Impôt des sociétés, Apport d'une branche d'activité exonéré · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2023.0956 16 janvier 2024

Rechercher
Texte en néerlandais

Impôt des sociétés, Apport d'une branche d'activité exonéréIMPÔT DES SOCIÉTÉS - Apport d'une branche d'activité exonéré - Scission partielle fiscalement neutre - Motifs économiques valables - Fraude ou évasion fiscale - Plus-values sur actions - Mesure anti-abus - DROITS D’ENREGISTREMENT - branche d’activité - TVA - Cession d’une branche d’activité

https://juriel.be/fr/rulings/2023-0956-impot-societes-apport-branche-activite-23b0

Numéro
2023.0956
Date
16 janvier 2024

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

119 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2023.0956 du 16.01.2024

IMPÔT DES SOCIÉTÉS · Apport d'une branche d'activité exonéré · Scission partielle fiscalement neutre · Motifs économiques valables · Fraude ou évasion fiscale · Plus‑values sur actions · Mesure anti‑abus

DROITS D’ENREGISTREMENT · branche d’activité

TVA · Cession d’une branche d’activité

Résumé

L’apport d’une activité distincte par la SA A dans une société récemment constituée NewCo, par lequel l’ensemble des actifs, des passifs et du personnel spécifiquement liés à cette activité sont transférés, peut être considéré comme un apport d’une branche d'activité ou d’une division professionnelle au sens de l’article 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, du CIR 92 en combinaison avec l’article 2, § 1er, 6°/2, b) et c), du CIR 92, et peut avoir lieu sous le régime de la neutralité fiscale tel que visé à l’article 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, du CIR 92. L’opération d’apport susmentionnée doit avoir lieu en application des articles 11 et 18, § 3, du C.TVA.

La scission partielle de la SA B, par laquelle certains biens immobiliers sont transférés à NewCo susmentionnée, répond aux dispositions de l'article 183bis du CIR 92 et peut avoir lieu sous le régime de la neutralité fiscale visée à l'article 211, § 1er, du CIR 92.

Le transfert des biens immobiliers dans le cadre de la scission partielle précitée sera imposé d’un droit d’enregistrement proportionnel au taux de 0 % par une application pure de l’article 115bis du C. enr. fédéral, avec toutefois une perception minimale égale au droit fixe général en application de l’article 167 du C. enr. fédéral.

La plus‑value que la SA A réalisera à l'occasion de la vente des actions ou parts de NewCo dans l'année suivant l'apport entre dans le champ d'application de l'article 192, § 1er, alinéa 1er, du CIR 92, étant donné que la période de détention minimale d'une année est remplie conformément à l'article 192, § 1er, alinéa 7, du CIR 92.

Le choix de l’ensemble des actes juridiques (apport d'une branche d’activité et scission partielle suivie d’une vente de toutes les actions ou parts de NewCo) se justifie par d’autres motifs que la volonté d’éviter les impôts sur les revenus au sens de l’article 344, § 1er, alinéa 3, du CIR 92 et ne constitue pas un abus fiscal au sens de l’article 344, § 1er, alinéa 1er, du CIR 92 et/ou l’article 18, § 2, du C. enr. fédéral.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt er toe de bevestiging te krijgen dat:

1.1. de voorgenomen inbreng van de x activiteiten door NV A behorende tot de Groep A in een nieuw op te richten vennootschap B kwalificeert als een fiscaal neutrale inbreng van een bedrijfsafdeling in de zin van artikel 46 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92) en valt onder de toepassing van artikelen 11 en 18, § 3 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.Btw);

1.2. de afsplitsing van de onroerende goederen gebruikt bij de exploitatie van de x activiteiten van de groep A, door NV C, de vastgoedvennootschap van de Groep A, in de nieuw op te richten vennootschap B kwalificeert als een fiscaal neutrale partiële splitsing in de zin van artikel 211 WIB 92 en valt onder de toepassing van artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek-, en Griffierechten (hierna W.Reg.);

1.3. de meerwaarde die NV A zou realiseren bij een latere verkoop van de aandelen in B vrijgesteld is op grond van artikel 192 WIB 92;

1.4. de voorgenomen inbreng en partiële splitsing, gevolgd door de verkoop van de aandelen B geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 344, § 1, WIB 92 met betrekking tot de toepassing van artikel 24 WIB 92 en artikel 18, § 2, federaal W.Reg. (Brussels Hoofdstedelijk Gewest).

II. Omschrijving van de verrichtingen

2. NV A is een exploitatievennootschap binnen de Groep A met verschillende activiteiten. NV A was in het verleden belastingbetalend en heeft geen overgedragen fiscale aftrekken.

3. NV A bezit reeds geruime tijd ononderbroken de volle eigendom van 100% van de aandelen NV C, de vastgoedvennootschap van de Groep A. Haar vastgoedportfolio omvat onder meer de onroerende goederen waarin de x activiteiten worden uitgeoefend. NV C was in het verleden belastingbetalend en heeft geen overgedragen fiscale aftrekken.

4. B is de nieuw op te richten vennootschap waarin de x activiteiten van Groep A gecentraliseerd zullen worden via de inbreng van de bedrijfstak vanuit NV A en de afsplitsing van de onroerende goederen vanuit NV C.

5. NV A wenst vervolgens de x activiteiten af te stoten om zodoende de vrijgekomen middelen te herinvesteren in haar kernactiviteiten. De x activiteiten, met inbegrip van de relevante onroerende goederen, zullen daarom afgezonderd worden in een nieuw op te richten vennootschap B met het oog op de latere overdracht ervan aan een externe partij.

6. Vanuit die optiek worden volgende verrichtingen vooropgesteld:

6.1. inbreng door NV A van de bedrijfsafdeling x in de nieuw op te richten vennootschap B;

6.2. partiële splitsing van NV C waarbij enkele onroerende goederen worden overgedragen naar B;

6.3. verkoop van de aandelen B aan een derde partij.

III. Beslissing

III.A. Inzake directe belastingen

III.A.1. Inzake de toepassing van artikel 46, § 1, en 183bis WIB 92

7. Om toepassing te kunnen maken van het belastingneutraal stelsel als bedoeld in artikel 46, § 1, WIB 92 dient de inbreng een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid dan wel een algemeenheid van goederen te omvatten. Een wettelijke definitie van een inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid is opgenomen in artikel 2, § 1, 6°/2, b) en c), WIB 92.

8. Artikel 2, § 1, 6°/2, b) en c), WIB 92 definieert de voormelde begrippen als volgt:

b) Inbreng van een bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid: de rechtshandeling waarbij een natuurlijke persoon of een vennootschap, zonder ontbinding, een bedrijfstak overdraagt aan een andere vennootschap tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat in aandelen van de verkrijgende vennootschap;

c) Bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid: het geheel van de activa en passiva van een afdeling van een vennootschap dat uit organisatorisch oogpunt een onafhankelijke exploitatie vormt, dat wil zeggen een geheel dat op eigen kracht kan functioneren.

9. De inbreng omvat alle activa, schulden, rechten en verplichtingen die specifiek betrekking hebben op de in te brengen x activiteit. Daarnaast zullen ook alle personeelsleden die specifiek worden ingezet voor deze activiteit, overgaan naar B. Uit de gedetailleerde beschrijving van de ingebrachte bestanddelen door de aanvrager blijkt dat de inbreng van de x activiteiten door NV A alle specifiek aan deze activiteit toewijsbare actief- en passiefbestanddelen bevat.

10. Uit de aanvraag blijkt dat het gaat om een geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op eigen kracht kan werken. Dit blijkt ook uit het overgemaakt financieel plan van B. De aanvrager heeft bevestigd dat de inbreng uitsluitend zal worden vergoed in aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen.

11. De geplande inbreng van de x activiteit van NV A in B betreft derhalve een rechtshandeling die beantwoordt aan de definitie van een inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid als vermeld in artikel 2, § 1, 6°/2, b) en c), juncto artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92.

12. De geplande verrichting moet worden gezien als onderdeel van een globaal strategisch plan waarmee de Groep A zich wil focussen op haar kernactiviteit.

13. De aanvrager heeft bevestigd dat de verrichting geen verlies aan tewerkstelling met zich mee zal brengen. De werknemers die vandaag actief zijn in de x afdeling, zullen na de verrichting worden tewerkgesteld in B. De werknemers die werkzaam zijn binnen andere afdelingen, blijven tewerkgesteld binnen NV A. Hieruit blijkt dat beide activiteiten bij voortduur zullen worden verder gezet.

14. NV A is winstgevend en heeft geen fiscaal overgedragen aftrekbare bestanddelen.

15. De inbrenggenietende vennootschap B is een nieuw op te richten vennootschap en heeft aldus geen fiscaal overgedragen aftrekbare bestanddelen, noch beschikt ze over vrijgestelde reserves waarvoor nog openstaande wederbeleggingsverplichtingen gelden.

16. Aangaande de geplande verkoop van de aandelen B heeft de aanvrager zich ertoe verbonden om de meerwaarde die zal gerealiseerd worden bij de verkoop van de aandelen B te herinvesteren in de Europese Economische Ruimte in materiële of immateriële (duurzame) vaste activa tegen uiterlijk xx-xx-xx. NV A zal de nodige bewijsstukken en cijfers (nl. de verkoopprijs van de aandelen in B, het netto‑actief van B en het bewijs van de gedane investeringen) overmaken aan de DVB en de controlediensten vennootschapsbelasting bevoegd voor NV A en NV C.

17. Op basis van de door de aanvrager verstrekte inlichtingen en door de DVB gemaakte analyse kan worden aangenomen dat de geplande inbreng van de x activiteit door NV A in B plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of –ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92 zoals vereist door artikel 46, § 1, derde lid, 3°, WIB 92.

18. De aanvrager heeft bevestigd dat de inbrenggenietende vennootschap B een binnenlandse vennootschap is.

19. Derhalve kan worden besloten dat de inbreng kan plaatsvinden onder het belastingneutraal regime als bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92.

III.A.2. Inzake de toepassing van artikel 211, § 1, en 183bis WIB 92

20. De beoogde verrichting betreft de partiële splitsing van NV C waarbij enkele onroerende goederen zullen worden overgedragen aan de nieuw op te richten vennootschap B tegen uitreiking van aandelen aan de aandeelhouders van NV C. Deze verrichting beantwoordt aan de definitie van een met een splitsing gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 2, § 1, 6°/1, g), WIB 92.

21. De aanvrager heeft bevestigd dat het personeel zal behouden blijven binnen NV C, waaruit blijkt dat de behouden activiteit bij voortduur zal worden verder gezet bij de partieel gesplitste vennootschap. De aanvrager heeft verklaard dat de geplande verrichting geen negatieve impact zal hebben op de tewerkstelling.

22. De aanvrager heeft bevestigd dat de eigenvermogensbestanddelen zullen worden verdeeld in overeenstemming met artikel 213 WIB 92 en met de voorschriften van de fiscale administratie terzake. De aanvrager bevestigt tevens dat de gespreide taxatie van de gerealiseerde meerwaarde zoals bedoeld in artikel 47 WIB 92 zal worden verdergezet volgens de werkwijze zoals vermeld in randnummer 211/56 van de administratieve commentaar op het WIB 92.

23. De afsplitsing van het onroerend goed is noodzakelijk om de overname van de aandelen van B door een derde partij mogelijk te maken en de continuïteit van de x activiteiten te garanderen. Deze onroerende goederen zijn specifiek verbonden aan de in B in te brengen bedrijfsafdeling x. De afsplitsing van het onroerend goed zorgt ervoor dat B haar economische activiteiten op een autonome wijze zal kunnen verderzetten. De aanvrager heeft bevestigd dat het over te dragen onroerend goed van NV C schuldenvrij is. Daarenboven wordt bevestigd dat er geen claims of vorderingen aanwezig zijn ten name van NV C zodat de partiële splitsing er niet toe strekt zich te onttrekken aan bepaalde financiële verplichtingen.

24. NV C is winstgevend en heeft een belastbare basis. Ze beschikt niet over overgedragen fiscaal aftrekbare bestanddelen. Daar de verkrijgende vennootschap een nieuw op te richten vennootschap zal zijn, beschikt zij evenmin over dergelijke bestanddelen. Uit de door de aanvrager verstrekte prognoses blijkt dat de betrokken vennootschappen financieel leefbaar zullen zijn.

25. De aandelen van B zullen na de partiële splitsing worden verkocht aan een derde partij. De aanvrager heeft bevestigd dat de ontvangen verkoopprijs integraal zal worden geherinvesteerd volgens de modaliteiten zoals vermeld in de randnummer 17.

26. De aanvrager heeft bevestigd dat er geen intentie bestaat om de aandelen van NV C te vervreemden.

27. Op basis van de door de aanvrager verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de partiële splitsing van NV C plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92.

28. De verkrijgende vennootschap B zal een binnenlandse vennootschap zijn.

29. Derhalve kan worden besloten dat aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, § 1, vierde lid, WIB 92 is voldaan, zodat de partiële splitsing van NV C kan worden verricht onder het belastingneutraal regime zoals bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.

III.A.3. Inzake de toepassing van artikel 192, § 1, zevende lid, WIB 92 bij de verkoop van de aandelen B

30. Groep A wenst haar x activiteiten af te stoten om de vrijgekomen middelen te herinvesteren in haar kernactiviteiten.

31. NV A is dan ook van plan om de aandelen uitgegeven door B als vergoeding voor de inbreng van de bedrijfsafdeling en de partiële splitsing, op korte termijn te verkopen aan een externe partij. De verkoop aan een externe partij impliceert de verwezenlijking van een meerwaarde op de deelneming B door NV A.

32. Artikel 192, § 1, eerste lid, WIB 92 bepaalt: “§ 1. De niet in artikel 45, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde meerwaarden op aandelen verwezenlijkt, of vastgesteld bij de verdeling van het vermogen van een ontbonden vennootschap, zijn eveneens volledig vrijgesteld in de mate dat de eventuele inkomsten van deze aandelen in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203, van de winst te worden afgetrokken of, voor wat betreft de overeenkomstig artikel 194 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen aangehouden aandelen, krachtens de artikelen 202, § 1 en § 2, eerste lid, 2°, en 203, van de winst te worden afgetrokken”.

33. B zal een binnenlandse vennootschap zijn die onderworpen is aan het normaal regime van de vennootschapsbelasting. NV A zal een deelneming van 100% in B aanhouden.

34. Artikel 192, § 1, zevende lid, WIB 92 stelt verder dat: “voor de toepassing van het eerste lid, de in ruil ontvangen aandelen ten gevolge van belastingneutrale verrichtingen bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1, en 231, §§ 2 en 3, WIB 92, die, naargelang het geval, beantwoorden aan het bepaalde in artikel 183bis, WIB 92, worden geacht te zijn verkregen op de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen om vast te stellen of aan de voorwaarde van behoud gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom is voldaan.”

35. De Memorie van Toelichting bij de Programmawet van 29 maart 2012, waarbij het zevende lid werd ingevoerd in paragraaf 1 van artikel 192 WIB, stelt: “Anderzijds wordt rekening gehouden met de periode voorafgaand aan de verrichting met het oog op het onderzoeken of de voorwaarde van behoud van tenminste één jaar al dan niet is vervuld, wanneer de aandelen verkregen zijn in het kader van een fiscaal neutrale verrichting, vermeld in de artikelen 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1, en 231, §§ 2 en 3 WIB 92 die beantwoorden, naargelang het geval, aan het bepaalde in artikel 183bis WIB 92.”

36. De Memorie van Toelichting bij de Wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen, waarbij het achtste lid werd ingevoerd in paragraaf 1 van artikel 192 WIB 92, stelt: “Teneinde voor de toepassing van artikel 192, § 1, eerste lid, WIB 92, de fiscale neutraliteit te bevestigen van de verrichtingen van inbreng, fusie of splitsing, gerealiseerd overeenkomstig de artikelen 46, § 1, eerste lid, 2°, 211, § 1, en 231, §§ 2 en 3, is het nuttig om dit expliciet te verduidelijken in de wettekst. Daarom wordt artikel 192, § 1, WIB 92, naast een zevende lid, aangevuld met een nieuw lid, dat toelaat om volledig de fiscale neutraliteit van die verrichtingen te bevestigen inzake de belasting van meerwaarden op aandelen.(..) De bijzondere toepassing die hierbij wordt ingesteld, bevestigt het algemeen beginsel van de continuïteit voorzien in het Wetboek van Vennootschappen zonder dat deze raakt aan de algemene toepassing van ditzelfde beginsel.” (Parl. St. Kamer, 2012‑2013, 2458/001, 26‑27).

37. Circulaire Ci.RH.421/620.779 (AAFisc 19/2013) van 21 mei 2013 stelt dat:

“[...] de toevoeging van het zevende en achtste lid aan art. 192, § 1, WIB 92, voorzien, voor de beoordeling van de voorwaarde van behoud, in de fiscale neutraliteit van de verrichtingen van inbreng, [...] die worden verwezenlijkt overeenkomstig de art. 46, § 1, eerste lid, 2° [...] WIB 92 in hoofde van de overnemende of verkrijgende vennootschappen alsook voor de vennootschappen-aandeelhoudsters van de overgenomen of gesplitste vennootschappen”

38. Gelet op het voormelde zal de inbreng van de x activiteit door NV A in B kunnen plaatsvinden onder het belastingneutraal regime als bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92 en zal de partiële splitsing van NV C kunnen plaatsvinden onder het belastingneutraal regime als bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92 zodat in onderhavig geval de toepassing van artikel 192, § 1, zevende lid, WIB 92 van toepassing is.

39. De wetgever verwijst in artikel 192, § 1, zevende lid, WIB 92 uitdrukkelijk naar belastingneutrale verrichtingen als bedoeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92 en artikel 211 WIB 92. In overeenstemming met de fiscale neutraliteit zoals voorzien in artikel 192, § 1, zevende lid, WIB 92 dient als aanvangspunt voor de berekening van de minimale houdperiode van één jaar bij inbrengverrichtingen gekeken te worden naar de datum waarop de bedrijfsafdeling of de tak van werkzaamheid op een zelfstandige wijze operationeel is geworden. De aanvragers hebben bevestigd dat de ingebrachte bedrijfsafdeling x reeds meerdere jaren fungeert als een op zich staand geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op eigen kracht kan werken binnen NV A. De activa die behoren tot de x bedrijfsafdeling en die door NV A zullen worden ingebracht in B, werden door de aanvrager opgesomd. De minimale houdperiode van één jaar is eveneens vervuld voor wat betreft de door NV A verkregen aandelen B naar aanleiding van de partiële splitsing van NV C daar NV A reeds geruime tijd ononderbroken de volle eigendom bezit van alle aandelen NV C. Bijkomend is NV C geruime tijd eigenaar van de onroerende goederen die worden overgedragen.

40. Gelet op voorgaande kan worden gesteld dat de start van de berekening van de houdtermijn van één jaar, als voorwaarde voor de vrijstelling van de meerwaarde die NV A zou realiseren naar aanleiding van de verkoop van de aandelen van B, bijgevolg meer dan één jaar in het verleden valt zodat de ononderbroken periode van volle eigendom wordt gerespecteerd.

41. Voor de toepassing van artikel 192, § 1, zevende lid, WIB 92 zal NV A derhalve geacht worden de aandelen van B op het ogenblik van de verkoop langer dan één jaar te hebben gehouden. Derhalve valt de meerwaarde onder het toepassingsgebied van artikel 192, § 1, eerste lid, WIB 92, zodat de meerwaarde kan worden vrijgesteld voor zover aan alle andere voorwaarden ter zake is voldaan.

III.A.4. Inzake de toepassing van artikel 344, § 1, WIB 92 op het geheel van de verrichtingen

42. Het geheel van bovenvermelde verrichtingen, bestaande uit de inbreng van de x activiteit door NV A in de nieuw op te richten vennootschap B, de partiële splitsing van NV C, gevolgd door de verkoop van de aandelen van B, kadert binnen een herstructurering van de Groep A die ertoe strekt om bepaalde activiteiten af te stoten en zich zodoende eerder te focussen op haar kernactiviteiten.

43. De combinatie van een inbreng/partiële splitsing gevolgd door een overdracht van de aandelen van de verkrijgende vennootschap met het oog op de overdracht van een deel van haar activa zou desgevallend kunnen worden aanzien als een fiscaal misbruik in de zin van artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92, indien de verkrijger van de aandelen een derde partij is ten aanzien van de overdragende partij, waarbij meerwaarden op activa worden omgezet in meerwaarden op aandelen en waarbij de belastingplichtige zich buiten het toepassingsgebied van artikel 24 WIB 92 tracht te plaatsen. Overeenkomstig artikel 24 WIB 92 zijn meerwaarden op activa onderworpen aan inkomstenbelasting, daar waar meerwaarden op aandelen zijn vrijgesteld onder de voorwaarden van artikel 192 WIB 92.

44. De aanvrager heeft zich ertoe verbonden om de verkoopprijs verkregen voor de aandelen B te herinvesteren in de Europese Economische Ruimte in materiële of immateriële (duurzame) vaste activa volgens de modaliteiten zoals omschreven in randnummer 17.

45. Derhalve kan worden gesteld dat de keuze voor het geheel van de rechtshandelingen voldoende is verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92 en geen fiscaal misbruik uitmaakt als bedoeld in artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92 met betrekking tot de toepassing van artikel 24 WIB 92.

III.B. Inzake registratierechten

III.B.1. Inzake de toepassing van artikel 115bis, W.Reg.

46. Uit de door de aanvragers voorgelegde splitsingsstaat blijkt dat in het kader van de partiële splitsing van NV C vastgoed zal worden overgedragen naar de nieuw op te richten vennootschap B.

47. Artikel 115bis, federaal W.Reg. bepaalt dat de inbrengen van onroerende goederen, andere dan die welke gedeeltelijk of geheel tot bewoning worden aangewend of voor bewoning bestemd zijn en door een natuurlijke persoon ingebracht worden, in vennootschappen waarvan de zetel van werkelijke leiding in België gevestigd is, of de statutaire zetel in België en de zetel van werkelijke leiding buiten het grondgebied van de lidstaten van de Europese Gemeenschap gevestigd is, aan het recht van 0% worden onderworpen.

48. Artikel 120, federaal W.Reg. bepaalt dat wanneer een inbreng in vennootschap gedeeltelijk vergolden wordt anders dan bij toekenning van maatschappelijke rechten, de overeenkomst, naarmate van deze vergelding, wordt onderworpen aan de rechten zoals ze in dit hoofdstuk vastgesteld zijn voor de overeenkomsten onder bezwarende titel die goederen van dezelfde aard tot voorwerp hebben. Zo een inbreng met onroerende goederen vermeld in artikel 115bis en goederen van een andere aard begrijpt, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten, die de vergelding van bedoelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht enkel op laatstbedoelde rechten betrekking te hebben. Deze bepalingen zijn evenwel niet toepasselijk bij inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117, federaal W.Reg.

49. Het betreft de inbreng, middels een partiële splitsing, in een nieuw op te richten vennootschap B waarvan zowel de statutaire zetel als de zetel van werkelijke leiding in België gevestigd is, zodat aan de nationaliteitsvoorwaarde van artikel 115bis, federaal W.Reg. wordt voldaan.

50. Er is geen sprake van de inbreng van een algemeenheid van goederen of van de inbreng van één of meer bedrijfstakken: het gaat in casu om de partiële splitsing van NV C waarbij slechts een deel van het onroerend goed zal worden overgedragen aan B.

51. Aangezien de partiële splitsing volledig wordt vergoed in aandelen waarbij er geen overname van schuld noch enige opleg in contanten is, is in casu artikel 120 federaal W.Reg. niet van toepassing. Er kan dus worden gesteld dat de inbreng van het onroerend goed zal worden belast met het evenredig registratierecht aan het tarief van 0% door een zuivere toepassing van artikel 115bis, federaal W.Reg., evenwel met een minimumheffing gelijk aan het algemeen vast recht bij toepassing van artikel 167 federaal W.Reg.

52. Het af te splitsen onroerend goed is gelegen in België.

53. Voor de toepassing van de registratierechten worden de verrichtingen beoordeeld op het tijdstip van de inbreng zelf, zijnde de datum van het verlijden van de notariële akte, zonder retroactiviteit.

54. De akte van de beschreven partiële splitsing zal verleden worden door een notaris.

III.B.2. Inzake de toepassing van artikel 18, § 2, W.Reg (voor het onroerend goed gelegen in het Brusselse Gewest)

55. Artikel 18, § 2, W.Reg. luidt als volgt: “§ 2 Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 185 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingschuldige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1. een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of

2. een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingschuldige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van registratierechten.

Indien de belastingschuldige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

56. In dit verband kan worden verwezen naar de overwegingen die aan bod kwamen in bovenstaande randnummers.

57. In lijn met de bovenstaande visie inzake bedrijfstak kan de DVB inderdaad stellen dat er in casu meer wordt overgedragen dan louter vastgoed en dat de afsplitsing van het vastgoed door BV C naar B op zich, noch het geheel van rechtshandelingen zoals weergegeven in randnummer 6 in de voorgelegde context misbruik uitmaken in de zin van artikel 18, § 2, W.Reg.

III.C. Inzake de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.Btw op de inbrengverrichting

58. Overeenkomstig artikel 11 W.Btw wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, § 3, W.Btw bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.

59. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch BTW Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/CE van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vroeger artikelen 5, paragraaf 8, en 6, paragraaf 5, van de zesde richtlijn 77/388/CE van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid‑Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag).

60. In haar arrest van 27 november 2003 – zaak C‑497/01, Zita Modes Sarl c. Administration de l’enregistrement et des domaines heeft het Europese Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.

61. De artikelen 11 en 18, § 3, W.Btw zijn derhalve van toepassing wanneer de overdracht betrekking heeft op een geheel van elementen bestaande uit lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.

62. Naar aanleiding van de hierboven beschreven inbreng worden alle aan de x activiteit verbonden activa en passiva ingebracht in B.

63. Vaststellende dat de aanvrager bevestigt dat:

63.1. alle contractuele en externe medewerkers overgaan;

63.2. klanten- en leverancierscontracten zo veel als mogelijk mee overgaan;

63.3. de huurcontracten overgaan;

63.4. de regeling waarbij B als onderaannemer van NV A zou optreden uitdooft wanneer de desbetreffende contracten aflopen;

63.5. met het oog op een vlotte opstart van B er voor zover nodig een overeenkomst zal worden gesloten met NV A die B tijdens een overgangsperiode moet toelaten om een beroep te doen op ondersteuning vanwege NV A. De overgangsperiode zal maximaal een aantal maanden bedragen en betreft de volgende functies / diensten: bijstand op financieel en boekhoudkundig vlak, bijstand op HR‑vlak, juridische bijstand, bijstand van een expert engineer, en bijstand op het vlak van IT. Er wordt verwacht dat niet alle diensten voor de volledige duurtijd van de overgangsperiode verleend zullen moeten worden;

63.6. B niet zal toetreden tot de btw‑eenheid waarvan NV A deel uitmaakt.

64. Verwijzend naar de randnummers hierboven mag geconcludeerd worden dat B met de ingebrachte elementen en de door partijen voorgenomen werking, voldoende autonoom zal kunnen handelen en derhalve in staat zal zijn de economische activiteit voort te zetten.

65. B zal kwalificeren als een btw‑belastingplichtige die recht heeft op gehele of gedeeltelijke aftrek van btw.

66. Gelet op het voorgaande heeft de verrichting derhalve betrekking op een bedrijfsafdeling in de zin van de artikelen 11 en 18, § 3, W.Btw, zodat de overdracht ervan buiten de werkingssfeer van het wetboek btw valt.

67. De DVB stelt vast NV C, voor de gebouwen verbonden aan de x activiteiten en die partieel afgesplitst zullen worden, zich engageert om de btw die zij in aftrek heeft gebracht met betrekking tot omvormings-en verbeteringswerken, desgevallend te herzien naar aanleiding van de partiële splitsing, daar de overdracht van de onroerende goederen naar B niet zal kunnen plaatsvinden met toepassing van artikel 11 en 18, § 3, W.Btw.

Textes cités

7