Impôt des personnes physiques, Plus-value de cessation, Profits · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2018.0480 3 juillet 2018

Rechercher
Texte en néerlandais

Impôt des personnes physiques, Plus-value de cessation, ProfitsImpôt des personnes physiques - Plus-value de cessation - Profits - Tva - Apport d’une universalité des biens

https://juriel.be/fr/rulings/2018-0480-impot-personnes-physiques-plus-value-5efe

Numéro
2018.0480
Date
3 juillet 2018

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

66 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2018.0480 du 03.07.2018

Impôt des personnes physiques · Plus-value de cessation · Profits · Tva · Apport d’une universalité des biens

Résumé

La plus-value qui sera réalisée par monsieur X à la suite du transfert (proportionnel à sa part dans la société de droit commun) d’immobilisations corporelles et incorporelles de la société de droit commun à la société existante, la SPRL A, peut être considérée comme une plus-value de cessation au sens de l'article 28, premier alinéa, 1°, du CIR92.

La plus-value consécutive au transfert des immobilisations corporelles est soumise à un taux de 10 % tel que fixé à l’article 171, 2°, a, du CIR92. Sur la base de l'article précité, la plus-value consécutive au transfert du goodwill est soumise au taux de 10 % pour la part de la plus-value de cessation qui n’est pas supérieure aux bénéfices nets imposables qui ont été obtenus de l’activité cessée dans les quatre années précédant l’année de cessation, tandis que le solde est soumis au taux progressif conformément à l'article 130, du CIR92.

Le transfert relève du champ d’application des articles 11 et 18, § 3 du Code de la TVA.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of:

1.1. de meerwaarde naar aanleiding van de overdracht door de heer X van de goodwill van de maatschap waarin hij deelbewijzen bezit (in verhouding tot zijn deel in de maatschap) aan de bestaande vennootschap A BVBA beantwoordt aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als een stopzettingsmeerwaarde in de zin van artikel 28, eerste lid, 1° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en kan genieten van een aanslagvoet van 10% zoals gesteld in artikel 171, 2°, a, WIB 92 ten belope van het deel van de meerwaarde dat de in artikel 171, 1°, c, WIB 92 vermelde grens niet overschrijdt, terwijl het saldo van de meerwaarde overeenkomstig artikel 130 WIB 92 zal belast worden aan het progressief tarief;

1.2. de meerwaarde naar aanleiding van de overdracht door de heer X van de materiële vaste activa van de voormelde maatschap (in verhouding tot zijn deel in de maatschap) aan de bestaande vennootschap A BVBA, beantwoordt aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als een stopzettingsmeerwaarde in de zin van artikel 28, eerste lid, 1°, WIB 92 en kan genieten van een aanslagvoet van 10% zoals gesteld in artikel 171, 2°, a, WIB 92;

1.3. de overdracht van de materiële vaste activa en de goodwill uit de maatschap onder de toepassing valt van de artikelen 11 en 18, §3 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.BTW).

II. Omschrijving van de verrichting

2. De heer X en mevrouw Y hebben zich geassocieerd in een maatschap: de heer X ten persoonlijke titel en mevrouw Y via haar vennootschap A BVBA. De deelbewijzen van deze maatschap zijn voor het grootste deel in bezit van de heer X en een minderheid is in bezit van A BVBA.

3. De waarde van de immateriële en materiële vermogensbestanddelen van de maatschap werd bepaald door een bedrijfsrevisor, in overeenstemming met de berekening die hiervoor wettelijk voorzien is.

4. Ingevolge wijzigingen aan de wetgeving zal de maatschap niet kunnen worden voortgezet.

5. De heer X wenst zijn deelbewijzen in de maatschap over te dragen aan de burgerlijke vennootschap A BVBA. Teneinde de gelijkwaardigheid tussen elke aandeelhouder in A BVBA te bekomen zal de overdracht voor een klein deel vergoed worden met aandelen en in hoofdzaak met geld.

6. De activiteit van de maatschap zal worden stopgezet en de activiteit zal worden verdergezet door A BVBA.

III. Beslissing

III.A. Wat betreft de directe belastingen

7. Artikel 28, eerste lid, 1°, WIB 92 luidt als volgt:

“Winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid die de verkrijger of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is voorheen heeft uitgeoefend, zijn:

1° inkomsten die worden verkregen of vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de onderneming of van de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende bezigheid en voortkomen uit meerwaarden op activa die voor de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt”.

8. Artikel 41 WIB 92 bepaalt:

“Voor de toepassing van de artikelen 24, eerste lid, 2°, 27, tweede lid, 3° en 28, worden geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid te worden gebruikt:

1° de vaste activa die in het kader van die werkzaamheid zijn aangeschaft of vervaardigd en als activabestanddeel zijn geboekt;

2° de vaste activa of gedeelten ervan waarvoor fiscaal afschrijvingen of waardeverminderingen zijn aangenomen;

3° de immateriële activa die tijdens de beroepswerkzaamheid tot stand zijn gekomen, ongeacht of zij als activabestanddeel zijn geboekt.”

9. Artikel 130 WIB 92 luidt als volgt:

“De basisbelasting wordt bepaald op:

25 % voor de inkomensschijf van 0,01 euro tot 12.990 euro (geïndexeerd bedrag);

40 % voor de schijf van 12.990 euro (geïndexeerd bedrag) tot 22.290 euro (geïndexeerd bedrag);

45 % voor de schijf van 22.290 euro (geïndexeerd bedrag) tot 39.660 euro (geïndexeerd bedrag);

50 % voor de schijf boven 39.660 euro (geïndexeerd bedrag).

Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt het belastingtarief toegepast op het belastbare inkomen van elke belastingplichtige.”

10. Artikel 171, 1°, c en 2°, a, WIB 92 stelt tenslotte het volgende:

“In afwijking van de artikelen 130 tot 145 en 146 tot 156, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting Staat op de andere inkomsten, meer bedraagt dan de overeenkomstig de voormelde artikelen bepaalde belasting op de in de artikelen 17, §1, 1° tot 3° en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten en op de meerwaarden op roerende waarden en titels die op grond van artikel 90, eerste lid, 1°, belastbaar zijn, vermeerderd met de belasting Staat met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten:

1° tegen een aanslagvoet van 33 %:

...…

c) onverminderd de toepassing van 2°, a, en 4°, b, stopzettingsmeerwaarden op immateriële vaste activa als vermeld in artikel 28, eerste lid, 1°, en de in de artikelen 25, 6°, a en 27, tweede lid, 4°, a, vermelde vergoedingen verkregen als compensatie van een vermindering van de werkzaamheid, in zover zij niet meer bedragen dan de belastbare nettowinst of -baten die in de vier jaren voorafgaand aan het jaar van de stopzetting of de vermindering van de werkzaamheid uit de niet meer uitgeoefende werkzaamheid zijn verkregen.

Onder belastbare nettowinst of netto-baten van elk in het vorige lid vermelde jaar wordt verstaan het overeenkomstig artikel 23, §2, 1°, vastgestelde inkomen, maar met uitzondering van de ingevolge deze onderafdeling afzonderlijk belaste inkomsten;

……

2° tegen een aanslagvoet van 10 %:

a) stopzettingsmeerwaarden als bedoeld in artikel 28, eerste lid, 1°, die naar aanleiding van de stopzetting van de werkzaamheid vanaf de leeftijd van 60 jaar of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen definitieve stopzetting zijn verkregen of vastgesteld op:

- immateriële vaste activa, in zover ze niet meer bedragen dan de in 1°, c, vermelde grens;

- andere activa dan immateriële vaste activa.

Onder gedwongen definitieve stopzetting wordt verstaan de definitieve stopzetting die voortvloeit uit een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom, of een andere gelijkaardige gebeurtenis, evenals de definitieve stopzetting die het gevolg is van een handicap als bedoeld in artikel 135, eerste lid, 1°”.

11. Ingevolge wijzigingen in de wetgeving zal de maatschap, waarvan de heer X en A BVBA de maten zijn, worden stopgezet en zal de activiteit worden verdergezet door A BVBA.

12. De roerende onlichamelijke en lichamelijke kantoor gebonden activa van de maatschap behoren toe aan de maten in de verhouding zoals uitgedrukt in het vennootschapscontract.

13. De materiële vaste activa behoren derhalve toe aan de heer X in dezelfde verhouding als zijn deel in de maatschap. Omwille van de stopzetting van de maatschap, zal de heer X zijn deel in de materiële vaste activa overdragen aan A BVBA die de activiteiten zal verderzetten. In hoofde van de heer X is derhalve sprake van een volledige en definitieve stopzetting van zijn beroepswerkzaamheid.

14. Gelet op het feit dat de maatschap fiscaal transparant is, is de meerwaarde gerealiseerd naar aanleiding van deze overdracht in hoofde van de heer X belastbaar.

15. De heer X zal op het ogenblik van de stopzetting de leeftijd van 60 jaar reeds hebben overschreden zodat de stopzettingsmeerwaarde op de overgedragen materiële vaste activa in zijn hoofde overeenkomstig artikel 171, 2°, a, WIB 92 belastbaar is tegen het tarief van 10%. Wat de stopzettingsmeerwaarde op de overgedragen goodwill betreft, zal het deel van de stopzettingsmeerwaarde dat niet meer bedraagt dan de belastbare netto-baten die in de vier jaren voorafgaand aan het jaar van de stopzetting uit de niet meer uitgeoefende werkzaamheid zijn verkregen overeenkomstig voormeld artikel 171, 2°, a, WIB 92 eveneens belastbaar zijn tegen het tarief van 10%, terwijl het saldo van de stopzettingsmeerwaarde belastbaar zal zijn tegen het progressief tarief zoals voorzien in artikel 130 WIB 92.

III.B. Wat betreft de btw

16. Overeenkomstig artikel 11 W.Btw wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.

17. Artikel 18, §3, W.Btw bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.

18. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch btw Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/CE van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vroeger artikelen 5, paragraaf 8, en 6, paragraaf 5, van de zesde richtlijn 77/388/CE van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag).

19. In haar arrest van 27 november 2003 – zaak C-497/01, Zita Modes Sarl c. Administration de l’enregistrement et des domaines, heeft het Europese Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.

20. De artikelen 11 en 18, §3, W.Btw zijn derhalve van toepassing wanneer de overdracht betrekking heeft op een geheel van elementen bestaande uit lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.

21. In casu wensen de partijen al de kantoorgebonden activa van de voormelde maatschap aan A BVBA over te dragen. Het betreft een onverdeeld aandeel in verhouding tot het deel van de heer X in de maatschap. Het resterend deel werd reeds in een vroeger stadium aan dezelfde vennootschap overgedragen.

22. Ondanks de abstracte onverdeeldheid in verhouding tot het deel van de heer X in de maatschap kan gesteld worden dat deze verrichting betrekking heeft op een algemeenheid van goederen, temeer daar met het reeds vroeger ingebrachte deel effectief de volledigheid wordt overgedragen. De continuïteitsgedachte is aanwezig in de zin dat de bestaande activiteiten van de maatschap zullen worden voortgezet door A BVBA.

23. De aanvrager bevestigt dat A BVBA een btw-belastingplichtige is die, in de mate er btw zou verschuldigd zijn op de overdracht, recht op btw-aftrek heeft.

24. De hierboven beschreven overdracht dient derhalve met toepassing van de artikelen 11 en 18, §3, W.Btw te gebeuren.

Textes cités

7