Travaux immobiliers au sens de l’article 19, § 2, 3ième alinéa · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2026.0175 12 mai 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Travaux immobiliers au sens de l’article 19, § 2, 3ième alinéaTVA - Travaux immobiliers au sens de l’article 19, § 2, 3ième alinéa du C.TVA (y compris construction à l’exclusion du nettoyage) effectués aux complexes d’habitation pour l’hébergement de handicapés - Articles 37 et 38 du C.TVA Rubrique XXXIII du tableau A de l’annexe de l’AR no 20

https://juriel.be/fr/rulings/2026-0175-travaux-immobiliers-sens-article-19-6192

Numéro
2026.0175
Date
12 mai 2026

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

107 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2026.0175 dd. 12.05.2026

TVA · Travaux immobiliers au sens de l’article 19, § 2, 3ième alinéa du C.TVA (y compris construction à l’exclusion du nettoyage) effectués aux complexes d’habitation pour l’hébergement de handicapés · Articles 37 et 38 du C.TVA · Rubrique XXXIII du tableau A de l’annexe de l’AR n° 20

Résumé

La demande d’une décision anticipée est introduite au nom de l’association X et de l’association Y. Les deux associations sont reconnues par l’autorité compétente.

Les travaux immobiliers au sens de l’article 19, § 2, alinéa 3, du CTVA (y compris la construction mais à l’exclusion du nettoyage) et les autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe à l’AR TVA n° 20 qui concernent la construction d’un nouveau bâtiment dans lequel Y exploitera un centre de jour pour personnes en situation de handicap, sont soumis au taux réduit de TVA de 6 % conformément à la rubrique XXXIII du tableau A de l’annexe à l’AR TVA n° 20 pour ce qui concerne les espaces qui seront effectivement utilisés par Y pour ce centre de jour.

Les travaux immobiliers au sens de l’article 19, § 2, alinéa 3, du CTVA (y compris la construction mais à l’exclusion du nettoyage) et les autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe à l’AR TVA n° 20 qui concernent la construction d’un nouveau bâtiment dans lequel X exercera son activité, ne sont pas soumis au taux réduit de TVA de 6 % conformément à la rubrique XXXIII du tableau A de l’annexe à l’AR TVA n° 20 pour ce qui concerne les espaces qui seront effectivement utilisés par X pour son activité et ces travaux de construction sont par conséquent soumis au taux normal de TVA qui s’élève actuellement à 21 %.

Les travaux immobiliers au sens de l’article 19, § 2, alinéa 3, du CTVA (y compris la construction mais à l’exclusion du nettoyage) et les autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe à l’AR TVA n° 20 qui concernent les espaces communs (p. ex. les sanitaires) qui seront effectivement utilisés tant par Y que par X ne peuvent pas être soumis au taux réduit de TVA de 6 % conformément à la rubrique XXXIII du tableau A de l’annexe à l’AR TVA n° 20 et ces travaux de construction sont par conséquent soumis au taux normal de TVA qui s’élève actuellement à 21 %.

En ce qui concerne l’installation au premier étage du bâtiment nouvellement construit, sur la partie propre et délimitée à l’attention des personnes bénéficiant de l’accompagnement de jour de Y de la toiture-jardin (légère) (toit végétalisé « semi-intensif ») ou de la toiture-jardin (toit végétalisé « intensif »), la partie du prix des travaux qui concerne l’installation est soumise au taux réduit de TVA de 6 % conformément à la rubrique XXXIII précitée mais la partie de ce prix qui concerne la plantation est soumise au taux normal de TVA, sauf en cas d’éventuelle scission du prix pour cette plantation et la livraison des biens plantés lors de l’aménagement du jardin, en quel cas la plantation reste soumise au taux normal de TVA, mais le taux réduit de TVA de 6 % s’applique à la livraison des biens plantés conformément à la rubrique VII, alinéa 1er, du tableau A de l’annexe à l’AR TVA n° 20, à condition que ces biens plantés soient visés aux numéros 13 ou 14 de la rubrique VII précitée, alinéa 1er.

Texte de la décision

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag om een voorafgaande beslissing wordt ingediend in naam van vereniging X en vereniging Y. X is erkend en gesubsidieerd door de bevoegde overheid. Y is een door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (hierna “VAPH”) erkende en vergunde zorgaanbieder (VZA).

2. Y biedt begeleiding bij wonen, organiseert een ruim activiteitenaanbod en voorziet persoonlijke zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.

3. Y bouwt (haar deel van) een gloednieuw dagcentrum in locatie L in samenwerking met X dat ook in (haar deel van) dit nieuw opgericht (multifunctioneel) gebouw haar intrek zal nemen.

De aanvragers zullen elk apart optreden als bouwheer voor de ruimtes in het nieuw opgericht gebouw die ze zullen gebruiken voor hun activiteiten. Voor de gemeenschappelijke ruimtes zal X optreden als bouwheer.

4. X zal de bedoelde ruimtes die daartoe bestemd zijn, exploiteren in het kader van haar activiteiten. X is erkend en gesubsidieerd door de bevoegde overheid.

Y zal de bedoelde ruimtes die daartoe bestemd zijn, exploiteren in het kader van haar activiteiten inzake huisvesting van volwassenen met een verstandelijke beperking. Y is een door het VAPH erkende en vergunde zorgaanbieder (VZA).

5. De aanvragers zullen gezamenlijk gebruik maken van de gemeenschappelijke ruimtes.

6. De daktuin op de eerste verdieping van het nieuw opgericht gebouw bevat een eigen, afgebakend gedeelte voor de bewoners van Y.

II. Vraagstelling

7. Gelet op de argumentatie en motivering uiteengezet in het betreffende deel van de aanvraag om een voorafgaande beslissing, wensen de aanvragers het akkoord van de DVB te bekomen dat (i) het verlaagde btw-tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 geldt voor de werken aan het wooncomplex dat de aanvragers laten bouwen voor wat betreft de werken die betrekking hebben op de ruimtes die uitsluitend door Y effectief zullen worden gebruikt en dat (ii) het standaard btw-tarief, dat thans 21% bedraagt, van toepassing is voor wat betreft de bouwwerken die betrekking hebben op de ruimtes die niet of niet uitsluitend door Y gebruikt zullen worden en strekt deze aanvraag er aldus meer bepaald toe van de DVB de bevestiging te verkrijgen dat:

• de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid W.BTW (inclusief bouw dus maar met uitsluiting van het reinigen) en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6° van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 die betrekking hebben op de oprichting van een nieuw gebouw waarin Y een dagcentrum voor gehandicapten zal uitbaten, onderworpen zijn aan het verlaagde btw-tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 voor wat betreft de ruimtes die effectief door Y gebruikt zullen worden voor dit dagcentrum;

• de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid W.BTW (inclusief bouw dus maar met uitsluiting van het reinigen) en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6° van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 die betrekking hebben op de oprichting van een nieuw gebouw waarin X haar activiteit zal uitbaten, niet onderworpen zijn aan het verlaagde btw-tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 voor wat betreft de ruimtes die effectief door X gebruikt zullen worden voor haar activiteit en dat deze bouwwerken derhalve onderworpen zijn aan het standaard btw-tarief, dat thans 21% bedraagt;

• de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid W.BTW (inclusief bouw dus maar met uitsluiting van het reinigen) en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6° van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 die betrekking hebben op de gemeenschappelijke ruimtes (bv. sanitair) die effectief zowel door Y als door X zullen worden gebruikt, niet onderworpen kunnen zijn aan het verlaagde btw-tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20, en dat deze bouwwerken derhalve onderworpen zijn aan het standaard btw-tarief, dat thans 21% bedraagt.

III. Beslissing

Uit het door de DVB verrichte onderzoek blijkt wat volgt.

8. De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van de Wet van 24.12.2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

III.A. Algemeen: onroerende handelingen en beoogde personen

9. Kunnen het verlaagde btw-tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 genieten:

• de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid W.BTW (inclusief bouw dus maar met uitsluiting van het reinigen) en de andere met werken in onroerende staat gelijkgestelde handelingen, met name deze die uitdrukkelijk zijn opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6° van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20;

• de levering van ‘nieuwe gebouwen en het bijhorend terrein’ (het gaat om gebouwen die werden overgedragen uiterlijk op 31 december van het tweede jaar dat volgt op het jaar waarin de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van die gebouwen heeft plaatsgevonden) en de vestigingen, de overdrachten en de wederoverdrachten van zakelijke rechten op dergelijke onroerende goederen;

• de btw-lease overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, b) W.BTW, en;

• de in artikel 44, § 3, 2°, d) W.BTW bedoelde onroerende verhuur (optiestelsel).

Dit verlaagde btw-tarief van 6% is slechts van toepassing als gezamenlijk wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

• de hiervoor bedoelde onroerende handelingen moeten worden verricht aan wooncomplexen bestemd om te worden gebruikt voor huisvesting van gehandicapten (eerste toepassingsvoorwaarde);

• deze onroerende handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die een instelling beheert die op duurzame wijze, in dagverblijf, nachtverblijf of dag- en nachtverblijf (1), personen met een handicap huisvest en die om deze reden een tegemoetkoming geniet van een fonds of een agentschap voor personen met een handicap dat door de bevoegde overheid is erkend (2) (tweede toepassingsvoorwaarde), en;


[(1) Btw-Commentaar, editie 01.11.2025, Boekwerk II, Hoofdstuk 7, Afdeling 4, punt 10, titel B.]

[(2) Beslissing nr. E.T. 125.365 van 11.04.2014.]


• de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, maken melding van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van dit verlaagde btw-tarief rechtvaardigen en moeten wettelijk verplicht de vereiste uitgebreide standaardverklaring (3) bevatten. Als de afnemer het btw-tarief niet schriftelijk betwist binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de bedoelde factuur, is de dienstverrichter ontlast van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief (behalve in geval van samenspanning tussen de partijen).


[(3) “Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat de werken (1) worden verricht aan woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor huisvesting van gehandicapten en (2) worden verstrekt en gefactureerd aan een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die een instelling beheert die op duurzame wijze, in dagverblijf, nachtverblijf of dag- en nachtverblijf, personen met een handicap huisvest en die om deze reden een tegemoetkoming geniet van een fonds of een agentschap voor personen met een handicap dat door de bevoegde overheid is erkend. Wanneer minstens één van die voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten.”]


Voor de toepassing van het bedoelde 6%-tarief betreffende het verblijf van personen met een beperking, is er geen enkele vereiste of beperking wat de ouderdom van de bedoelde wooncomplexen betreft.

Het bedoelde 6%-tarief is geenszins van toepassing op:

• reinigingswerken (§ 1 van voornoemde rubriek XXXIII);

• werk in onroerende staat (inclusief bouw) en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning (bebouwingswerkzaamheden of tuinaanleg (4) en oprichten van afsluitingen) (§ 2 van voornoemde rubriek XXXIII);


[(4) Omtrent de vraag of ‘groendaken en groengevels’ al dan niet onder de uitsluiting van “tuinaanleg” vallen, wordt verwezen naar de circulaire nr. 2017/C/25 van 24.04.2017.]


• werk in onroerende staat en andere handelingen die de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna’s, minigolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties tot voorwerp hebben (§ 2 van voornoemde rubriek XXXIII).

III.B. Toepassing in casu

III.B.1. Werken in onroerende staat betreffende de huisvesting in de sector van de huisvesting van personen met een beperking

III.B.1.1. Eerste toepassingsvoorwaarde: beoogde gebouwen

10. Het bedoelde 6%-tarief mag enkel worden toegepast op onroerende handelingen die betrekking hebben op wooncomplexen bestemd voor de huisvesting van personen met een beperking.

11. Dit 6%-tarief kan in elk geval slechts toepassing vinden voor onroerende handelingen verricht aan vertrekken (lokalen) die bestemd zijn voor de huisvesting van deze personen om te voldoen aan de vereisten van hun verblijf en van hun gemeenschappelijk leven.

Niet alleen de lokalen bestemd voor de eigenlijke huisvesting (appartementen, privékamers of gemeenschappelijke kamers, slaapzalen, etc.) zijn bedoeld, maar ook de andere plaatsen die worden gebruikt door de beoogde personen (restaurants, lees- of recreatiezalen, salons met bar of tv, studiezalen, bibliotheken voorbehouden aan de beoogde personen), evenals de lokalen bestemd voor het personeel ten dienste van de huisvesting (monitors, toezichters, verpleegkundigen, dienstpersoneel, etc.) en de technische lokalen (keukens, wasplaatsen, ziekenzalen, kelders, opslagplaatsen, bergplaatsen, e.a.) (5).


[(5) Btw-Commentaar, editie 01.11.2025, Boekwerk II, Hoofdstuk 7, Afdeling 4, punt 10, titel A in fine.]


Toepassing in concreto

12. Wat betreft deze eerste voorwaarde wordt vastgesteld dat in het nieuw op te richten gebouw geen slaapkamers zullen worden voorzien. De volwassenen zullen wel ’s morgens toekomen, een volledige dag in het dagcentrum worden opgevangen en ’s avonds weer vertrekken. Het dagcentrum zal in voorkomend geval dus wel degelijk dienstig zijn als verblijf aangezien deze personen er een volledige dag worden ondersteund, begeleid en opgevangen. Er is met andere woorden zeker sprake van een dagverblijf.

13. Y heeft als activiteit de uitbating van een instelling met huisvesting voor volwassenen met een verstandelijke beperking. Y biedt begeleiding bij het verblijf in de instelling, organiseert een ruim activiteitenaanbod en voorziet persoonlijke zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.

14. Het dagcentrum is erkend door het VAPH. De beoogde erkende dagcentra kunnen, ongeacht of zij al dan niet nachtverblijf verschaffen, het bedoelde 6%-tarief genieten, voor zover uiteraard de overige voorwaarden van voornoemde rubriek XXXIII vervuld zijn (6).


[(6) Btw-Commentaar, editie 01.11.2025, Boekwerk II, Hoofdstuk 7, Afdeling 4, punt 10, titel B; zie voor wat betreft het verblijfsaspect ook: Circulaire 2024/C/74 (E.T. 141.097) van 28.11.2024 betreffende de wijzigingen aangebracht aan het btw-wetboek en de koninklijke besluiten door de wet van 23.11.2023 en het koninklijk besluit van 17.12.2023, punt 2.11. , spec. punt 2.11.2.]


Tussenconclusie

15. Het nieuw op te richten dagcentrum is bestemd voor de verblijfsondersteuning van personen met een verstandelijke beperking, wat betekent dat ze in dat centrum zullen verblijven, omringd door professionele begeleiding.

De aanvrager brengt voldoende feitelijke elementen aan waaruit blijkt dat het project een instelling (wooncomplex) is die (dat) bestemd is om te worden gebruikt voor huisvesting (in casu dagverblijf) van personen met een beperking. Daarnaast wordt bevestigd dat Y een VAPH erkenning bezit als instelling voor de huisvesting van gehandicapten.

Aldus deelt de DVB de visie van de aanvragers dat in deze omstandigheden voldaan is aan de eerste voorwaarde van rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20.

III.B.1.2. Tweede toepassingsvoorwaarde: bestemming die de afnemers van de bedoelde onroerende handelingen moeten geven aan het wooncomplex

16. Het 6%-tarief voor bouwwerken aan wooncomplexen voor personen met een beperking die erkende instellingen voor gehandicaptenzorg laten bouwen, geldt slechts op voorwaarde dat de bouwwerken worden verstrekt en gefactureerd aan een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die een instelling beheert die op duurzame wijze, in dagverblijf, nachtverblijf of dag- en nachtverblijf, personen met een beperking huisvest en die om deze reden een tegemoetkoming geniet van een fonds of een agentschap voor personen met een handicap dat door de bevoegde overheid is erkend.

17. Door het Vlaamse subsidiebeleid is het niet de instelling zelf die wordt gesubsidieerd, maar wordt aan de personen die daar behoefte aan hebben, ondersteuning en zorg aangeboden middels een persoonsvolgend budget (PVB) dan wel rechtstreeks toegankelijke hulp (RTH).

Gebruikers met dagondersteuning met een PVB verkrijgen een budget op maat waarmee zij ondersteuning en zorg kunnen kopen.

Gebruikers met dagondersteuning die recht hebben op ondersteuning en zorg via RTH kunnen dit budget gebruiken voor beperkte, handicapspecifieke ondersteuning voor wie af en toe hulp nodig heeft. Voor RTH is geen erkenning als gehandicapte door het VAPH vereist. De VAPH instelling (voorziening) beslist autonoom of ze RTH aan een gehandicapte verstrekt. RTH (onder de vorm van begeleiding, dagopvang of kortverblijf, zonder erkenning als gehandicapte door het VAPH dus) is bovendien beperkt. Als zorgbehoevenden met een beperking meer ondersteuning nodig hebben, is een erkenning als gehandicapte door het VAPH vereist.

De toekenning van RTH is volgens de btw-administratie onvoldoende om de betrokken personen gelijk te stellen met gehandicapten die een tegemoetkoming genieten van het VAPH als bedoeld in voornoemde rubriek XXXIII, § 1, 2° (7).


[(7) Beslissing nr. E.T. 127.940 van 03.06.2015, onuitgegeven.]


18. De aanvrager verklaart dat Y erkend en vergund is door het VAPH als vergunde zorgaanbieder (VZA) voor volwassenen met een verstandelijke beperking.

Een vergunde zorgaanbieder (VZA) is een zorgaanbieder bij wie volwassenen vanaf 18 jaar terecht kunnen voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg of ondersteuning. Die zorg en ondersteuning kan worden betaald met het PVB.

19. De vergunde zorgaanbieder (VZA) Y werd recent voor onbepaalde duur vergund door het VAPH voor het bieden van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning aan personen met een beperking.

Het zijn de uit hoofde van hun lichamelijke of verstandelijke beperking gesubsidieerde personen die in principe de gebruikers van de beoogde instellingen dienen te zijn.

Deze erkenning laat Y toe ondersteuning en zorg te bieden aan volwassenen met een verstandelijke beperking en anderzijds hiervoor professionals aan te werven, van wie de loonkosten door het VAPH worden gesubsidieerd.

Het erkenningsbesluit van het VAPH voor Y en een relevant screenshot van de website van het VAPH werden ter inzage voorgelegd aan de DVB.

Deze erkenning zal volgens de aanvrager ook van toepassing zijn voor de werking van het nieuwe dagcentrum.

20. De aanvrager verklaart verder dat Y een door het VAPH erkende instelling is die ook vergund is om ondersteuning en zorg te bieden aan personen met een PVB of RTH.

Bij Y kunnen volwassenen met een verstandelijke beperking gebruik maken van hun PVB of RTH middelen.

De aanvrager benadrukt dat de overgrote meerderheid van de personen binnen de doelgroep die zullen worden opgevangen bij Y in haar dagcentrum te L, beschikken over een erkenning in de zin dat zij een budget toegekend krijgen van het VAPH voor de zogenaamde inkoop van ondersteuning en zorg in dit project, meer specifiek inzake dagverblijf. Dienaangaande heeft de minister van Financiën wel verduidelijkt dat een erkenning zonder uitkering al volstaat indien de gehandicapte op een wachtlijst staat voor een tussenkomst (8).


[(8) Mond. Vr. nr. 21856 DEVLIES 11.02 2014, Integraal Verslag, 11.02.2014, COM 924, 1.]


De bedoelde gebruikers met dagondersteuning zijn erkend als personen met een beperking en verkrijgen hiervoor van de overheid een financiële tegemoetkoming om hun dagverblijfskost bij Y te financieren.

RTH is bij Y volgens haar verklaringen zeer beperkt in vergelijking met PVB. Het zou om enkelingen gaan. Voor zover uiteraard alle overige toepassingsvoorwaarden zijn vervuld, aanvaardt de DVB dat de situatie waarbij het aantal door Y in dagopvang opgenomen personen met een beperking die recht hebben op ondersteuning via RTH, zeer beperkt te noemen is, niet onverenigbaar is met de toepassing van het bedoelde 6%-tarief.

Tussenconclusie

21. Op basis van voorgaande analyse, de verklaringen van de aanvrager en de voorgelegde stukken kan de DVB de visie van de aanvrager volgen dat ook aan de tweede toepassingsvoorwaarde is voldaan.

III.B.1.3. Derde toepassingsvoorwaarde: formaliteiten

22. De derde en laatste toepassingsvoorwaarde betreft tenslotte het naleven van de in § 1, 3° van rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 vermelde formaliteiten (cf. supra).

De aanvragers maken zich sterk dat zij deze formaliteiten zullen naleven.

Tussenconclusie

23. In deze omstandigheden kan ook geacht worden voldaan te zijn aan de derde voorwaarde.

III.B.2. Semi-intensief groendak (lichte daktuin) of intensief groendak (daktuin) (niet beperkt tot planten met oppervlakkige verworteling)

24. Aan de DVB werd meegedeeld dat op de eerste verdieping van het nieuw opgericht gebouw op het eigen, afgebakend gedeelte voor de gebruikers met dagondersteuning van Y een daktuin (een ‘intensief’ groendak) of een lichte daktuin (een ‘semi-intensief’ groendak) zal worden geïnstalleerd of aangeplant door een dakbegroener.

25. In geval van een ‘semi-intensief’ of ‘intensief’ groendak moet de kostprijs van deze werken met betrekking tot het eigen, afgebakend gedeelte van de daktuin (met onder meer bomen en struiken) voor de gebruikers met dagondersteuning van Y, worden uitgesplitst. Het deel van de prijs dat verband houdt met de installatie valt onder het 6%-tarief overeenkomstig voornoemde rubriek XXXIII, het deel van de prijs dat verband houdt met de aanplanting valt dan onder de uitsluiting voor ‘tuinaanleg’ en is onderworpen aan het standaard btw-tarief.

Het gedeelte van de prijs voor aanplanting is dus volgens de btw-administratie onderworpen aan het standaard btw-tarief (9) behalve bij een gebeurlijke opsplitsing van de prijs voor aanplanting en de levering van de aangeplante goederen bij de tuinaanleg, in welk geval de aanplanting onderworpen blijft aan het standaard btw-tarief maar het verlaagde btw-tarief van 6% van toepassing is op de goederenlevering bij die aanplanting overeenkomstig rubriek VII, eerste lid van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20, mits die aangeplante goederen beoogd zijn in cijfer 13 of 14 van voornoemde rubriek VII, eerste lid (10).


[(9) Circulaire nr. 2017/C/25 van 24.04.2017 betreffende het btw-tarief dat van toepassing is op werken in onroerende staat met betrekking tot groendaken en -gevels, punt 2.1.]

[(10) Circulaire nr. 2019/C/92 van 19.09.2019 betreffende het btw-tarief dat van toepassing is op bomen en planten die worden geleverd bij de aanleg en het onderhoud van tuinen, titel V, derde geval jo. titel X, rubriek E.E.]


Voornoemde rubriek VII, eerste lid voorziet in haar cijfer 13 of 14 een 6% btw-tarief voor:

• levende woudbomen, levende fruitbomen, -heesters en -struiken alsmede plantgoed daarvan;

• levende sierbomen, -heesters, -struiken en andere levende sierplanten; bollen, knollen, wortels en ander plantgoed voor de sierteelt.

Als ‘andere levende sierplanten’ kunnen worden genoemd: kamerplanten, éénjarige planten, vaste planten, waterplanten en gazon (gazonzoden, gazonrollen, … maar niet de gazonzaadjes die immers worden beoogd door cijfer 3 van voornoemde rubriek VII en dus niet onder dit 6%-tarief kunnen vallen).

IV. Conclusie

26. De werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid W.BTW (inclusief bouw maar met uitsluiting van het reinigen) en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6° van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 die betrekking hebben op de oprichting van een nieuw gebouw waarin Y een dagcentrum voor personen met een beperking zal uitbaten, zijn onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 voor wat betreft de ruimtes die effectief door Y gebruikt zullen worden voor dit dagcentrum.

27. De werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid W.BTW (inclusief bouw maar met uitsluiting van het reinigen) en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6° van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 die betrekking hebben op de oprichting van een nieuw gebouw waarin X haar activiteit zal uitbaten, zijn niet onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 voor wat betreft de ruimtes die effectief door X gebruikt zullen worden voor haar activiteit en deze bouwwerken zijn derhalve onderworpen aan het standaard btw-tarief, dat thans 21% bedraagt.

28. De werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid W.BTW (inclusief bouw maar met uitsluiting van het reinigen) en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6° van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 die betrekking hebben op de gemeenschappelijke ruimtes (bv. sanitair) die effectief zowel door Y als door X zullen worden gebruikt, kunnen niet onderworpen zijn aan het verlaagde btw-tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXXIII van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20 en deze bouwwerken zijn derhalve onderworpen aan het standaard btw-tarief, dat thans 21% bedraagt.

29. Wat betreft de installatie op de eerste verdieping van het nieuw opgerichte gebouw op het eigen, afgebakende deel voor de gebruikers met dagondersteuning van Y van de (lichte) daktuin ((‘semi-intensief’ groendak) of de daktuin (‘intensief’ groendak), is het deel van de kostprijs van de werken dat verband houdt met de installatie onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 6% overeenkomstig voornoemde rubriek XXXIII maar het deel van die kostprijs dat verband houdt met de aanplanting is onderworpen aan het standaard btw-tarief, behalve bij gebeurlijke opsplitsing van de prijs voor die aanplanting en de levering van de aangeplante goederen bij de tuinaanleg, in welk geval de aanplanting onderworpen blijft aan het standaard btw-tarief maar op de levering van de aangeplante goederen het verlaagde btw-tarief van 6% van toepassing is overeenkomstig rubriek VII, eerste lid van tabel A van de bijlage bij het Btw-KB nr. 20, mits die aangeplante goederen beoogd zijn in cijfer 13 of 14 van voornoemde rubriek VII, eerste lid.

Textes cités

3
CTVA art. 193 occurrences
CTVA art. 371 occurrence
CTVA art. 381 occurrence