Fiscale geldboeten, Controlebevoegdheid van de rechter, Opportuniteitsbeoordeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie 30 november 2006

Zoeken

Fiscale geldboeten, Controlebevoegdheid van de rechter, OpportuniteitsbeoordelingFiscale geldboeten – Controlebevoegdheid van de rechter – Opportuniteitsbeoordeling – Uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling

https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboeten-controlebevoegdheid-rechter-cassatie-brussel-2006-11-30-75bf

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Datum
30 november 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

79 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 30.11.2006 (F.05.0086.F - F.05.0102.F)

Fiscale geldboeten - Controlebevoegdheid van de rechter - Opportuniteitsbeoordeling - Uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling

Samenvatting

Het staat aan de rechter te beoordelen of een administratieve sanctie met repressief karakter in de zin van art. 6 E.V.R.M. niet onevenredig is met de inbreuk en te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid een administratieve sanctie van zodanige omvang mocht opleggen, maar hij kan echter niet om loutere redenen van opportuniteit of tegen wettelijke regels in de geldboeten kwijtschelden of verminderen.

Wetgeving

B.T.W.-Wetboek, art. 45, § 2 - B.T.W.-Wetboek, art. 70, § 1 - B.T.W.-Wetboek, art. 70, § 1bis - B.T.W.-Wetboek, art. 84, derde alinea - K.B. 41 - art. 6 E.V.R.M.

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 30.11.2006

F.05.0086.F - F.05.0102.F

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Nr. F.05.0086.F

H.C.S.G., besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

Mr. J.K., advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën,

Mr. F.T., advocaat bij het Hof van Cassatie.

Nr. F.05.0102.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. F.T., advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

H.C.S.G., besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 27 januari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

(...)

B. In de zaak F.05.0102.F.

De eiseres voert in haar memorie twee middelen aan.

1. Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 70, 72 en 84 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid artikel 70, § 1 en 1bis, zoals ze werden ingevoegd bij de wet van 27 december 1977 en artikel 84, derde lid, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986, zoals ze van toepassing waren ten tijde van de feiten;

- artikel 1, inzonderheid laatste lid, zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 oktober 1993, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde;

- tabel H in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987;

- artikel 33, tweede lid, van de Grondwet;

- algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten;

- artikel 9 van het organiek besluit van de Regent nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest neemt aan dat "uit de foto's in het dossier blijkt dat de Chrysler Voyager Crew Cab eruitziet als een luxebreak waarmee zowel personen als goederen kunnen worden vervoerd" en de " de bewoordingen van de reclame van de constructeur, die met name de vijf echte passagiersplaatsen prijst, evens duidelijk blijkt dat het niet om zuivere bedrijfsvoertuigen gaat", zodat "de litigieuze voertuigen wel degelijk vallen onder artikel 45, §2, eerste lid, van het B.T.W.-Wetboek", met wijziging van het beroepen vonnis, stelt het "de geldigheid (vast) van het dwangbevel dat op 22 december 1999 ten laste (van verweerster) is uitgereikt en op 23 december 1999 geviseerd, uitvoerbaar verklaard en betekend is", maar beslist niettemin dat de oorspronkelijke vordering van de verweerster gegrond is betreffende de kwijtschelding van de boete, en, bijgevolg, veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten, op grond dat "hier blijkt dat (de verweerster) het slachtoffer is geworden van de reclame van de constructeur Chrysler, aangezien aan haar zijde geen kwade trouw is bewezen, zodat de vordering tot opschorting van de boete van 10 pct. gegrond moet worden verklaard".

Grieven

Krachtens artikel 70 van het B.T.W.-Wetboek, verbeurt ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geldboete gelijk aan een veelvoud of een breuk van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid, krachtens hetwelk voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan een veelvoud of een breuk van de niet betaalde belasting.

Volgens artikel 84 van dat wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Ter uitvoering van die bepaling stelt het koninklijk besluit nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, schalen vast voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten die het minimum van de wettelijke sanctie vormen. Met betrekking daartoe heeft de ambtenaar die de boete heeft opgelegd geen enkele beoordelingsvrijheid en kan hij de door die reductieschaal vastgelegde wettelijke boete niet aanpassen. Die schaal is echter niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Aan de hand van die reductieschaal kunnen de in artikel 70, § 1bis, van het B.T.W.-Wetboek bedoelde overtredingen gestraft worden met een boete gelijk aan 10 pct. van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting (artikel 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 41, samengelezen met tabel H van de bijlage bij dat besluit). Iedere rubriek in elk van de tabellen vormt een bijzondere reductie die enkel van toepassing is op de daarin omschreven onregelmatigheden en er kunnen geen lagere percentages worden gehanteerd dan die welke daar uitdrukkelijk vermeld staan.

In de gevallen die artikel 70, §1bis, van het B.T.W.-Wetboek beoogt en die niet zijn begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, beschikt de administratie over geen enkele beoordelingsmarge waarmee zij de boete volledig kan kwijtschelden of een andere boete toepassen dan die welke in de tabel is vastgelegd. Zo niet schendt zij die bepaling, alsook artikel 84, derde lid, van dat wetboek en artikel 1, eerste lid, 2°, en tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 41, én het bepaalde in tabel H van de bijlage bij dat besluit.

Belastingschuldigen kunnen weliswaar verzet doen tegen het dwangbevel van de met de invordering belaste ambtenaar, maar de rechter die verzocht wordt de krachtens artikel 70 van het B.T.W.-Wetboek opgelegde sanctie te toetsen, kan de wettigheid van die sanctie onderzoeken en, inzonderheid, nagaan of die sanctie in overeenstemming is met de wet, de algemene beginselen van intern recht en met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en, in zoverre, nagaan of de sanctie niet onevenredig is met de inbreuk en onderzoeken of de administratie naar redelijkheid een administratieve boete van zodanige omvang mocht opleggen.

Maar die toetsingsbevoegdheid houdt niet in dat hij mag afwijken van de bij de wet opgelegde schaal en het oplegde bedrag mag verminderen, zo niet schendt hij de artikelen 70 en 84 van het B.T.W.-Wetboek, 1 van het koninklijk besluit nr. 41 en het bepaalde in tabel H van de bijlage bij dat besluit.

Overigens verbieden artikel 33, tweede lid, van de Grondwet en het beginsel van de scheiding der machten dat de rechter een rechtsregel die hij moet toepassen wijzigt. Door echter een vermindering toe te staan van de boete die al was vastgesteld op het wettelijke minimum onder hetwelk niet mag worden gegaan, of door de boete gewoonweg kwijt te schelden, ongeacht de reden daarvoor, miskent de rechter het beginsel van de scheiding der machten en schendt hij voornoemde grondwettelijke bepaling.

Afgezien daarvan, behoort het persoonlijke recht van de Minister van Financiën om een kwijtschelding of een vermindering van fiscale boetes te staan, dat vergelijkbaar is met een gratierecht, uitsluitend tot de bevoegdheid van de uitvoerende macht en kan het niet worden gelijkgesteld met verzachtende omstandigheden, in de zin van artikel 100 van het Strafwetboek, die door de rechter worden beoordeeld en die hij in aanmerking kan nemen. Dienaangaande mag de rechter zijn beoordeling niet in de plaats stellen van de bij de wet bepaalde straf die is toegepast door de Minister van Financiën of diens gemachtigd ambtenaar, zonder dat hij heeft vastgesteld dat de administratie naar redelijkheid geen administratieve boete van zodanige omvang mocht opleggen. Indien de rechter dit niet in acht neemt, schendt hij, eens te meer, het beginsel van de scheiding der machten. Het organiek besluit van de Regent nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, verleent, in zijn artikel 9, dat nog steeds van toepassing is ondanks artikel 57 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, de Minister van Financiën een algemene bevoegdheid om de boetes kwijt te schelden en die bevoegdheid is niet overgedragen aan de rechterlijke macht. De rechter kan weliswaar de regelmatigheid van de boete toetsen, maar die bevoegdheid mag niet verward worden met die van de minister, die discretionair is, en die deze minister de mogelijkheid biedt om, uitspraak doende naar billijkheid en opportuniteit, desgevallend de bij het koninklijk besluit nr. 41 vastgestelde schaal niet toe te passen. Maar hoe dan ook impliceert de toetsingsbevoegdheid van de rechter inzake fiscale boetes geenszins dat de rechter die boeten om loutere subjectieve redenen van billijkheid of opportuniteit kan verminderen of kwijtschelden.

Het arrest, dat aanneemt dat de verweerster artikel 45, §2, van het B.T.W.-Wetboek, dat van toepassing is op de litigieuze voertuigen, niet heeft nageleefd, stelt niet vast dat de administratie de administratieve boete van 10 pct. van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting naar redelijkheid niet mocht opleggen, waarbij die 10 pct. het wettelijke minimum is dat wordt opgelegd bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en de bepalingen van de daarbij gevoegde tabel H. Het stelt enkel zijn subjectieve beoordeling van de wettelijk bepaalde sanctie in de plaats en beslist bijgevolg, hoewel die de rechterlijke macht daartoe niet bevoegd is, dat die minimale sanctie om redenen van billijkheid niet op verweerster mag worden toegepast, aangezien zij het slachtoffer is geworden van de reclame van de constructeur en zij de onrechtmatige aftrek niet ter kwade trouw heeft verricht.

De de door het arrest besliste opschorting van de fiscale boete die eiser overeenkomstig de wet heeft toegepast, is strijdig met het bepaalde in de artikelen 70, § 1 en 1bis, en 84, inzonderheid derde lid, van het B.T.W.-Wetboek, schendt artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en de bepalingen van de bij dat besluit gevoegde tabel H, miskent het beginsel van de scheiding der machten en schendt de overige in de aanhef van het middel aangewezen bepalingen.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De cassatieberoepen zijn tegen hetzelfde arrest gericht; er bestaat grond tot voeging.

B. In de zaak nr. F.05.0102.F:

Eerste middel

Luidens artikel 70, §1bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, verbeurt ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid.

Krachtens artikel 84, derde lid, van dat wetboek, wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, wordt het bedrag van de proportionele fiscale boeten die zijn vastgesteld in dat wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt, in de onderstelling dat de in artikel 70, §1bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde overtredingen niet zijn begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, een boete gelijk aan 10 pct. van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting, wanneer die belasting hoger is dan 1.250 euro.

De belastingschuldigen kunnen verzet doen tegen het door het door de met de invordering belaste ambtenaar uitgevaardigde dwangbevel.

De rechter die een administratieve sanctie met repressief karakter in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden moet toetsen, kan de wettigheid van die sanctie nagaan, en, meer bepaald, nagaan of zij verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen of van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Aangezien de rechter op grond van dat toetsingsrecht kan beoordelen of de sanctie niet onevenredig is met de inbreuk, kan hij onderzoeken of de administratie naar redelijkheid een administratieve sanctie van zodanige omvang mocht opleggen.

Die beoordelingsbevoegdheid impliceert niet dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit of tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Het arrest oordeelt dat de verweerster "het slachtoffer is geworden van de reclame van de constructeur Chrysler, aangezien aan haar zijde geen kwade trouw is bewezen, zodat de vordering tot opschorting van de boete van 10 pct. gegrond moet worden verklaard".

Louter op grond van die overweging, beslist het arrest niet naar recht de aan de verweerster opgelegde boete kwijt te schelden.

Het middel is gegrond.

De overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede middel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen A.R. F.05.0086.F en F.05.0102.F:

(...)

Uitspraak doende in de zaak F.05.0102.F:

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de verweerster gegrond verklaard in verband met de kwijtschelding van de boete en het uitspraak doet over de kosten;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Sylviane Velu en Philippe Gosseries, en in openbare terechtzitting van dertig november tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 844 voorkomens
KB nr. 41 art. 13 voorkomens
WBTW art. 703 voorkomens
WBTW art. 721 voorkomen

Rechtspraak

11

België

11

Rechtbank van eerste aanleg te Brussel24/1262/A05.06.2026

Fictieve factuur, recht op aftrek van Btw

Rechtbank van eerste aanleg te Brussel23/5501/A28.05.2026

Recht op aftrek, Onderaannemingskosten, recht op aftrek van Btw

Bekijk alle 11

Administratieve doctrine

2

« … van Financiën of zijn gedelegeerde, de opgelegde geldboete moet kunnen kwijtschelden of verminderen (overweging B.6.3 van dit arrest). Het Hof van Cassatie heeft de volgende principes inzake de proportionele geldboeten (zie inzonderheid de arresten van het Hof van Cassatie nr. F.05.0086.F en F.05.0102.F van 30.11.2006 , nr. C.04.0390.N van 16.02.2007, nr. F.05.0015.N van 16.02.2007, nr. C.07.0507.N van 13.02.2009, nr. F.06.0106.N van 13.02.2009, nr. F.10.0033.N van 08.04.2011) verduidelijkt: • de controle met volle rechtsmacht door de rechter van proportionele fiscale … »

Het geding (01.05.2023)Administratieve commentaar06.11.2023

Bekijk de 13 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8