Impôt des sociétés, Apport d'une branche d'activité exonéré · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2021.0399 29 juin 2021

Rechercher
Texte en néerlandais

Impôt des sociétés, Apport d'une branche d'activité exonéréImpôt des sociétés - Apport d'une branche d'activité exonéré - Motifs économiques valables - Fraude ou évasion fiscale - TVA - Article 11 et 18, § 3 C.TVA

https://juriel.be/fr/rulings/2021-0399-impot-societes-apport-branche-activite-a2b4

Numéro
2021.0399
Date
29 juin 2021

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

61 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2021.0399 du 29.06.2021

Impôt des sociétés · Apport d'une branche d'activité exonéré · Motifs économiques valables · Fraude ou évasion fiscale

TVA · Article 11 et 18, § 3 C.TVA

Résumé

L’apport d’une branche d’activité par la société belge A dans une nouvelle filiale B existante avec cession intégrale de tous les actifs, passifs et personnel liés spécifiquement à cette branche, peut être considéré comme un apport d’une branche d'activité ou d’une division professionnelle au sens de l’article 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, du CIR92 et répond aux dispositions de l’article 183bis du CIR92 tel que prescrit à l’article 46, § 1er, alinéa 3, 3°, du CIR92.

Cette opération doit se faire en application des articles 11 et 18, § 3, du CTVA.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of:

1.1. de bedrijfsafdeling x van de vennootschap A een bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid vormt in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92) juncto artikel 2, § 1, 6°/2, b) en c), WIB 92;

1.2. de inbreng van de bedrijfsafdeling x van de vennootschap A in de Belgische vennootschap B, kan worden aangemerkt als een inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92 en beantwoordt aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 46, § 1, derde lid, WIB 92 en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis WIB 92;

1.3. de voormelde inbreng onder de toepassing valt van de artikelen 11 en 18, § 3 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.BTW);

1.4. de boekhoudkundige en fiscale retroactiviteit van de inbreng, waarbij de terugwerkende kracht wordt beperkt tot een maximum termijn van zeven maanden, voor boekhoudkundige en fiscale doeleinden aanvaardbaar is.

II. Omschrijving van de verrichting

2. De multinationale groep X is actief in een bepaalde sector. Vennootschap A is een Belgische groepsvennootschap. De Belgische vennootschap B werd onrechtstreeks door groep X overgenomen in het kader van de overname van de Y groep. Vennootschap A verwierf vervolgens de aandelen van vennootschap B.

3. De vennootschap A fungeert als een distributeur die ten aanzien van lokale, niet tot de groep behorende afnemers (derden) instaat voor bepaalde activiteiten. De vennootschap A heeft 2 afdelingen: enerzijds de bedrijfsafdeling x en anderzijds de bedrijfsafdeling y.

4. B verzorgt de distributie van x producten via e-commerce. Ze is vooral gefocust op de Belgische markt.

5. De vennootschap A wenst haar “x” afdeling in te brengen in B in ruil voor nieuw uitgereikte aandelen in B.

III. Beslissing

III.A. Betreffende de toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 2° en 183bis WIB 92

6. Om toepassing te kunnen maken van het belastingneutraal stelsel als bedoeld in artikel 46, § 1, WIB 92 dient de inbreng een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid dan wel een algemeenheid van goederen te omvatten. Een wettelijke definitie van een inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid is opgenomen in artikel 2, § 1, 6°/2, b) en c), WIB 92.

7. Artikel 2, § 1, 6°/2, b) en c), WIB 92 definieert de voormelde begrippen als volgt:

b) Inbreng van een bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid: de rechtshandeling waarbij een natuurlijke persoon of een vennootschap, zonder ontbinding, een bedrijfstak overdraagt aan een andere vennootschap tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat in aandelen van de verkrijgende vennootschap;

c) Bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid: het geheel van de activa en passiva van een afdeling van een vennootschap dat uit organisatorisch oogpunt een onafhankelijke exploitatie vormt, dat wil zeggen een geheel dat op eigen kracht kan functioneren.

8. De inbreng omvat alle activa en passiva die specifiek betrekking hebben op de in te brengen bedrijfsafdeling x. Daarnaast zullen ook alle personeelsleden die specifiek worden ingezet voor deze activiteiten overgaan naar B. Uit de gedetailleerde beschrijving van de ingebrachte bestanddelen blijkt dat de inbreng van de x-activiteiten door A alle specifiek aan deze activiteiten toewijsbare actief- en passiefbestanddelen bevat.

9. Hieruit blijkt dat het gaat om een geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op eigen kracht kan werken. Dit blijkt ook uit het overgemaakt financieel plan van A en B. De aanvrager heeft bevestigd dat de inbreng zal gebeuren met naleving van de regels van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en dat derhalve de inbreng zal worden vergoed in aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen zonder opleg in geld.

10. De geplande inbreng van de x afdeling van A in B betreft derhalve een rechtshandeling die beantwoordt aan de definitie van een inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid als vermeld in artikel 2, § 1, 6°/2, b) en c), juncto artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92.

11. De geplande verrichting moet worden gezien als onderdeel van een globaal strategisch plan waarmee de X-groep zijn juridische en functionele groepsstructuur in overeenstemming wil brengen met zijn operationele groepsstructuur.

12. Doordat de x-bedrijfsafdelingen van de groepen X en Y worden geïntegreerd en dit binnen één entiteit per jurisdictie, ontstaat er in elk betrokken land (i) één zuiver op x gerichte bedrijfsafdeling die eveneens (ii) een bedrijfsafdeling is die én synergiën benut én rechtstreeks contact met de klant heeft (‘one face to the customer’-benadering). Deze integratie zal het ook mogelijk maken de groep structureel te vereenvoudigen en de x-activiteiten beter te monitoren. Daarnaast zal de harmonisering van ERP-systemen de kosten doen dalen en de groep in staat stellen om synergiën gemakkelijker te detecteren, wat dan weer bevorderlijk is voor het commerciële succes van de x-activiteiten.

13. De aanvrager heeft bevestigd dat de verrichting geen verlies aan tewerkstelling met zich meebrengt, waaruit blijkt dat de activiteiten van beide vennootschappen bij voortduur zullen worden verder gezet. Alle werknemers die vandaag actief zijn in de x afdeling, zullen na de verrichting tewerkgesteld worden in B. De werknemers die werkzaam zijn binnen de y afdeling, blijven tewerkgesteld binnen A.

14. Uit de fiscale analyse van voorliggende casus is gebleken dat de verrichting niet is ingegeven door fiscale overwegingen:

14.1. A is winstgevend en heeft geen fiscaal overgedragen aftrekbare bestanddelen;

14.2. de inbrenggenietende vennootschap B heeft geen fiscaal overgedragen aftrekbare bestanddelen;

14.3. uit de in detail uitgewerkte simulatie blijkt dat de huidige fiscale positie ten name van A en B na de beoogde reorganisatie niet wezenlijk zal veranderen aangezien er niets zal worden gewijzigd aan de transfer-pricing-set-up;

14.4. de aanvrager heeft bevestigd dat er geen intentie bestaat tot overdracht van de aandelen van A en B.

15. Op basis van de door de aanvrager verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de geplande inbreng van de x afdeling door A in B plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of –ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92.

16. De inbrenggenietende vennootschap B is een binnenlandse vennootschap.

17. Derhalve kan de inbrengverrichting plaatsvinden onder het belastingneutraal regime als bedoeld in artikel 46, § 1, WIB 92.

III.B. Betreffende de boekhoudkundige retroactiviteit

18. De terugwerkende kracht van een vennootschapsakte is in de regel niet tegenstelbaar aan de Administratie. Van dit beginsel mag, inzonderheid t.a.v. voormeld boekhoudkundig retroactiviteitsbeding, slechts worden afgeweken wanneer de bedoelde retroactiviteitsclausule:

18.1. met de werkelijkheid overeenstemt en betrekking heeft op een korte periode: in dit verband wordt opgemerkt dat een boekhoudkundige retroactiviteitsclausule van meer dan zeven maanden, in normale omstandigheden niet als een korte periode kan worden aangemerkt;

18.2. en een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat.

19. De voorgenomen inbreng van de x-bedrijfsafdeling is gepland op xx-xx met een boekhoudkundige retroactiviteit naar xx-xx-xx, zodat de boekhoudkundige retroactiviteitsperiode niet meer dan zeven maanden zal bedragen.

20. De aanvragers bevestigen dat tijdens de retroactiviteitsperiode geen uitzonderlijke verrichtingen zullen plaatsvinden.

21. Derhalve kan worden besloten dat de boekhoudkundige retroactiviteit op het vlak van de vennootschapsbelasting kan worden aanvaard.

III.C. Betreffende de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW

22. Overeenkomstig artikel 11 W.BTW wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, § 3, W.BTW bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.

23. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch BTW Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/CE van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vroeger artikelen 5, paragraaf 8, en 6, paragraaf 5, van de zesde richtlijn 77/388/CE van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag).

24. In haar arrest van 27 november 2003 – zaak C-497/01, Zita Modes Sarl c. Administration de l’enregistrement et des domaines heeft het Europese Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.

25. De artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW zijn derhalve van toepassing wanneer de overdracht betrekking heeft op een geheel van elementen bestaande uit lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.

26. Verwijzend naar de duidelijk in de aanvraag beschreven aspecten, met name dat :

26.1. activa en passiva, winsten en kosten duidelijk toe te wijzen zijn aan de in te brengen x-afdeling. In het huidig ERP-systeem de afdeling over haar eigen rapporteringslijn beschikt, en zij daarenboven werkt met afzonderlijke budgetten, een eigen marketing departement, eigen klantenservice en aankoopteam;

26.2. de x-afdeling over eigen leveranciers beschikt (zowel internen als externen) als een eigen klantenportefeuille heeft waarvan slechts een beperkt aantal als shared clients aangemerkt kunnen worden. De klanten en hun contracten zullen in het kader van de inbreng overgedragen worden en gezien de commerciële distributieactiviteit van de x-afdeling vormt dit aspect het belangrijkste off balance item van de inbreng. De aanvragers verklaarden bovendien dat de contracten met gedeelde klanten, voorafgaand aan de voorgestelde reorganisatie opgedeeld worden, zodat er geen contracten met gedeelde klanten voort zullen bestaan;

26.3. de uitsluitend aan de x-afdeling toe te wijzen werknemers met behoud van hun arbeidsvoorwaarden zullen overgedragen worden, daartoe werd een lijst in bijlage aan de aanvraag gehecht;

26.4. daar zij niet over een onroerend goed in eigendom beschikken, maar samen met B en de andere afdeling eenzelfde onroerend goed (toebehorend aan een derde) huren waarbij dit onroerend goed vanuit operationeel oogpunt reeds afgescheiden van elkaar aangewend wordt, dringt zich in deze niet onmiddellijk een wijziging op teneinde autonoom de economische activiteit voort te kunnen zetten;

dient besloten dat naar aanleiding van de hierboven beschreven inbreng alle activa en passiva en andere off balance items vereist om de activiteit op autonome wijze voort te zetten en die verbonden zijn aan de x-afdeling overgedragen worden middels de in deze aanvraag beschreven inbreng. Zowel op technisch als op organisatorisch vlak heeft deze verrichting derhalve betrekking op een bedrijfsafdeling waarbij de bestaande economische activiteit van de x afdeling toebehorend aan A zal worden voortgezet door B.

27. De aanvrager verklaart dat B een btw-belastingplichtige is die, in de mate er btw zou verschuldigd zijn op de overdracht, recht op btw-aftrek heeft. De hierboven beschreven inbreng dient derhalve met toepassing van de artikelen 11 en 18 § 3, W.BTW te gebeuren.

Textes cités

7