassing van de winstmargereling het voorleggen van enkel het inschrijvingsbewijs niet volstaat. In wezen is de voorlegging van het inschrijvingsbewijs slechts nuttig in combinatie met het attest. Behalve de verklaring te verkopen als particulier of een van de andere omstandigheden bedoeld in artikel 58, § 4, 2° WBTW, moet met het inschrijvingsbewijs worden bevestigd dat de verkoop werkelijk uitgaat van iemand die het concrete voertuig op zijn naam had staan (en geacht wordt er eigenaar van te zijn geweest.

c) Over de vervalste aankoopborderellen

Ten aanzien van de personenwagen Audi Rs6

De administratie heeft met reden vastgesteld dat de verkoopovereenkomst die door de belastingplichtige werd opgenomen in de boekhouding, niet deze is die namens of door de verkoper getekend is, en een onjuiste aankoopprijs vermeldt, zodat ze vals is.

Ten aanzien van de personenwagen Porsche 997

Afgezien van het feit dat van de aankoop door de belastingplichtige (van iemand voor wie de voorwaarden uit artikel 58, § 4, 2° WBTW gelden) geen stuk voorligt, blijkt duidelijk dat het attest een valse handtekening bevat en de aankoopprijs niet correct werd opgenomen in de boekhouding.

De administratie kon in die omstandigheden voor deze beide wagens de toepassing van de winstmargeregeling weigeren en het normale btw-regime toepassen op de (door)verkoop.

d) Over de wettelijke boete

Het hof oordeelde dat de fraude in hoofde van de belastingplichtige is bewezen. Het opstellen van attesten die, met gebruik van valse handtekeningen, tot doel hebben de gunst van de winstmargeregeling te bekomen en de winstmarge (ernstig) te beperken, geeft blijk van immoreel gedrag. Om ervan zeker te zijn dat de sanctie haar doelstellingen bereikt, is het nodig de boete op het tarief van 200% te behouden.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Gent, vijfde kamer

Arrest van 28/11/2023

Rol: 2022/AR/1217

In de zaak van:

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, 0N 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur - Gewestelijk Directeur KMO Aalst, met burelen te 9100 SINT-NIKLAAS, Driekoningenstraat 4,

appellant,

hebbende als raadsman mr. L. G., advocaat te ...

tegen

I. C. BV, 0N 06...57,

met zetel te ...,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. V. B. D., advocaat te ...

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 11 juli 2022 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 2 mei 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/3408/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 31 oktober 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De geïntimeerde is een besloten vennootschap geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de economische activiteit van detailhandel in auto's en lichte bestelwagens.

Op 30 januari 2020 heeft de controleagent van de appellant een controle aangekondigd voor 3 maart 2020 over de periode van 18 januari 2017 tot 31 december 2018.

Die controle vond plaats op 3 maart 2020 op de maatschappelijke zetel van de geïntimeerde waar de controleagent werd ontvangen door de gevolmachtigde boekhouder van de geïntimeerde en haar zaakvoerder.

De controleagent meende onregelmatigheden vast te stellen, waarvoor hij een minnelijke inregelstelling heeft overgemaakt aan de geïntimeerde op 31 juli 2020. Na uitstel heeft de boekhouder van de geïntimeerde per e-mail van 9 september 2020 een aantal documenten bezorgd en enkele opmerkingen geformuleerd.

Omdat er enkele (kleine) punten door de controleagent geaccepteerd konden worden, heeft deze op 10 september 2020 een aangepaste minnelijke inregelstelling opgestuurd.

In zijn antwoorden per e-mail van 25 september 2020 en 9 oktober 2020 antwoordde de boekhouder niet akkoord te gaan met de minnelijke inregelstelling van 10 september 2020 en stelde hij:

- in verband met de ontbrekende attesten en ontbrekende inschrijvingsdocumenten bij DIV akkoord te kunnen gaan met een forfaitaire boete van 2.500 euro;

- in verband met de volgens de appellant vervalste aankoopborderellen: de belastingplichtige ontkent dat het hier een vervalsing zou zijn van de aankoopborderellen en stelt een minnelijke schikking voor om 10.000 euro omzet te belasten;

- dat een gevolmachtigde tussenpersoon heeft opgetreden bij de aankoop van één van de wagens waarvoor de appellant vervalsing van documenten inriep, en dat de verschillende attesten door elkaar zijn geraakt.

De controleagent bleef op zijn standpunt en maakte van de vastgestelde overtredingen zijn proces-verbaal van 27 oktober 2020 op, dat hij diezelfde dag aan de geïntimeerde overmaakte. In dat proces-verbaal werden inbreuken opgenomen tegen de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur, met betrekking tot de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge bedoeld in artikel 58, §4, WBTW en inbreuken op artikel 53, § 1, eerste lid, 2° en 3° en artikel 53octies, § 1, eerste lid (derde lid tot 31 december 2012) WBTW en artikel 18 KB nr. 1 van 29 december 1992, in verband met de aangegeven omzet.

Op grond van die inbreuken werden volgende bedragen verschuldigd verklaard:

a) als belasting over de toegevoegde waarde: 45.606,30 euro;

b) de proportionele geldboeten, wettelijk gelijk aan het dubbel van de verschuldigde rechten op grond van 70, §1 en 70,§1bis WBTW.

Voor de overtredingen opgenomen in de rubriek I, rubriek II.A.a en rubriek B van het proces-verbaal werd in uitvoering van artikel 1 en artikel 4 KB nr. 41 van 30 januari 1987, tabel H, tabel G, eerste afdeling, rubriek IV en rubriek V de boete verminderd en afgerond tot : 2.140,00 euro. Voor de overtredingen opgenomen in rubriek II.A.b van het proces-verbaal werd overeenkomstig artikel 1, laatste alinea, KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten vastgesteld dat de wettelijke boeten niet kunnen worden verminderd ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken.

Waar geoordeeld werd dat dit oogmerk duidelijk aanwezig was omdat de geïntimeerde opzettelijk documenten vervalst had om de winstmarge en de inkomsten van bepaalde handelingen bewust verborgen te houden voor de administratie, terwijl het verborgen houden van de beroepsinkomsten tot doel zou hebben gehad de belastingplichtige, ten nadele van de Schatkist, een ongeoorloofd voordeel te bezorgen, werd de verschuldigde boete op het dubbel van de ontdoken belasting behouden, zijnde 48.372,90 euro.

In het totaal bedroeg de verschuldigde boete 50.512,90 euro.

c) als interesten, van rechtswege verschuldigd bij toepassing van artikel 91 §1 WBTW te berekenen op 45.600,00 euro aan 0,8 pct. per maand vanaf 21 januari 2019.

Met een verzoekschrift van 14 december 2020 stelde de geïntimeerde haar vordering in voor

de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

In het vonnis van 2 mei 2022 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-

Vlaanderen, afdeling Gent beslist om:

- de vordering van eiseres ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in volgende mate:

- de administratieve geldboete (van 200%) te herleiden tot 100%,

- de herberekening te bevelen van de bedragen opgenomen in het proces-verbaal van 27 oktober

2020 (alsook de btw-invordering aan te passen) overeenkomstig het bepaalde in de

randnummers 2.12. en 2.16. rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;

- voor het overige de btw-invordering met RCIV-nummer 50...61 te bevestigen;

- de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde

sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;

- de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren;

- te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten

op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 20,00 EUR en in hoofde van

verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

De geïntimeerde stelde incidenteel hoger beroep in.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

- het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen in de mate dat het de bestreden inbreuken heeft

vernietigd en de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde af te wijzen als

ongegrond;

- het proces-verbaal van regularisatie van 27/10/2020 met daaruit vloeiende RCIV nummer

50...61 te bevestigen;

de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van de

verzoeker te begroten als volgt :

•rolrecht hoger beroep: P.M.

•rechtsplegingvergoeding in hoger beroep: P.M.

3.2. De vordering van de .geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van appellant ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

Akte te nemen van het incidenteel hoger beroep van concluante tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 2 mei 2022 in zoverre dat het de vordering van concluante als ongegrond heeft verklaard. Voor het overige, minstens, het vonnis a quo te bevestigen in zoverre het de vordering van concluante als gegrond heeft verklaard.

Dienvolgens, opnieuw rechtdoende:

1.Het proces-verbaal, opgesteld op 27 oktober 2020 door de heer X, Attaché bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, KMO Centrum Aalst Controle 10, waarvan de kantoren gevestigd waren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 en vanaf 1 juli 2020 verbonden aan het KMO Centrum Aalst, Controle 7, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde, Begijnhoflaan 49, geheel te horen vernietigen, dan wel van onwaarde te horen verklaren;

2.De btw-vordering, opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikelnummer 50...61, geheel te horen vernietigen;

3.Te horen zeggen voor recht dat concluante de middels voormeld proces-verbaal en brief van 10 november 2020 met weergave van de bij innings- en invorderingsbericht gevorderde bedragen niet verschuldigd is en appellant te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan concluante terug te betalen, meer de moratoire interesten.

In ondergeschikte orde, vooreerst bij toepassing van artikel 877 Ger. W. appellant te horen bevelen de voornoemde inschrijvingsbewijzen voor te brengen door neerlegging ter griffie.

Appellant te veroordelen tot de kosten van het geding voor een totaal bedrag van 14.000,00 EUR, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in overeenstemming met artikel 1022 Ger. W. t.b.v. 6.500,00 EUR in eerste aanleg en 7.500,00 EUR in hoger beroep.

4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. Over het te leveren bewijs voor toepassing van de winstmargeregeling

De appellant heeft voor de volgende 15 aankopen van de geïntimeerde van tweedehandse

voertuigen de winstmargeregeling verworpen en

op de verkoopprijs de gewone btw

aangerekend.

Ak-doc Af1Aftdatum18/01/201719/01/2017Prijs Vk-fact600,00 EUR 1/2017600,00 EUR 2/2017Vk-prijs incl. btw al bet. btw1.200,00 EUR 104,13 EUR 1.100,00 EUR86,22 EUR
Af318/01/20173.000,00 EUR3/20174.500,00EUR
260,33 EUR
Af423/01/2017350,00 EUR 4850,00 EUR 86,78 EUR
F1221/03/201720.700,00 EUR1221.700,00EUR
173,55 EUR
F4921/05/20177.500,00 EUR218.700,00EUR
208,26 EUR
F8027/09/20179.100,00 EUR4211.400,00EUR
399,17 EUR
F12515/01/20185.700,00 EUR14/20188.500,00EUR
485,95 EUR
F14111/12/201725.000,00 EUR12/201826.000,00EUR
173,55 EUR
F15329/11/201732.000,00 EUR25/201832.000,00EUR
0,00 EUR
F1911/02/20187.000,00 EUR50/20187.000,00EUR
0,00 EUR

De geïntimeerde legt voor elk van de 15 aankopen waarvoor de appellant de winstmargeregeling verworpen heeft, stukken voor waarmee hij stelt afdoende het bewijs te leveren van de voorwaarden bedoeld in artikel 58, §4 WBTW. Hij benadrukt dat er geen wettelijke verplichting bestaat om een attest uitgaande van de leverancier van het voertuig, noch van het inschrijvingsbewijs voor te leggen en dat hij het bewijs dat de voorwaarden vervuld zijn met alle middelen van gemeen recht, uitgezonderd de eed, mag leveren.

Het bewijs dat moet voorliggen bestaat erin dat de levering van de betreffende voertuigen aan de geïntimeerde gebeurde:

 door een niet-belastingplichtige; of

 door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige krachtens artikel 44, § 2, 13°, is vrijgesteld; of

 door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige is vrijgesteld krachtens artikel 56bis (artikel 56, § 2 tot 01.04.2014) en het een bedrijfsmiddel betreft; of

 door een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig de onderhavige bijzondere regeling onderworpen is geweest aan de belasting (art. 58, §4, 2° WBTW).

Ook moet bewezen zijn dat de levering niet gebeurde door personen die bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van de goederen, de vrijstelling van de belasting hebben genoten krachtens artikel 42, of die hebben genoten van de teruggaaf van de belasting krachtens artikel 77, § 2 (art. 58, §4, 3° WBTW).

Essentieel is dus het bewijs dat de leverancier de juiste hoedanigheid had (particulier, niet-belastingplichtige rechtspersoon, enz...,) en verklaart hij dat hij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel dat hij aan de belastingplichtige wederverkoper levert.

Het is wel degelijk de btw-belastingplichtige die de winstmargeregeling wil toepassen, hier de geïntimeerde, die dat bewijs moet leveren (Cass. 20 januari 2017, rolnr. F.15.0050.N, via www.iuportal.be).

De essentie is dat niet volstaat dat iemand die vermeld wordt als leverancier (in een aankoopborderel en/of een verzekeringsovereenkomst) bevestigt zich in de voorwaarden van artikel 58 § 4, 2° WBTW te bevinden, wanneer niet tegelijk het bewijs voorligt dat het betreffende voertuig ook op naam van die leverancier bij de directie voor de inschrijving van de voertuigen was ingeschreven, wat een document is dat bevestigt dat de verkoper werkelijk de titularis was van het voertuig. Het attest alleen volstaat in elk geval niet.

De eerste rechter aanvaardde de gevallen waarin er alleen een inschrijvingsbewijs voorligt. Waarom hij het voorleggen van een inschrijvingsbewijs voldoende acht, zonder attest, valt uit het vonnis niet te achterhalen. Het hof kan dat standpunt hoe dan ook niet bijtreden. In wezen is de voorlegging van het inschrijvingsbewijs slechts nuttig in combinatie met het attest. Behalve de verklaring te verkopen als particulier of een van de andere omstandigheden bedoeld in artikel 58, §4, 2° WBTW, moet met het inschrijvingsbewijs worden bevestigd dat de verkoop werkelijk uitgaat van iemand die het concrete voertuig op zijn naam had staan (en geacht wordt er eigenaar van te zijn geweest).

Bij gebrek aan combinatie van het attest dat bevestigt dat aan artikel 58, §4, 2° WBTW is voldaan met een eigendomsbewijs (zoals het inschrijvingsbewijs op naam van de leverancier) voldoet de geïntimeerde niet aan het vereiste bewijs.

De strengheid waarmee de appellant hier optreedt is wel degelijk gepast, gelet op de afwijking van de gewone btw-regeling die de geïntimeerde wil toepassen. Het valt trouwens op dat de geïntimeerde kennelijk goed op de hoogte was van de bewijsvereisten die door de appellant verwacht wordt (en duidelijk gemaakt is in de Aanschrijving nr. 2 van 2 januari 1995), nu hij met de door haar voorgelegde boekhouding bewijst in de andere gevallen wel degelijk de nodige stukken (attest + inschrijvingsbewijs) ter beschikking te hebben.

Anders dan wat de geïntimeerde inroept, is het niet aan de appellant, de belastingoverheid, om de inschrijvingsattesten op te vragen bij de Directie van de Inschrijving van de Voertuigen. De vraag om toepassing te maken van artikel 877 Ger.W. is dan ook ongegrond.

Het principaal hoger beroep is op dat onderdeel gegrond; het incidenteel hoger beroep is in dat verband ongegrond.

4.2. Over de aftrekbaarheid van de btw op basis van de facturen uitgereikt door Proximus

De appellant heeft de aftrek van btw geweigerd met betrekking tot de facturen die aan de geïntimeerde werden uitgereikt door Proximus.

Voor de aftrekbaarheid van btw volstaat het niet dat deze werd aangerekend op facturen die aan een btw-belastingplichtige met een werkelijke economische activiteit die aan de btw is onderworpen werden uitgereikt. Er is overeenkomstig artikel 45 WBTW ook nog vereist dat de prestaties waarvoor de btw is aangerekend op die economische activiteit (met zijn belastbare handelingen) betrekking hebben.

Het komt aan de belastingplichtige, hier de geïntimeerde, toe om daarvan het bewijs te leveren.

Het is terecht dat de appellant verwacht dat de bijlagen worden voorgelegd waarvan het algemeen geweten is dat ze door Proximus (en andere telecomproviders) worden bijgevoegd om toe te lichten op welke door deze leverancier verrichte prestaties ze betrekking hebben. De appellant heeft zonder die bijlagen niet kunnen nagaan of de onderliggende prestaties betrekking hebben op de economische activiteit van de geïntimeerde. In die omstandigheden werd de aftrek met reden verworpen.

4.3. Over het aankoopborderel voor de personenwagen Audi Rs6 … van…

Volgens de koopovereenkomst van 29 december 2017 die werd voorgelegd bij de controle en die werd opgenomen in de boekhouding bedroeg de aankoopprijs 65.000,00 euro.

De controleagent heeft op 14 mei 2020 een vraag om inlichtingen verstuurd naar de heer X, verkoper van de wagen.

In zijn antwoord van 21 mei 2020 verklaarde de heer X dat de verkoopprijs (slechts) 55.000,00 euro bedroeg, ondersteund met de betalingsbewijzen.

Op de vraag aan de heer X of de handtekening die staat op de koopovereenkomst die de geïntimeerde in haar boekhouding opnam, zijn handtekening was, verklaarde hij dat dit zeker niet het geval was.

Het klopt, zoals de geïntimeerde benadrukt, dat de heer X een volmacht had verleend aan een vriend bij de overdracht van de wagen (omdat hij net naar het buitenland vertrok), maar terecht stelt de appellant dat het niet deze vriend was die de verkoopovereenkomst ondertekend heeft. Er is immers geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de heer X dat hij zelf (kennelijk een andere) koopovereenkomst ondertekend heeft (zonder er een kopie van te krijgen), meer bepaald toen hij terug was uit het buitenland.

Er valt in alle redelijkheid geen reden te bedenken waarom de heer X, die kennelijk als particulier optrad, er belang kan bij hebben gehad om te verklaren dat hij slechts 55.000 euro ontving, terwijl hij in werkelijkheid 10.000 euro meer zou hebben ontvangen.

In die omstandigheden heeft de appellant met reden vastgesteld dat de verkoopovereenkomst die door de geïntimeerde werd opgenomen in de boekhouding, niet deze is die namens of door de verkoper, de heer X, getekend is, en een onjuiste aankoopprijs vermeldt, zodat ze vals is.

De geïntimeerde tracht nog te bewijzen dat de prijs die zij betaalde voor dat voertuig toch 65.000,00 euro bedroeg. Zij legt in dat verband stukken voor die diverse opnames van cash geld aantonen (tweemaal 2.500 euro op 20 december 2017, 2.400 euro op 21 december 2017 en 2.450 euro op 27 december 2017, zijnde samen 9.850 euro). Daarmee bewijst de geïntimeerde evenwel niet dat het om geld gaat om een voorschot van 10.000 euro aan de heer X te betalen. De heer X heeft verklaard (kennelijk zonder dat naar die details gevraagd werd) dat de verkoop op één dag gebeurde: de zaakvoerder van de geïntimeerde zou hem gebeld hebben toen hij op de luchthaven was, klaar om naar het buitenland te vertrekken, waardoor hij zijn vriend moest afvaardigen om de verkoop onmiddellijk te kunnen afhandelen. Dat er in de voorgaande dagen al een voorschot zou zijn betaald, is niet alleen onwaarschijnlijk maar in elk geval met niets bewezen.

De appellant kon in die omstandigheden de toepassing van de winstmargeregeling weigeren

en het normale btw-regime toepassen op de (door)verkoop door de geïntimeerde.

Deze grief van het incidenteel hoger beroep is dus ongegrond.

4.4. Over het aankoopborderel voor de personenwagen Porsche 997

De controleagent heeft voor die aankoop een vraag om inlichtingen gesteld aan de leverancier, de heer V. d. V.. Deze bezorgde de originele verkoopovereenkomst van 26 april 2018 waaruit blijkt dat die wagen Porsche voor 47.000 euro verkocht werd aan de zaakvoerder van de geïntimeerde.

De geïntimeerde legt een attest van 10 mei 2018 voor met betrekking tot hetzelfde voertuig. Dat attest vermeldt niet aan wie verkocht werd (wat gebruikelijk is) en levert op zich dus nooit het bewijs van een verkoop aan de geïntimeerde (ook niet aan haar zaakvoerder); zoals gewoonlijk vermeldt dat attest ook geen prijs. Met reden laat de appellant gelden dat het betreffende attest een andere (overigens onleesbare) handtekening bevat dan de handtekening van de heer V. d. V. (op de door hem voorgelegde originele verkoopovereenkomst).

De geïntimeerde heeft dat voertuig op 23 mei 2018 doorverkocht (verkoopfactuur 27 aan Pluscars.be (BE06...4) voor 51.000,00 euro (met toepassing van de winstmargereling).

In het verkoopdagboek werd de aankoop door de geïntimeerde ingeschreven met een aankoopprijs van 50.000,00 euro (terwijl die aankoopprijs volgens de heer V. d. V. 47.000 euro was).

Afgezien van het feit dat van de aankoop door de geïntimeerde (aan iemand voor wie de voorwaarden uit artikel 58, §4, 20 WBTW gelden) geen stuk voorligt, blijkt duidelijk dat het attest een valse handtekening bevat en de aankoopprijs niet correct werd opgenomen in de boekhouding.

De geïntimeerde stelt dat de handtekening op het document die van een gevolmachtigde tussenpersoon is. Afgezien van het feit dat daarover verder niets verduidelijk wordt, blijkt dat de verkoper kennelijk de heer V. d. V. was en dat het attest opgemaakt is op naam van de heer V. d. V. maar ondertekend werd door iemand anders die zich wilde uitgeven voor die persoon (zelf), wat in strijd was met de werkelijkheid en dus een valsheid was.

De appellant kon in die omstandigheden de toepassing van de winstmargeregeling weigeren en het normale btw-regime toepassen op de (door)verkoop door de geïntimeerde.

Ook deze grief van het incidenteel hoger beroep is dus ongegrond.

4.5. Over de boete van 200% (principaal en incidenteel hoger beroep

De eerste rechter heeft die boete verminderd tot 100%.

Anders dan waar de geïntimeerde van uitgaat, heeft die boete van 200% wel degelijk betrekking op handelingen die door haar gesteld zijn met het oogmerk de belasting te ontduiken. Om de gunst van de winstmargeregeling te kunnen gebruiken, heeft de geïntimeerde zich immers van valse stukken bediend (zie hoger).

Artikel 70 WBTW voorziet voor de betreffende overtredingen een geldboete van 200%. De boete is dus onbetwistbaar in overeenstemming met de wet opgelegd.

Met de geïntimeerde moet worden aangenomen dat de betreffende boete een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM. Het hof kan die boete met volle rechtsmacht beoordelen.

4.5.1. Over de vereiste om kwijtschelding aan de Minister van Financiën te hebben gevraagd

De appellant overweegt dat het Hof van Cassatie (ooit) aangenomen heeft dat het hof niet over de nodige rechtsmacht zou beschikken om een beoordeling te maken van de omvang van de boete om reden dat dit een voorrecht is van de Minister van Financiën op grond van het Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831, of minstens indien - zoals hier - de belastingplichtige (de geïntimeerde) nagelaten heeft om op grond van dat Regentsbesluit een verzoek tot de Minister te richten.

Artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 verleent een genaderecht aan de uitvoerende macht (de Minister van Financiën). De uitoefening van de toetsingsbevoegdheid die de rechter heeft om op grond van artikel 6.1 EVRM met volle rechtsmacht over een administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van dat artikel te oordelen, is geen dergelijk genaderecht. De uitoefening van die toetsingsbevoegdheid door de rechter, houdt dus niet in dat hij zich in de plaats stelt van de uitvoerende macht en een genaderecht uitoefent.

Die vereiste van toetsing met volle rechtsmacht, vervat in artikel 6.1 EVRM, is niet afhankelijk van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete heeft ingediend (vgl. Cass. 24 maart 2023, rolnr. F.21.0056.N, via wwwjuportal.be).

4.5.2. Concrete beoordeling met volle rechtsmacht

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, WBTW te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen (o.a. het hoger geciteerde Cass. 24 maart 2023, rolnr. F.21.0056.N, via www.iuportal.be).

Er is in deze zaak geen reden om de boete te verlagen, laat staan kwijt te schelden.

Het doel van de boete is om zowel (mede maatschappelijk) te vergoeden, het laakbare gedrag te bestraffen, als voldoende af te schrikken zodat herhaling in de toekomst vermeden wordt.

De fraude in hoofde van de geïntimeerde is bewezen (zie hoger). Uit het dossier blijkt dat de geïntimeerde zeer goed wist dat en hoe ze het gebruik van de winstmargeregeling moest toepassen. Het opstellen van attesten die, met gebruik van valse handtekeningen, tot doel hebben de gunst van de winstmargeregeling te bekomen en de winstmarge (ernstig) te beperken, geeft blijk van immoreel gedrag. Niet in het minst drukt het een misprijzen uit van de democratische waarden die (zelfs in een stelsel van liberaal kapitalisme) o.a. veronderstellen dat ieder zijn bijdrage levert aan de gemeenschap om de middelen te verschaffen die de overheid nodig heeft om zijn dienstverlening aan de bevolking waar te maken.

Inzake btw moet er bovendien mee rekening worden gehouden dat de belastingplichtige een sleutelfiguur is bij het opstellen van de documenten die toelaten de juiste belasting vast te stellen en de betaling ervan mogelijk te maken. De belastingplichtige die blijk geeft van gebrek aan besef van de verantwoordelijkheid die daarmee gepaard gaat, moet op voldoende wijze tot de orde (en besef) worden geroepen.

Niets laat toe aan te nemen dat de geïntimeerde over (slechts) beperkte financiële middelen zou beschikken.

Om ervan zeker te zijn dat de sanctie haar doelstellingen bereikt, is het nodig de boete op het tarief van 200% te behouden.

In die omstandigheden is ook een bestraffing met uitstel (geheel of gedeeltelijk) niet dienstig; alleen een effectieve boete voor het geheel zal het gewenste effect kunnen hebben.

Het principaal hoger beroep is op dat vlak dan ook gegrond, terwijl het incidenteel hoger beroep in dat verband moet worden afgewezen.

5. De gerechtskosten

5.1. De.gerechtskosten voor de eerste aanleg

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in eerste aanleg dragen.

5.1.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

5.1.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

Aangezien de appellant in het gelijk wordt gesteld, maar in eerste aanleg niet door een advocaat werd vertegenwoordigd/bijgestaan, is er geen reden om voor die aanleg een rechtsplegingsvergoeding vast te stellen.

5.2. De .gerechtskosten voor het hoger beroep

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

5.2.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

5.2.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 7.500,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De geïntimeerde is voor de procedure in hoger beroep aan de appellant een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 7.500,00 euro.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het principaal en incidenteel hoger beroep zijn beide ontvankelijk;

 het principaal hoger beroep is gegrond en het incidenteel hoger beroep is ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart;

 het hof doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde volledig ongegrond;

 het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de

beide instanties, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant:

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 22,00 EUR

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.500,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde (maar haar ten laste blijvend):

 bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 28 november 2023.

Aanwezig:

D. V., kamervoorzitter, alleenrechtsprekend

J. D., griffier

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, Fiscaal - zesde burgerlijke kamer

Vonnis van 02/05/2022

Rol: 20/3408/A

In de zaak van :

I. C. BV, KBO 06...57, met zetel te ...,

eisende partijj hebbende als raadsman mr. V. B. D., advocaat te ...;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur Generaal — Directeur

van het KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas,

Driekoningenstraat 4, KBO 0308.357.159,

verwerende partijj voor wie optreedt mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur;

Beslist de rechtbank als volgt :

I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 4 april 2022. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het neergelegd gedinginleidende verzoekschrift van 14 december 2020 en de conclusies van partijen.

II. DE VORDERING

Eiseres vordert in 'syntheseconclusies' de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:

"Dienvolgens:

1.Het proces-verbaal, opgesteld op 27 oktober 2020 door de heer X, Attaché bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, KMO Centrum Aalst Controle 10, waarvan de kantoren gevestigd waren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 en vanaf 1 juli 2020 verbonden aan het KMO Centrum Aalst, Controle 7, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde, Begijnhoflaan 49, geheel te horen vernietigen, dan wel van onwaarde te horen verklaren;

2.De btw-vordering, opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikelnummer 50...61, geheel te horen vernietigen;

3.Te horen zeggen voor recht dat [eiseres] de middels voormeld proces-verbaal en brief van 10 november 2020 met weergave van de bij innings- en invorderingsbericht gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan [eiseres] terug te betalen, meer de moratoire interesten.

Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding t.b.v. 6.520,00 EUR, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in overeenstemming met artikel 1022 Ger. W. t.b.v. 6.500,00 EUR en de bijzondere bijdrage t.b.v. 20,00 EUR als griffiekosten."

Verweerster vordert in synthesebesluiten de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren en vervolgens:

"De vordering van eiser(s) af te wijzen;

De eiseres veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal tot regularisatie;

Eiseres tot de kosten te veroordelen."

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1.De bvba I. C., eiseres, is gevestigd te ... en sinds 18 januari 2017 geregistreerd als btw-plichtige onder het nummer BE06...57 voor de economische activiteit van detailhandel in auto's en lichte bestelwagens.

2.Op 30 januari 2020 heeft de fiscale administratie bij brief een controle aangekondigd voor 3 maart 2020 betreffende de periode van 18 januari 2017 tot 31 december 2018.

3.Op 3 maart 2020 werd een fiscale controle uitgevoerd op de maatschappelijke zetel van eiseres. De fiscale ambtenaren werden ontvangen door de heer P. P., fiscaal raadgever, en door de heer G. A., zaakvoerder van bvba I. C..

4.Bij de controle werden onregelmatigheden vastgesteld. Deze werden opgenomen in een minnelijke inregelstelling die op 31 juli 2020 werd verstuurd naar eiseres. Een kopij werd overgemaakt aan de fiscaal raadgever, de heer P. (stuk 2 verwerende partij).

5.In een e-mail van 7 augustus 2020 vraagt de heer P. uitstel om te

antwoorden tot 10 september 2020. Dit uitstel werd hem toegestaan.

6.Bij e-mail van 9 september 2020 heeft de heer P. een aantal documenten bezorgd en enkele opmerkingen geformuleerd in verband met de correctieopgave van 31 juli 2020.

7.Op 10 september 2020 werd een aangepaste minnelijke inregelstelling opgestuurd naar eiseres en een kopij naar de fiscaal raadgever, de heer P. .

8.In zijn antwoorden bij e-mail van 25 september 2020 en 9 oktober 2020 antwoordt de fiscaal raadgever niet akkoord te gaan met de minnelijke inregelstelling van 10 september 2020 en met betrekking tot de bijlage 01 ervan stelt hij (stuk 5 verwerende partij):

In verband met de ontbrekende attesten en ontbrekende inschrijvingsdocumenten bij DIV akkoord te kunnen gaan met een forfaitaire boete van 2.500,00 EUR;

- In verband met de vervalste aankoopborderellen: eiseres ontkent dat het hier een vervalsing zou zijn van de aankoopborderellen en stelt een minnelijke schikking voor om 10.000 EUR omzet te belasten;

- Dat een gevolmachtigde tussenpersoon heeft opgetreden bij de aankoop van één van deze wagens en dat de verschillende attesten door elkaar zijn geraakt.

9.Aangezien de ernst van de vastgestelde overtredingen kon de fiscale administratie niet instemmen met de voorgestelde minnelijke schikking van eiseres.

10.De vastgestelde overtredingen werden opgenomen in een proces-verbaal op 27 oktober 2020.

11.Dit proces-verbaal werd tevens op 27 oktober 2020 ter kennis gegeven aan eiseres.

12.In dit proces-verbaal d.d. 27 oktober 2020 werden de inbreuken opgenomen tegen de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur, met betrekking tot de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge bedoeld in artikel 58, § 4 W.BTW en inbreuken op artikel 53, § 1, eerste lid, 2° en 3° en artikel 53octies, § 1, eerste lid (derde lid tot 31.12.2012) W.BTW en artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, in verband met de aangegeven omzet.

Ingevolge deze inbreuken zijn volgende bedragen verschuldigd:

a) als belasting over de toegevoegde waarde: 45.606,30 EUR;

b) de proportionele geldboeten zijn wettelijk gelijk aan het dubbel van de verschuldigde rechten op grond van 70, §1 en 70, §1bis W.BTW.

- Overtredingen opgenomen in de rubriek I, rubriek II.A.a en rubriek B van dit proces-verbaal:

In uitvoering van artikel 1 en artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, tabel H, tabel G, eerste afdeling, rubriek IV en rubriek V wordt de boete verminderd en afgerond tot: 2.140,00 EUR.

- Overtredingen opgenomen in rubriek II.A.b van dit proces-verbaal:

Overeenkomstig artikel 1, laatste alinea, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten kunnen de wettelijke boeten niet worden verminderd ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken.

Dit oogmerk is volgens de fiscale administratie duidelijk aanwezig omdat eiseres opzettelijk documenten heeft vervalst om de winstmarge en de inkomsten van bepaalde handelingen bewust verborgen te houden voor de administratie. Het verborgen houden van de beroepsinkomsten heeft tot doel de belastingplichtige, ten nadele van de Schatkist, een ongeoorloofd voordeel te bezorgen.

Verschuldigde boete : 48.372,90 EUR

Totaal verschuldigde boete: 50.512,90 EUR (2.140,00 EUR + 48'.372,90 EUR).

c) als interesten, van rechtswege verschuldigd bij toepassing van artikel 91 §1 van het Btw-Wetboek te berekenen op 45.600,00 EUR aan 0,8 pct. per maand vanaf 21 januari 2019.

Deze schuld is gekend onder het RCIV-nummer 500233603961.

13. Op 14 december 2020 legde eiseres een verzoekschrift ter griffie neer van

deze rechtbank.

IV. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.

Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

2. Ten gronde

Inzake de facturen Proximus

2.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerster het recht op aftrek heeft verworpen omdat eiseres geen details van de Proximus-facturen heeft voorgelegd.

2.2.

Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen ten aanzien van de btw geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten moet de belastingplichtige op grond van artikel 3, § 1, 10, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 53decies, § 2, van W.BTW., waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit

nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

2.3.

De rechtbank merkt op dat de facturen van dergelijke leveranciers inderdaad een bepaald model van facturatie hanteren doch dat er steeds een gedetailleerd overzicht van de kosten kan worden gedownload of worden opgevraagd. Meestal wordt het gedetailleerde overzicht in bijlage aan de factuur gehecht. Dat is een algemene bekendheid.

2.4.

Nu eiseres geen gedetailleerd overzicht heeft voorgelegd van de gefactureerde sommen kan verweerster niet nagaan of deze kosten al of niet verband houden met de economische activiteit. De bewijslast rust op eiseres.

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster op een correcte wijze toepassing heeft gemaakt van artikel 5, §1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 (inzake btw) betreffende de verplichte vermeldingen op de factuur.

Het recht op aftrek van de btw op deze Proximus-facturen werd dan ook terecht geweigerd.

De grief van eiseres is ongegrond.

Inzake de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge

2.6.

Artikel 58, § 4, van W.BTW bepaalt dat een bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door belastingplichtige wederverkopers van toepassing is op door hen verrichte leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, overeenkomstig de volgende bepalingen:

"1° als belastingplichtige wederverkoper wordt aangemerkt de belastingplichtige die in het kader van zijn economische activiteit gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten

koopt, voor bedrijfsdoeleinden bestemt of invoert met het oog op wederverkoop, ongeacht of die belastingplichtige optreedt voor eigen rekening dan wel, ingevolge een overeenkomst tot aan- of verkoop in commissie, voor rekening van een derde; (...)"

Het koninklijk besluit nr. 53 van 23 december 1994 met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, genomen in uitvoering van artikel 58, § 4, van W.BTW, voorziet in bepaalde uitvoeringsmodaliteiten.

Artikel 3 luidt:

De belastingplichtige wederverkopers stellen, onder de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden, de maatstaf van heffing voor leveringen van goederen die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge vast voor elk aangiftetijdvak. De belastingplichtige wederverkoper dient jaarlijks een inventaris op te maken van de voorraad goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge. De maatstaf van heffing voor leveringen van goederen waarop hetzelfde tarief van de belasting van toepassing is, is de totale winstmarge van de belastingplichtige wederverkoper, verminderd met het bedrag van de belasting die in dezelfde winstmarge is begrepen.

De totale winstmarge voor elk aangiftetijdvak, uitgezonderd voor het laatste aangiftetijdvak van het jaar, is gelijk aan het verschil tussen:

 het totale bedrag van de leveringen van goederen die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge en die tijdens het tijdvak door de belastingplichtige wederverkoper verricht zijn; dat bedrag is gelijk aan het totaal van de verkoopprijzen;

 en het totale bedrag van de door de belastingplichtige wederverkoper tijdens het tijdvak verrichte aankopen van goederen bedoeld in artikel 58, § 4, 2', van het Wetboek, waarvan de leveringen door personen of belastingplichtigen vermeld in die bepaling voldoen aan de voorwaarden gesteld in die bepaling en, indien van het keuzerecht bedoeld in artikel 58, § 4, 4°, van het Wetboek, gebruik wordt gemaakt, van goederen gekocht of ingevoerd in de omstandigheden

bedoeld in die laatste bepaling; dat bedrag is gelijk aan het totaal van de aankoopprijzen.

De totale winstmarge voor het laatste aangiftetijdvak van het jaar is gelijk aan het verschil tussen:

 het totale bedrag van de verkoopprijzen van de leveringen van goederen die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge en die tijdens het jaar door de belastingplichtige wederverkoper zijn verricht;

 en het totale bedrag van de aankoopprijzen van de goederen die tijdens hetzelfde jaar door de belastingplichtige wederverkoper met toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge zijn geleverd, verhoogd met het bedrag van de winstmarges die reeds werden aangegeven voor de vorige aangiftetijdvakken van hetzelfde jaar.

Indien de totale winstmarge met betrekking tot het laatste aangiftetijdvak van het jaar een negatieve marge is, doet dit geen recht op overdracht van die marge naar een volgend jaar ontstaan.

In 'Aanschrijving nr. 2 van 2 januari 1995' worden de toepassingsvoorwaarden en de toepassingsmodaliteiten toegelicht met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge bedoeld in artikel 58, § 4, van W.BTW.

Artikel 58, § 4, van W.BTW. kan slechts worden toegepast indien de belastingplichtige wederverkoper voldoet aan de voorwaarden en modaliteiten die voor de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge zijn gesteld.

De bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge kan door de belastingplichtige wederverkoper slechts worden toegepast op voorwaarde dat hij:

1° een aankoopborderel uitreikt aan zijn leverancier om de aankoop van de bedoelde tweedehandse vervoermiddelen bij die leverancier vast te stellen, behoudens indien deze er zelf toe gehouden is hem een factuur of een als zodanig geldend stuk uit te reiken;

2° kan bewijzen, door alle middelen van het gemene recht doch uitgezonderd de eed, dat zijn leverancier één van de personen is opgesomd onder nr. 8 en dat deze geen enkel recht op vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het vervoermiddel dat hij verkoopt aan de belastingplichtige wederverkoper;

3° een kopie bewaart van het inschrijvingsbewijs van het vervoermiddel in de gevallen waar overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs is vereist;

4° een aankoopregister houdt met de aankopen van de tweedehandse vervoermiddelen;

5° een vergelijkingsregister houdt;

6° de tweedehandse vervoermiddelen die hij koopt individualiseert;

7° voor de verkopen van tweedehandse vervoermiddelen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, een afzonderlijke boekhouding voert of, indien hij geen afzonderlijke boekhouding voert, deze handelingen inschrijft in afzonderlijke kolommen in zijn boek voor uitgaande facturen en in zijn dagboek van ontvangsten.

2.7.

De rechtbank stelt vast dat volgens vaststelling II. A. van het proces-verbaal van 27 oktober 2020 voor een aantal uitgaande handelingen het inschrijvingsbewijs en/of attest betreffende de hoedanigheid van de leverancier niet zijn voorgelegd voor een bedrag van 20.740,25 EUR aan btw.

2.8.

Eiseres dient met betrekking tot de margeregeling in artikel 58, §4 W.BTW aan te tonen dat aan de voorwaarden met betrekking tot de aard van het goed, de hoedanigheid van de verkoper en de hoedanigheid van de vorige gebruiker is voldaan. De rechtbank merkt op dat er geen betwisting bestaat over de aard van het goed en de hoedanigheid van de verkoper.

Verder dient eiseres aan te tonen dat aan de voorwaarde met betrekking tot de vorige gebruiker werd voldaan. Eiseres mag dit bewijs leveren door alle middelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed.

Verweerster werpt op dat er een verplichting bestaat tot het neerleggen van een attest om de hoedanigheid van de vorige gebruiker aan te tonen.

Hiervoor verwijzen zij naar Aanschrijving nr. 2/1995 met betrekking tot de belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse vervoermiddelen.

2.9.

Eiseres argumenteert dat wanneer de belastingplichtige wederverkoper kiest om geen attest voor te leggen, het toegestaan is dat hij overeenstemmende stukken voorlegt. Er bestaat immers geen verplichting tot het neerleggen van dergelijk attest, het maakt louter één der elementen uit die tot het bewijs kunnen bijdragen.

Deze overeenstemmende stukken waren bij de controle aanwezig zodat geen navordering kan worden verantwoord. Bijgevolg is de boekhouding volledig bewijskrachtig en kan per wagen nagegaan worden van wie en voor hoeveel hij werd aangekocht en eventueel later werd verkocht.

Ten slotte stelt eiseres dat deze 'Aanschrijving nr. 2/1995' met betrekking tot de belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse vervoermiddelen een louter administratieve richtlijn is die, voor haar niet bindend is.

2.10.

De rechtbank merkt op dat de hierboven genoemde aanschrijving geen andere bedoeling en draagwijdte heeft dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of verder toe te lichten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

De rechtbank is echter van oordeel dat zij een dergelijke administratieve aanschrijving niet kan negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden verkeren, een gelijke behandeling garanderen.

2.11.

De rechtbank stelt dat deze aanschrijving o.m. voorschrijft om een kopie te bewaren van het inschrijvingsbewijs van het vervoermiddel in de gevallen waar overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs is vereist.

Daar eiseres tweedehandsvoertuigen aankoopt en verkoopt, welke een zeer fraudegevoelige sector is — dit is een algemene bekendheid — is een inschrijvingsbewijs geen overbodige luxe. Het inschrijvingsbewijs is immers het `identiteitsbewijs' bij uitstek van een voertuig.

In het voorliggende geschil dient de rechtbank vast te stellen dat van de 15 verkopen aan eiseres, weerhouden door verweerster, er 11 verkopen waren zonder inschrijvingsbewijs. De rechtbank is van oordeel dat de enkele verkoopfactuur, zonder de voorlegging van een inschrijvingsbewijs, geen afdoende bewijs is om te voldoen aan de verplichting inzake de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge.

2.12.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster dan ook terecht 11 verkopen, met name uitgaande handelingen waarvan het inschrijvingsbewijs niet zijn voorgelegd, heeft weerhouden. De 4 andere uitgaande handelingen werden volgens de rechtbank afdoende bewezen zodat verweerster deze ten onrechte niet heeft aanvaard. Hiervoor dient dan ook een rechtzetting van de btw te gebeuren.

Inzake de aankoopborderel: personenwagen Audi Rs6

2.13.

De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de vaststellingen die werden gemaakt door de fiscale administratie. Des te meer daar er geen reden is om de verklaring van dhr. M. in vraag te stellen. Zijn verklaring dat het voertuig voor 55.000,00 EUR op 14 mei 2020 werd verkocht aan eiseres (stuk 10 verwerende partij) gaat lijnrecht in tegen het bedrag dat in de boekhouding werd opgenomen.

Verweerster heeft terecht de nodige rechtzettingen op btw-vlak gedaan.

Inzake de aankoopborderel: personenwagen Porsche 997

2.14.

De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de vaststellingen die werden gemaakt door de fiscale administratie.

2.15.

Eiseres stelt daarentegen terecht dat dit bewijs vanwege verweerster meer dient in te houden dan enkel de verklaring dat een aankoopborderel zou uitgaan van een verkeerde persoon of dat deze verkeerd werd ingevuld. Dit begin van bewijs dient door de verweerster gestaafd te worden door andere stukken.

2.16.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerster dient aan te tonen dat de margeregeling niet van toepassing is omdat de voorwaarden niet zouden zijn vervuld. Dit is volgens de rechtbank niet gebeurd.

Verweerster heeft dan ook onterecht de winstmargeregeling niet toegepast. Hiervoor dient dan ook een rechtzetting van de btw te gebeuren.

Inzake de proportionele geldboete

2.17.

Hieronder worden de wettelijke bepalingen weergegeven inzake de

proportionele geldboete.

Overeenkomstig artikel 70 §1 W. BTW bedraagt de fiscale geldboete tweemaal het bedrag van de rechten.

Artikel 84, derde lid W.BTW bepaalt:

Binnen de door de wet gestelde grenzen, wordt het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

in uitvoering van de artikelen 70 en 84 W.BTW werd het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW getroffen.

Artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW luidt:

De schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is bepaald :

1° voor overtredingen begaan v66r 1 november 1993 in tabel A, en voor overtredingen begaan na 31 oktober 1993 in tabel G van de bijlage bij dit besluit, ten aanzien van overtredingen beoogd in artikel 70, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;

2° tot 6' (...)

De in de tabellen A tot J van de bijlage bij dit besluit opgenomen schaal is echter niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Artikel 4, § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW bepaalt dat het totale bedrag van de geldboeten wordt afgerond naar de lagere EUR of het tiental EUR naargelang het kleiner of groter is dan 250 EUR.

Tabel G, eerste afdeling, rubriek I, punt 2, A) van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 stelt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW vast.

2.18.

De rechtbank stelt vast dat de fiscale geldboeten niet werden verminderd omdat de overtredingen volgens verweerster werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken. Zo heeft eiseres opzettelijk documenten vervalst om de winstmarge en de inkomsten van bepaalde handelingen bewust verborgen te houden voor de fiscale administratie.

2.19.

De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, www.cass.be).

Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden. Artikel 70 W.BTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).

2.20.

Uit de omstandigheden en de gedane vaststellingen blijkt duidelijk dat eiseres voor bepaalde verkopen de winstmarge doelbewust voor de fiscale administratie heeft verborgen. Anderzijds heeft de rechtbank niet alle verkopen die door de verweerster werden beschouwd als 'frauduleus' aanvaard.

Nu de fiscale administratie een boete van 200% heeft opgelegd in het voorliggende geschil is dit disproportioneel met de begane btw-inbreuken. In het voorliggende geschil werd een boete van 50.512,90 EUR opgelegd. Alhoewel er getwijfeld kan worden aan de 'goede' bedoelingen van eiseres is de rechtbank van oordeel dat een gedeeltelijke kwijtschelding opportuun is.

2.21.

De rechtbank heeft redenen om in het voorliggende geschil deadministratieve geldboete van 200% te milderen tot 100%. Op deze wijze is het proportionaliteitsprincipe gewaarborgd en is de opgelegde boete evenredig met de inbreuken en met het doel van een administratieve geldboete.

Zelfs indien de wet zou voorzien in de mogelijkheid om de boete met uitstel op te leggen, dan nog zijn er volgens de rechtbank geen redenen om dit uitstel te verlenen. Alleen een werkelijke sanctie, boete aan 100%, kan het gewenste doel bereiken.

Besluit

2.22.

Alle meeromvattende en strijdige argumenten worden verworpen als niet ter zake dienend.

Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiseres gedeeltelijk gegrond en wordt de administratieve geldboete herleid tot 100%, en dient verweerster rechtzettingen van de btw te doen overeenkomstig het bepaalde in het randnummer 2.12. en 2.16.

V. GERECHTSKOSTEN

1.De kosten omvatten in de onderliggende zaak de bijdrage voor de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (artikel 1018, 8° van het Gerechtelijk Wetboek) en de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6° juncto artikel 1022 Ger. W.).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2.Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;

- de vordering van eiseres ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in volgende mate;

- de administratieve geldboete (van 200%) te herleiden tot 100%,

- de herberekening te bevelen van de bedragen opgenomen in het proces-verbaal van 27 oktober 2020 (alsook de btw-invordering aan te passen) overeenkomstig het bepaalde in de randnummers 2.12. en 2.16. rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;

- voor het overige de btw-invordering met RCIV-nummer 50...61 te bevestigen;

- de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;

- de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren;

- te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 20,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 2 mei 2022, waar aanwezig waren : de heer T. L., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw T. D. Z., griffier.

Aangehaalde teksten

9
WBTW art. 5814 voorkomens
WBTW art. 705 voorkomens
KB nr. 3 art. 33 voorkomens
KB nr. 41 art. 13 voorkomens
KB nr. 41 art. 43 voorkomens
KB nr. 1 art. 182 voorkomens
WBTW art. 912 voorkomens
KB nr. 1 art. 51 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8