Procesverloop
2 stappen · 2 jaar 10 maanden- Bestreden beslissingHof van beroep te Bergen16.03.2016
- Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België17.01.2019
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 17.01.2019 (F.16.0130.F)
WF 703-15-11/007934
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde - Proportionele fiscale geldboeten – Evenredigheidsbeginsel - Bevoegdheid van de rechter om de opgelegde boete te verminderen
Wetgeving
WBTW: artikelen 70 §1bis en 84
Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831: artikel 9
Samenvatting
a.Voorafgaandelijke feiten
1.Betrokkene werd een geldboete van 200% opgelegd ingevolge het met fraudeleus oogmerk onrechtmatig uitoefenen van het recht op aftrek.
Er werd geen verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 9 van het Regentbesluit ingediend door de overtreder.
Het vonnis van de eerste rechter, die het standpunt van de administratie bevestigde, werd in beroep gedeeltelijk hervormd, de geldboeten werden verminderd tot 100%.
Volgens het hof van beroep mag de rechter, in het kader van een toezicht met volle rechtsmacht, net als de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde krachtens artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1931, de vermindering of kwijtschelding toestaan voor de fiscale geldboeten die een strafrechtelijk karakter zouden hebben in de zin van artikel 6 van het EVRM. Het hof van beroep beriep zich tot staving van haar beslissing op het arrest nr. 79/2008 van 15 mei 2008 van het Grondwettelijk Hof (http://www.const-court.be; Fisconetplus).
2.In haar hogere voorziening stelde de Belgische Staat dat, gezien de inbreuk begaan werd met de intentie om fraude te plegen, de administratie – die een gebonden bevoegdheid uitoefent – de geldboete voorzien in artikel 70, § 1bis WBTW moet toepassen.
Volgens de Belgische Staat, kan de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde de geldboete enkel verminderen of kwijtschelden indien door de overtreder een verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 9 van het Regentbesluit werd ingediend. De discretionaire beoordelingsbevoegdheid m.b.t. fiscale geldboeten inzake btw, die volgt uit deze wetsbepaling bestaat niet in de fase dat de fiscale geldboete wordt opgelegd.
De hogere voorziening voert aan dat het hof van beroep een foutieve uitlegging heeft gegeven aan het arrest nr. 79/2008 van 15 mei 2008 van het Grondwettelijk Hof en dat het bijgevolg ten onrechte heeft beslist dat het toetsingsrecht met volle rechtsmacht de rechter moet toestaan om de geldboete te verminderen of kwijt te schelden net zoals de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde dat kunnen overeenkomstig artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
Dit arrest van het Grondwettelijk Hof kan enkel betrekking hebben op het toetsingsrecht van de rechter op de administratieve beslissing tot weigering van de kwijtschelding of vermindering van de fiscale geldboete ingevolge het verzoekschrift van de belastingschuldige maar niet op de beslissing tot het opleggen van de geldboete aan de overtreder door de administratie (vgl. overweging B.6.2 van dit arrest).
b.Arrest van het Hof van Cassatie
3.Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat bij gebrek aan een dergelijk verzoekschrift tot kwijtschelding van de geldboeten op grond van artikel 9 van het Regentbesluit, de rechter geen vergelijkbare bevoegdheden kan uitoefenen bij het vaststellen van de geldboete die lager is dan het wettelijk tarief.
Opmerkingen
Dit arrest kadert in de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie die de bevoegdheden van de rechter in het kader van een evenredigheidscontrole duidelijk heeft afgebakend (z. bijvoorbeeld Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, Fisconetplus).
De draagwijdte van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 79/2008 moet beperkt worden tot de hypothese dat de administratie gevat werd door een verzoekschrift tot kwijtschelding van de geldboeten op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
Artikel 9 heeft de bevoegdheid om fiscale geldboeten kwijt te schelden enkel toegekend aan de Minister van Financiën. De discretionaire beoordelingsbevoegdheid inzake fiscale geldboeten die het gevolg is van deze wetsbepaling, bestaat niet in de fase dat de fiscale geldboete wordt opgelegd.
Enkel wanneer een verzoekschrift werd ingediend kan de rechter in het kader van een evenredigheidstoetsing het bedrag van de geldboete verminderen.
Buiten deze gevallen, staat de uitoefening van een controle met volle rechtsmacht de rechter niet toe, om in het kader van een evenredigheidstoetsing, geldboeten te verminderen of kwijt te schelden. Het feit dat deze geldboeten een strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 van het EVRM hadden heeft hierop geen invloed.
De standpunt van de administratie is nu dus definitief bekrachtigd door het Hof van Cassatie, waardoor een einde komt aan de controverse die gevoed werd door een bepaalde rechtsleer (z. bijvoorbeeld M. Moris, “le pouvoir d’appréciation du juge en matière d’amendes fiscales”, R.G.C.F., 2007/5, p. 369 ev).
Er moet worden opgemerkt dat artikel 6 van het EVRM, in principe, enkel van toepassing is in strafzaken.
De beslissing van de Minister van Financiën of van zijn gedelegeerde ingevolge het verzoekschrift tot kwijtschelding of vermindering van geldboeten inzake btw, beoogd niet het opleggen van een sanctie. De betwisting van deze beslissing tot behoort het genaderecht en niet tot geschillenfase.
Tekst van het arrest
Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Arrêt de la Cour de cassation du 17.01.2019 (F.16.0130.F)
ÉTAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet est établi à Bruxelles, rue de la Loi, 12, demandeur en cassation représenté par Maître G. d. F., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à …, …, où il est fait élection de domicile,
contre
L. D., avocat au bureau de Charleroi, dont le cabinet est établi à .., …., agissant en qualité de curateur à la faillite de la société anonyme I. O.
I.La procédure devant la Cour
Le pourvoi en cassation est dirigé contre l'arrêt rendu le 16 mars 2016 par la cour d'appel de Mons.
Le 26 décembre 2018, le premier avocat général A. H. a déposé des conclusions au greffe.
Le président de section M. R. a fait rapport et le premier avocat général A. H. a été entendu en ses conclusions.
Il.Les moyens de cassation
Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme,. le demandeur présente deux moyens.
III.La décision de la Cour
Sur le premier moyen :
Quant à la première branche :
En vertu de l'article 79, § 1erbis, du Code .de la taxe sur la valeur ajoutée, quiconque a déduit indûment ou abusivement la taxe encourt une amende égale au double du montant de cette taxe.
Suivant l'article 84, alinéa 3, de ce code; dans les limites prévues par la loi, le montant des amendes fiscales proportionnelles est réduit selon une échelle dont les graduations sont déterminées par le Roi.
L'article 1er, dernier alinéa, de l'arrêté royal n° 41 du. 30 janvier 1987 fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée dispose que l'échelle de réduction des amende fiscales proportionnelles n'est pas applicable en cas d’infractions commises dans l’intention d'éluder ou de permettre d'éluder la taxe.
Si, aux termes de l'article 9 de l'arrêté du Régent n° 78 du 18 mars 1831 organique de l’administration des finances, le ministre des Finances statue sur les réclamations ayant pour objet la remise et d’augmentations de droits à titre d’amendes, autres que celles prononcées par le juge, il ne s’ensuit pas qu’à défaut d’un tel recours, le juge puisse exercer de telles prérogatives en fixant l’amende proportionnelle pour fraude fiscale e, deçà du tarif légal.
Le droit d’accès à un juge garanti par l’article 6.1 de la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales n’a pas pour effet de conférer ce pouvoir au juge.
L’arrêt considère que, la défenderesse « ayant obtenu indûment la déduction de la taxe, [le demandeur] a appliqué, par une motivation adéquate en droit (par référence aux règles légales applicables) et en fait, une amende de …. Euros égales au double de la taxe conformément à l’article 70, § 1erbis, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, sans application de l’échelle de réduction des amendes prévue au tableau H de l’annexe de l’arrêté royal n° 41 du 30 janvier 1987, s’agissant d’infractions commises dans l’intention d’éluder l’impôt ou de permettre d’éluder l’impôt ».
Après avoir énoncé que « les amendes en matière de taxe sur la valeur ajoutée […] constituent une sanction à caractère au sens de l’article 6 de la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales […] ; qu’en conséquence , le juge doit pouvoir exercer un contrôle de pleine juridiction sur l’amende infligée par l’administration », l’arrêt considère « que le contrôle de pleine juridiction doit permettre au juge de réduire ou de supprimer l’amende au même titre que le ministre des Finances ou son délégué en, vertu de l’arrêté du Régent du 18 mars 1831 » et que, « dans la mesure où le ministre des Finances ou, par délégation, le direction régional de la taxe sur la valeur ajoutée dispose du pouvoir de remettre ou de réduire les amendes fiscales infligées par leur administration dans le cadre du recours prévu par l’article 9 de l’arrêté du Régent du 18 mars 1831, le juge saisi doit pouvoir apprécier la proportionnalité de la sanction à la gravité de l’infraction et, par voie de conséquences, supprimer ou réduire l’amende infligée ».
Par ces considérations, d’où il ne ressort pas que le ministre des Finances ou son délégué a été saisi par la société I. O. d’un recours sur la base de l’article 9 de l’arrêté du Régent n° 78 du 18 mars, l’arrêt ne justifie pas légalement sa décision que, « même si l’assujetti est de mauvaise foi ; il y a lieu de tenir compte […] de la lauteur déjà infligée en matière d’impôts sur les revenus et de ramener l’amende fiscale en matière de taxe sur la valeur ajoutée à 100 p.c. de la taxe sur la valeur ajoutée déduite à tort à reverser au trésor ».
Le moyen, en cette branche, est fondé.
Et il n’y a pas lieu d’examiner les autres griefs, qui ne sauraient entraîner une cassation plus étendue.
Beschikkend gedeelte
Par ces motifs,
La Cour
Casse l’arrêt attaqué en tant qu’il réduit les amendes dues en vertu de l’article 70, § 1erbis, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée et qu’il statue sur les dépens ;
Ordonne que mention du présent arrêt sera faite en marge de l’arrêt partiellement cassé ;
Réserve les dépens pour qu’il soit statué sur ceux-ci par le juge du fond ;
Renvoie la cause, ainsi limitée, devant la cour d’appel de Liège.
Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles, où siégeaient le président de section C. S., président, le président de section M. R., les conseilleurs M. L., S. G. et A. J., et prononcé en audience publique du dix-sept janvier deux mille dix-neuf par le président de section C. S., en présence du premier avocat général A. H., avec l’assistance du greffier P. D. W.
Signatures
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
38België
38Hof van CassatieF.21.0172.F02.03.2023
Proportionele geldboeten, Evenredigheid
Hof van Cassatie13.03.2020
Proportionele fiscale geldboeten, Administratieve sancties met een repressief karakter
Hof van beroep te Bergen2024/RG/35217.06.2026