Tekst van de beslissing
ARREST C 07/1
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 16.02.2007
Volle rechtsmacht
Het Hof van Beroep vermindert een BTW-boete van 200% naar redelijkheid tot 50%.
Het Hof van Cassatie oordeelt dat de bodemrechter niet om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in boeten kan kwijtschelden of verminderen.
Commentaar
Het Hof van Cassatie oordeelt dat de bodemrechter de wettelijkheid van opgelegde sancties mag onderzoeken en mag nagaan of sancties verzoenbaar zijn met dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van algemene rechtsbeginselen. De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag nagaan of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de geldboete. Hierbij mag hij acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Het toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve interpretatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige of om loutere redenen van opportuniteit en tegen wetelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. Zo strekt de bevoegdheid van de rechter volgens het Hof van Cassatie niet verder dan die van de administratie.
Ook het Arbitragehof koppelt de bevoegdheid van de rechter aan die van de administratie. Zie bv. inzake toepassing van artikel 221 §1 van de algemene wet inzake douane en accijnzen, het arrest 8/2007 van 11 januari 2007 op www.arbitrage.be: " B.7.2. De ontstentenis van een bevoegdheid van de strafrechter die gelijkwaardig is aan diegene die door artikel 263 van de AWDA is toegekend aan de administratie is evenwel niet verenigbaar met artikel 6.1. van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met het algemeen beginsel van het strafrecht dat vereist dat niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter. " Deze formulering houdt de mogelijkheid toch nog open dat de bevoegdheid van de rechter ruimer zou zijn dan deze van de administratie. Deze laatste visie is wellicht in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak 'Sylvester's Horeca Services/ België' waarin gesteld werd dat een rechter met volle rechtsmacht behoort te kunnen oordelen over boeten met een strafrechtelijk karakter, hetgeen betekent dat hij de betwisting in al haar aspecten vermag te onderzoeken, zowel feitelijke als juridische en dat hij over de macht moet beschikken de beslissing ook daadwerkelijk te wijzigen (E.H.R.M. 4 maart 2004, F.J.F., 2004, afl. 6, p. 528.).
Auteur : J. Schrijvers - Tiberghien advocaten
Nr. F.05.0015.N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te ..., voor wie optreedt de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Gent II, met kantoor te ...,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
tegen
K.E.,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.
Voorzitter I.V. heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal D.T. heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 70, §1, 72 en 84 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (B.T.W.-Wetboek), het artikel 70, §1, zoals aangevuld bij de wet van 28 december 1992, en het artikel 84, inzonderheid het derde lid zoals ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986;
- artikel 1, inzonderheid het laatste lid, in de tekst voor en na de wijziging bij koninklijk besluit van 21 oktober 1993, van toepassing met ingang van 1 november 1993, naargelang de tekst voor en na deze datum op de opgelegde boete toepasselijk is, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde;
- voor zoveel als nodig de tabel A in de bij dit koninklijk besluit nr. 41 aangehechte bijlage.
Aangevochten beslissingen
Het arrest, statuerend op het incidenteel beroep van de eiser wat de opgelegde en door de eerste rechter verminderde boete betreft,
"Verklaart dit incidenteel beroep gedeeltelijk gegrond
Verklaart deels gegrond het verzet van (de verweerder) tegen het dwangbevel (RCIV nr. 297.0130.29996-dwangb. nr. 147/97) uitgevaardigd door G.D.C. , ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Gent, op 10.3.1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12.3.1997 door A.T., hoofdcontroleur a.i. van de BTW-controle te Zelzate, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent.
Vernietigt dit dwangbevel in de mate waarin het voor de geldboete een hoger bedrag vaststelt dan 47.082 BEF (thans 1167,13 euro).
Beveelt de terugbetaling van het eventueel teveel geïnde meer de gerechtelijke verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van betaling zo deze volgt op de aanmaning bij het gerechtsdeurwaardersexploot van 1.4.1997, zoniet vanaf deze aanmaning",
en verwijst de eiser in de helft van de kosten, op grond van de volgende motivatie:
"De boete aan (de verweerder) opgelegd in toepassing van artikel 70, §1, BTW-Wetboek is een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955). Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het hof bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen ...
Te dezen moet worden vastgesteld dat een boete van 200 pct. onevenredig is met de door (de verweerder) begane inbreuken, en dient te worden herleid tot redelijke proporties. ln dit verband dient er op gewezen dat (de verweerder) zich toch bewust schuldig gemaakt heeft aan fraudepraktijken, dit over een periode van vier jaar. Het bedrag van de ontdoken BTW bedraagt 94.163 BEF (thans 2.334,24 euro). Een boete van 47.082 BEF (thans 1.167,13 euro), hetzij 50 pct. van de ontdoken rechten is in redelijkheid gerechtvaardigd".
Grieven
In artikel 70, §1, van het BTW-Wetboek wordt voorgeschreven: "Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting".
In artikel 84 van hetzelfde wetboek wordt voorzien in een schaal van proportionele fiscale boeten, waarvan de trappen door de Koning zijn vastgesteld. Tot uitvoering daarvan wordt in het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en in de daaraan gehechte bijlage een schaal met verminderde boeten vastgelegd. In het laatste lid van artikel 1 van dit koninklijk besluit wordt evenwel voorgeschreven dat deze tabellen niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
De administratie heeft tot opdracht deze voorschriften toe te passen.
Deze toepassing gebeurt onder toezicht van de rechterlijke macht. De rechter aan wie dit geschil wordt voorgelegd mag de wettelijkheid van de toegepaste sanctie onderzoeken, en nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de algemene beginselen van het recht, en met de dwingende eisen van internationale verdragen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of de administratie naar redelijkheid kan overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
Dit toetsingsrecht houdt echter niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit of op grond van zijn subjectieve appreciatie, tegen de wettelijke voorschriften in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. De controle van de evenredigheid maakt deel uit van de wettigheidscontrole, en mag niet gelijkgesteld worden met een subjectieve appreciatie van eventuele verzachtende omstandigheden.
In het arrest wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat verweerder "zich bewust schuldig gemaakt heeft aan fraudepraktijken, dit over een periode van vier jaar". Ingevolge het voorschrift artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 20 januari 1987, was de toepassing van een verminderde boete in casu derhalve uitgesloten.
Nochtans wordt door het arrest de opgelegde boete herleid tot 50 pct. van de ontdoken rechten, op de enige motivatie dat "een boete van 200 pct. onevenredig is met de door (de verweerder) begane inbreuken" terwijl "50 pct. van de ontdoken rechten in redelijkheid (is) gerechtvaardigd".
In het arrest wordt geen enkel feit aangevoerd waarop dit argument van redelijkheid gesteund is. Deze uitspraak is aldus enkel gesteund op de subjectieve appreciatie van de appelrechters, hetgeen het afwijken van een formeel wettelijk voorschrift niet kan verantwoorden.
Besluit
De door het arrest besliste vermindering van de opgelegde boete is bijgevolg onverenigbaar met de voormelde voorschriften, zodat het arrest deze voorschriften schendt (schending van al de in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Krachtens artikel 70, §1, van het BTW-Wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.
Krachtens artikel 84 van dat wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Krachtens artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
2. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
3. De appelrechter oordeelt dat de boete van 200 pct. " onevenredig is met de door (de verweerder) begane inbreuken en dient herleid tot redelijke proporties" en stelt vervolgens vast dat " (de verweerder) zich toch bewust schuldig heeft gemaakt aan fraudepraktijken, dit over een periode van vier jaar". Hij oordeelt op grond van die gegevens " dat een boete van 47.082 BEF (thans 1.167,13 euro), hetzij 50 pct. van de ontdoken rechten in redelijkheid gerechtvaardigd is".
Uit die gegevens kon de appelrechter niet afleiden dat de opgelegde boete onevenredig was en moest verminderd worden tot 50 pct. van de ontdoken rechten.
4. Het middel is gegrond.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Zonder acht te slaan op de memorie van antwoord waarvan geen bewijs van voorafgaande betekening wordt bijgebracht,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de geldboete en de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter I.V., als voorzitter, afdelingsvoorzitter E.F., en de raadsheren L.H., P.M. en E.S., en in openbare terechtzitting van 16 februari 2007 uitgesproken door voorzitter I.V., in aanwezigheid van advocaat-generaal D.T., met bijstand van griffier P.V.G.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
3Rechtspraak
32België
32Hof van CassatieF.21.0056.N24.03.2023
Fiscale geldboete, Evenredigheid, Genaderecht, fiscale boete
Hof van CassatieF.12.0121.F11.09.2014
Administratieve geldboete, Proportionaliteit, bevoegdheid van de rechter, Vermindering, evenredigheid
Grondwettelijk Hof15.05.2008