Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Décision anticipée n° 2018.0581 du 09.10.2018
IMPÔT DES SOCIÉTÉS · Scission partielle fiscalement neutre · Fusion transfrontalière fiscalement neutre · Motifs économiques valables · Fraude ou évasion fiscale · Mesure anti-abus
DROITS D’ENREGISTREMENT · Apport d’une universalité de biens · Mesure anti-abus (Vlabel)
TVA · Cession d’une universalité de biens
Résumé
La scission partielle de la société belge X, où une partie du patrimoine est transférée à sa société mère Y et la fusion transfrontalière ultérieure par absorption de la société Y par la société intra-européenne Z visant à mettre à disposition davantage de sûretés au niveau de la société intra-européenne Z, répondent aux dispositions de l’article 183bis, CIR 92 et peuvent avoir lieu de manière fiscalement neutre en application de l’article 211, § 1er, CIR 92.
L’ensemble des actes juridiques (scission partielle de X suivie d’une part de la fusion transfrontalière par absorption de la société bénéficiaire Y par la société intra-européenne Z et d’autre part par la vente des actions X à une société du groupe), ne constitue pas un abus fiscal au sens de l’article 344, § 1, alinéa premier, CIR 92 et a été suffisamment justifié par d’autres motifs que l’élusion des impôts sur les revenus au sens de l’article 344, § 1, troisième alinéa, CIR 92.
La fusion par absorption de la société Y par la société intra-européenne Z n’est pas soumise aux droits d’enregistrement proportionnels conformément à l’article 117, § 1er, C. enr. Féd. et n’est pas soumise à la disposition anti-abus de l’article 3.17.0.0.2 du Code flamand de la Fiscalité - VCF.
La fusion par absorption de la société Y par la société intra-européenne Z doit se faire en application des articles 11 et 18, § 3, du Code de la TVA.
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te verkrijgen dat:
1.1 de partiële splitsing van vennootschap X, waarbij een deel van haar vermogen wordt overgedragen aan de bestaande vennootschap Y voldoet aan de voorwaarden van artikel 211, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92) en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92;
1.2 de daaropvolgende grensoverschrijdende fusie door overneming van vennootschap Y door de intra-Europese vennootschap Z waarbij de bestanddelen verbonden met de activiteiten van de binnenlandse vennootschap worden behouden binnen de Belgische inrichting van de overnemende intra-Europese vennootschap, kan plaatsvinden onder het belastingneutraal stelsel zoals bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92;
1.3 deze fusie in aanmerking komt voor de vrijstelling van registratierechten conform artikel 117, § 1, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna federaal W.Reg.) en valt onder de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.BTW);
1.4 het geheel van rechtshandelingen geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 344, § 1, WIB 92 en verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van voormeld artikel; en
1.5 de grensoverschrijdende fusie geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna VCF) en verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van registratierechten in de zin van voormeld artikel.
II. Omschrijving van de verrichtingen door de aanvragers
2. De groep Q is actief in vele landen en oefent zowel productie- als distributieactiviteiten uit. Haar activiteiten kunnen worden opgedeeld in twee divisies Q1 en Q2.
3. In het verleden werd de intra-Europese vennootschap Z evenals de dochtervennootschappen verkocht aan de groep Q. Momenteel is de intra-Europese vennootschap Z een holdingvennootschap die:
- (onder meer) de aandelen van vennootschap Y in haar bezit heeft vennootschap Y is een zuivere holding en voert geen andere activiteiten uit. De vennootschap stelt geen personeel tewerk;
- het onroerend goed bezit waar de intra-Europese vennootschap Z is gevestigd.
4. Vennootschap X, waarvan de aandelen worden aangehouden door vennootschap Y meerderheidsaandeelhouder) en vennootschap W (minderheidsaandeelhouder) maakt deel uit van de divisie Q1 en stelt heel wat personeelsleden tewerk. Het betreft een productievennootschap actief op locatie A en locatie B.
5. De activiteiten te locatie A worden uitgevoerd in een onroerend goed dat eigendom is van vennootschap X. De activiteiten op locatie B worden uitgevoerd in een onroerend goed dat gehuurd wordt van vennootschap W.
6. Vennootschap X houdt tevens een aantal deelnemingen aan (onder andere in vennootschap W).
7. Op heden blijkt dat er binnen de groep een aantal verplichtingen zijn bij de intra-Europese vennootschap Z.
8. Teneinde hieraan tegemoet te komen, dienen zoveel mogelijk zekerheden beschikbaar te worden gesteld aan de intra-Europese vennootschap Z. De zekerheden die de intra-Europese vennootschap Z en de onderliggende vennootschappen kunnen stellen, bestaan naast EBITDA o.a. uit de panden die zij bezitten.
9. Om die reden werd er een partiële splitsing doorgevoerd van vennootschap X waarbij de activiteiten uitgevoerd op locatie A (met inbegrip van het onroerend goed op deze locatie, waarop geen specifieke schulden rusten) evenals de deelneming in vennootschap W werden afgesplitst naar haar moedervennootschap Y. De personeelsleden tewerkgesteld op locatie A en een aantal werknemers van de centrale diensten zijn mee overgegaan naar vennootschap Y.
10. De aanvragers hebben bevestigd dat de afgesplitste activiteiten op locatie A robuust genoeg zijn om de voormelde verplichtingen op te vangen en dat de herstelbetalingen geen invloed zullen hebben op de continuïteit van de Belgische activiteit.
11. Na de partiële splitsing zullen de aandelen die vennootschap W bezit in vennootschap X onmiddellijk worden verkocht aan vennootschap Y, zodat deze laatste alle aandelen van vennootschap X zal bezitten.
12. Aangezien het de expliciete wens is om zoveel mogelijk zekerheden op het niveau van de intra-Europese vennootschap Z zelf te brengen, zal in een volgende fase vennootschap Y middels een grensoverschrijdende fusie worden overgenomen door de intra-Europese vennootschap Z. De intra-Europese vennootschap Z zal voorafgaandelijk aan de fusie (of ten laatste op het ogenblik dat de fusie plaatsvindt) een juridische vaste inrichting (bijhuis) oprichten in België.
13. Sedert de partiële splitsing omvat vennootschap X enkel nog de activiteiten op locatie B. Binnen 1 à 2 jaar na de partiële splitsing zullen de aandelen van vennootschap X worden overgedragen aan de divisie Q2 door middel van een verkoop.
14. Deze verhanging van vennootschap X onder de divisie Q2 resulteert in een zekere uitholling van de zekerheden. Om deze uitholling tot een minimum te beperken, diende de participatie in vennootschap W (met name de vennootschap die eigenaar is van het gebouw op locatie B) naar aanleiding van de partiële splitsing mee over te gaan naar vennootschap Y. Een meer directe toegang tot de activa van deze vennootschap werd echter niet noodzakelijk geacht. Om deze reden wordt een grensoverschrijdende fusie tussen vennootschap W en de intra-Europese vennootschap Z niet nodig geacht en zal vennootschap W verder blijven bestaan als dochtervennootschap van de intra-Europese vennootschap Z. De aandelen van vennootschap W zullen worden aangehouden door de Belgische inrichting van de intra-Europese vennootschap Z.
15. De aanvragers hebben bevestigd dat de partiële splitsing en grensoverschrijdende fusie geen negatieve impact zullen hebben op de tewerkstelling.
III. Beslissing
III.A. Inzake de toepassing van artikel 211, § 1, WIB 92 op de partiële splitsing
16. De fiscale aspecten van de partiële splitsing kunnen als volgt worden samengevat:
- vennootschap X is de laatste jaren steevast winstgevend en beschikt steeds over een belastbare basis;
- vennootschap Y is de laatste jaren steevast winstgevend. In het meest recente aanslagjaar werden de laatste fiscaal overgedragen verliezen aangewend, waardoor er voor dat aanslagjaar een belastbare basis ontstond;
- vennootschap X en vennootschap Y beschikken niet over fiscaal overgedragen bestanddelen (overgedragen fiscale verliezen, overgedragen aftrek voor risicokapitaal, overgedragen investeringsaftrek en/of DBI-overschotten);
- vennootschap Y heeft de participatie in vennootschap X verkregen naar aanleiding van een fusie waarbij vennootschap S werd overgenomen. Er werd bevestigd dat er geen schuldfinanciering werd aangegaan voor de verwerving van deze participatie;
- vennootschap Y heeft geen vrijgestelde reserves waarvoor nog openstaande wederbeleggingsverplichtingen gelden, zodat de verrichting er niet toe strekt om de in het kader van de partiële splitsing verkregen activa te gaan aanmerken als herbeleggingsactivum;
- de aanvragers hebben bevestigd dat, behoudens de in randnummers 11 en 13 vermelde aandelenoverdrachten binnen de groep, er geen intentie aanwezig is om na de partiële splitsing (en ook na de verhanging van vennootschap X onder de divisie Q2) over te gaan tot de overdracht van de aandelen van de partieel gesplitste vennootschap en/of verkrijgende vennootschap en/of bovenliggende vennootschappen aan derden.
17. De aanvragers hebben bevestigd dat de bepalingen van artikel 213 WIB 92 werden nageleefd naar aanleiding van de partiële splitsing. Dit blijkt tevens uit het overgemaakte ontwerp van de splitsingsstaat. Inzake de gespreid te belasten meerwaarde zoals bedoeld in artikel 47 WIB 92 werd bevestigd dat de werkwijze zoals voorgeschreven in nr. 211/56 van de administratieve commentaar op het WIB 92 werd gevolgd.
18. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen en de door de DVB gemaakte analyse kan worden aangenomen dat de partiële splitsing van vennootschap X plaatsvond op basis van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92.
19. De verkrijgende vennootschap in het kader van de partiële splitsing, met name vennootschap Y, is een binnenlandse vennootschap. De aanvragers hebben bovendien bevestigd dat de partiële splitsing werd uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen.
20. Derhalve kan worden besloten dat de partiële splitsing van vennootschap X belastingneutraal kan plaatsvinden in toepassing van artikel 211, § 1, WIB 92.
III.B. Inzake de toepassing van artikel 211, § 1, WIB 92 op de grensoverschrijdende fusie
21. De intra-Europese vennootschap Z is een intra-Europese vennootschap in de zin van artikel 2, § 1, 5°, b)bis, WIB 92. De aanvragers hebben bovendien bevestigd dat de grensoverschrijdende fusie zal worden verwezenlijkt overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en in overeenstemming met de gelijkaardige vennootschapsrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op de intra-Europese vennootschap Z.
22. De fiscale aspecten van de grensoverschrijdende fusie kunnen als volgt worden samengevat:
- vennootschap Y is de laatste jaren steevast winstgevend. In het meest recente aanslagjaar werden de laatste fiscaal overgedragen verliezen aangewend, waardoor er voor dat aanslagjaar een belastbare basis ontstond;
- vennootschap Y beschikt niet over fiscaal overgedragen bestanddelen (overgedragen fiscale verliezen, overgedragen aftrek voor risicokapitaal, overgedragen investeringsaftrek en/of DBI-overschotten); aangezien de overnemende vennootschap pas kort voorafgaand aan de fusie of op het ogenblik van de fusie een Belgische inrichting zal oprichten, zijn er dus ook geen dergelijke bestanddelen aanwezig bij de (Belgische inrichting van de) overnemende vennootschap;
- de grensoverschrijdende fusie zal enkel tot gevolg hebben dat de belastbare basis van vennootschap Y voortaan aan de belasting van niet-inwoners (vennootschappen) in plaats van aan de vennootschapsbelasting zal worden onderworpen. In dit verband werd tevens door de aanvragers bevestigd dat, indien geldmiddelen van de Belgische inrichting worden gebruikt voor betalingen in het kader van de verplichtingen bij vennootschap Z, er een vordering zal ontstaan bij de Belgische inrichting ten opzichte van het hoofdhuis en dat de kosten met betrekking tot deze verplichtingen niet ten laste van de resultaten van de Belgische inrichting zullen vallen.
23. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen en de door de DVB gemaakte analyse kan worden aangenomen dat de fusieverrichting plaatsvindt op basis van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92.
24. De aanvragers hebben bevestigd dat, in overeenstemming met artikel 211, § 1, vijfde lid, eerste gedachtestreepje, WIB 92, alle ingevolge de fusieverrichting verkregen bestanddelen van vennootschap Y (waaronder het eigen vermogen) zullen worden toegewezen aan en overgenomen door de Belgische inrichting van de intra-Europese vennootschap Z. Deze zullen behouden blijven binnen de Belgische inrichting en zullen bijdragen tot de totstandkoming van de resultaten van deze inrichting die in toepassing van artikel 233, WIB 92 in aanmerking worden genomen voor de belastinggrondslag. Het Belgisch bijhuis kan effectief als een vaste inrichting worden beschouwd in de zin van artikel 229 WIB 92 en artikel 5 van het van toepassing zijnde dubbelbelastingverdrag. Het gaat om productieactiviteiten uitgevoerd op locatie A die daar een vaste bedrijfsinrichting vormen. Er zijn ook werknemers tewerkgesteld in deze bedrijfsrichting. Deze werknemers zullen naar aanleiding van de grensoverschrijdende fusie overgaan naar de Belgische inrichting van de intra-Europese vennootschap Z.
25. Met betrekking tot artikel 211, § 1, vijfde lid, tweede gedachtestreepje, WIB 92 hebben de aanvragers bevestigd dat alle vrijgestelde reserves die vennootschap Y heeft voorafgaand aan de partiële splitsing van vennootschap X evenals de vrijgestelde reserves die vennootschap Y heeft verworven naar aanleiding van deze partiële splitsing, zullen worden teruggevonden in het eigen vermogen van de Belgische inrichting.
26. Derhalve kan worden besloten dat de grensoverschrijdende fusie belastingneutraal kan plaatsvinden in toepassing van artikel 211, § 1, WIB 92.
III.C. Inzake de toepassing van artikel 117, § 1, federaal W.Reg. op de grensoverschrijdende fusie
27. Volgens artikel 117, § 1, W. Reg. is het bij de artikelen 115 en 115bis bepaalde recht niet verschuldigd in geval van inbreng van de universaliteit der goederen van een vennootschap, bij wijze van fusie, splitsing of anderszins, in één of meer nieuwe of bestaande vennootschappen.
28. Deze bepaling is evenwel slechts toepasselijk op voorwaarde dat:
- de vennootschap die de inbreng doet de zetel van haar werkelijke leiding of haar statutaire zetel heeft op het grondgebied van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen;
- eventueel na aftrek van de op het tijdstip van de inbreng door de inbrengende vennootschap verschuldigde sommen, de inbreng uitsluitend vergoed wordt, hetzij door toekenning van aandelen of deelbewijzen die maatschappelijke rechten vertegenwoordigen, hetzij door toekenning van aandelen of deelbewijzen die maatschappelijke rechten vertegenwoordigen samen met een storting in contanten die het tiende van de nominale waarde van de toegekende maatschappelijke aandelen of deelbewijzen niet overschrijdt.
29. In het kader van de voorgenomen reorganisatie vindt er een grensoverschrijdende fusie door overneming plaats waarbij vennootschap Y wordt overgenomen door de intra-Europese vennootschap Z.
30. Bij deze verrichting zal de inbreng worden gedaan door een Belgische vennootschap. Hierdoor is voldaan aan de voorwaarde dat de inbreng wordt gedaan door een vennootschap waarvan de zetel der werkelijke leiding of de statutaire zetel is gevestigd op het grondgebied van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen.
31. Aangezien op het ogenblik van de fusie alle aandelen vennootschap Y in het bezit zullen zijn van de overnemende vennootschap, zijnde de intra-Europese vennootschap Z, betreft het hier een geruisloze fusie.
32. Het feit dat in geval van een geruisloze fusie geen nieuwe aandelen van de overnemende vennootschap zullen worden uitgegeven, is geen bezwaar voor de toepassing van de vrijstelling voorzien in artikel 117, § 1, federaal W.Reg., gezien het Hof van Cassatie in zijn arrest van 9 maart 2006 (Rep. RJ R 117, § 1/10-01) heeft beslist dat een geruisloze fusie kan genieten van de vrijstelling voorzien in artikel 117, § 1, W.Reg.
33. Er zal geen opleg in geld worden betaald in het kader van deze fusie.
34. De fusie gebeurt door inbreng van het gehele vermogen, zowel actief en passief, van de over te nemen vennootschap, waardoor er wordt voldaan aan de notie van een universaliteit van goederen, zoals bepaald in artikel 117, § 1, federaal W.Reg., en er bijgevolg genoten kan worden van de vrijstelling.
35. Voor de toepassing van de registratierechten worden de verrichtingen beoordeeld op het tijdstip van de inbreng zelf, zijnde de datum van het verlijden van de notariële akte, zonder retroactiviteit.
III.D. Inzake de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW op de grensoverschrijdende fusie
36. Overeenkomstig artikel 11 W.BTW wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.
37. Artikel 18, § 3, W.BTW bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.
38. De artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW zijn de omzetting in het Belgisch BTW Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/CE van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vroeger artikelen 5, paragraaf 8, en 6, paragraaf 5, van de zesde richtlijn 77/388/CE van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag).
39. In het door het Hof van Justitie van de Europses Gemeenschappen op 27 november 2003 gewezen arrest in de zaak C-497/01, Zita Modes Sarl versus de Administration de l’enregistrement et des domaines herinnert het Hof eraan dat artikel 5, lid 8, van de Zesde Richtlijn (artikel 19, eerste lid van de Richtlijn 2006/112/EG) tot doel heeft de lidstaten toe te laten de overdracht van bedrijven of bedrijfsafdelingen te vergemakkelijken door deze overdracht te vereenvoudigen en buitensporige fiscale lasten op de liquiditeiten van de verkrijger, die hij later zou kunnen recupereren door aftrek van de voorbelasting, te voorkomen.
40. De artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW zijn derhalve van toepassing wanneer de overdracht betrekking heeft op een geheel van elementen bestaande uit lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.
41. Vennootschap Y is ingevolge de partiële splitsing een Belgisch btw-plichtige geworden met recht op aftrek, geregistreerd bij de btw en maandindiener.
42. Er dient gesteld dat de activiteit, zoals op heden door voormelde uitgeoefend op locatie A, ook na de fusie met de intra-Europese vennootschap Z ononderbroken zal worden verdergezet middels de door de overnemende intra-Europese vennootschap Z in België tot stand gebrachte Belgische vaste inrichting, die ingevolge deze fusie btw-plichtige wordt.
43. Zowel op technisch als op organisatorisch vlak heeft deze verrichting derhalve betrekking op een algemeenheid van goederen.
44. Naar aanleiding van de hierboven beschreven fusie worden alle activa en passiva die verbonden zijn aan vennootschap Y overgedragen aan de Belgische vaste inrichting van de intra-Europese vennootschap Z.
45. Deze Belgische vaste inrichting zou, in de mate er btw verschuldigd zou zijn op de overgang van de algemeenheid, deze in aftrek kunnen brengen.
III.E. Inzake de toepassing van artikel 344, § 1, WIB 92 op het geheel van de verrichtingen
46. De aanvragers hebben aangegeven dat de partiële splitsing van vennootschap X op termijn zal worden gevolgd enerzijds door een grensoverschrijdende fusie door overneming van de verkrijgende vennootschap Y door de intra-Europese vennootschap Z en anderzijds door de verkoop van de aandelen van de partieel gesplitste vennootschap X aan een groepsvennootschap van de Q2 divisie.
47. De combinatie van een partiële splitsing gevolgd door een verkoop van alle aandelen van één van de bij de partiële splitsing betrokken vennootschappen (in casu vennootschap X) met het oog op de overdracht van een deel van de activa (in casu de activiteiten op locatie B), zou als een fiscaal misbruik kunnen worden aanzien in de zin van artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92 (omzetten van meerwaarden op activa in meerwaarden op aandelen) indien de koper van de aandelen een derde partij is ten aanzien van de verkopende partij. In casu zullen de aandelen van vennootschap X worden verkocht aan een nader te bepalen vennootschap die deel uitmaakt van de divisie Q2 van de groep Q en dus niet kan worden beschouwd als een derde partij. Tevens werd bevestigd dat het niet de bedoeling is om nadien de divisie Q2 af te stoten door de verkoop van een bovenliggende (moeder)vennootschap van vennootschap X.
48. Derhalve kan worden besloten dat het geheel van de rechtshandelingen (bestaande uit de partiële splitsing van vennootschap X, de grensoverschrijdende fusie van vennootschap Y en de verhanging van vennootschap X) geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 344, § 1, eerste lid, WIB 92 en voldoende is verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92.
49. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvrager vermeld werden. De DVB spreekt zich, ondanks de vermelding in randnummer 16, zesde bullet, in deze beslissing niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 183bis of artikel 344, § 1, WIB 92, …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing, zoals inzonderheid de eventuele toekomstige overdracht van de aandelen van vennootschap X (met uitzondering van de beschreven verhanging in onderhavige aanvraag) en/of van vennootschap Z (rechtsopvolger van vennootschap Y).
III.F. Inzake de toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF op de grensoverschrijdende fusie
50. De DVB ontving het bindend advies van Vlabel. Dit advies luidt letterlijk als volgt:
“Gelet op artikel 3.22.0.0.2 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot volgend bindend advies:
Wat het Vlaamse gewest betreft wordt alleen uitspraak gedaan over de grensoverschrijdende fusie van vennootschap Y en vennootschap Z in het licht van art. 2.9.1.0.3 VCF en art. 3.17.0.0.2 VCF in zoverre er onroerende goederen in het Vlaamse gewest gelegen (onroerend goed op locatie A) betrokken worden.
Artikel 2.9.1.0.3 VCF luidt:
“Met behoud van de toepassing van artikel 2.9.1.0.1, wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstuk 10 en 11, het verkooprecht gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij toekenning van maatschappelijke rechten.
Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en de waarde die aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak, vermeld in artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten. “.
Artikel 3.17.0.0.2 VCF luidt:
“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”.
Artikel 2.9.1.0.3, derde lid, VCF bevat een uitzondering op de heffing van het verkooprecht op de betrokken onroerende goederen in het Vlaamse Gewest gelegen bij een gemengde inbreng. Het verkooprecht zal immers niet geheven worden als de inbreng betrekking heeft op een universaliteit van goederen of een bedrijfstak.
De inbreng van onroerende goederen in de gefusioneerde vennootschap betreft de inbreng van een universaliteit van goederen of van een bedrijfstak.
De voorgenomen rechtshandeling wordt niet gevat door de anti-misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Op basis van de verstrekte gegevens is de keuze voor de voorgenomen rechtshandeling(en) door andere motieven verantwoord dan het ontwijken van de registratiebelasting. ».
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.