Dividendes, Précompte mobilier, Mesure anti-abus, Déplacement du siège · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2016.650 22 décembre 2016

Rechercher
Texte en néerlandais

Dividendes, Précompte mobilier, Mesure anti-abus, Déplacement du siègeImpôts sur les revenus - Dividendes - Précompte mobilier - Mesure anti-abus - Déplacement du siège - Scission partielle - Suisse - Impôt des non-résidents -Etablissement belge - Scission partielle fiscalement neutre - Motifs économiques valables - Fraude ou évasion fiscale

https://juriel.be/fr/rulings/2016-650-dividendes-precompte-mobilier-mesure-anti-7a9e

Numéro
2016.650
Date
22 décembre 2016

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

125 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2016.650 dd. 22.12.2016

Impôts sur les revenus · Dividendes · Précompte mobilier · Mesure anti-abus · Déplacement du siège · Scission partielle · Suisse · Impôt des non-résidents · Etablissement belge · Scission partielle fiscalement neutre · Motifs économiques valables · Fraude ou évasion fiscale

Résumé

En ce qui concerne la scission partielle :

- La scission partielle de X conformément à l’article 231, §2 du CIR 92 peut se dérouler de manière fiscalement neutre dans le chef de l’établissement stable belge de X ;

- Les éléments de patrimoine qui sont transférés font partie d’une universalité de biens/branches d’activité au sens des articles 11 et 18, § 3 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée (C.TVA) et la scission partielle envisagée ne peut pas, en tant que telle, être qualifiée de livraison d’un bien ou d’un service et par conséquent ne relève pas du champ d'application de la TVA.

- la scission partielle n’entraîne aucune imposition immédiate dans le chef de monsieur R.

En ce qui concerne le transfert du siège de Y du pays M vers la Belgique, que/qu’ :

- Aucun dividende de liquidation imposable ne naît dans le chef de l’actionnaire (belge) de Y au sens de l’article 18, premier alinéa, 2°ter du CIR 92 ;

- À défaut d’octroi ou de mise en paiement, aucun précompte mobilier ne peut davantage être exigible, conformément à l’article 267 du CIR 92 ;

- Le capital statutaire de Y a la nature de capital réellement libéré en application de l’article 184bis, §5, premier alinéa du CIR 92 et que l’article 184bis, §5, troisième alinéa du CIR 92 n’est pas d'application ;

- La valeur comptable, au moment du transfert du siège, des actifs de Y vaut comme valeur d’acquisition fiscale conformément à l’article 184ter, §2, deuxième alinéa du CIR 92.

En ce qui concerne la distribution de dividendes de Y à Z, que :

- Ces dividendes sont exonérés du précompte mobilier belge en application de l’article 15, alinéa 1er de la Convention ;

- Cette exonération peut être invoquée avant que la période de détention de deux ans ne soit échue à condition que Z s’engage à détenir la participation pendant une période de deux ans.

- L’article 344, §1er du CIR 92 ne trouve pas d’application sur l’exonération du précompte mobilier.

On attire l’attention sur le fait qu’une clause de rétroactivité comptable éventuelle relative à la scission partielle n’est acceptable que si la clause de rétroactivité en question :

- correspond à la réalité et porte sur une courte période : à cet égard on signale qu'une clause de rétroactivité comptable de plus de sept mois ne peut être considérée, dans des circonstances normales, comme portant sur une courte période ;

- et n'empêche pas une juste application de la législation fiscale.

Cette décision est uniquement valable pour autant qu’une copie de l’extrait de rôle d’un pays de l’UE, dans lequel la scission partielle de X a été traitée et qui fait apparaître la neutralité fiscale, soit transmise au bureau de contrôle belge compétent.

La présente décision se base sur les éléments tels qu’ils ont été mentionnés par le demandeur. Dans cette décision, le SDA ne se prononce pas à propos de l’application possible des dispositions anti-abus (article 183bis ou article 344, §1, du CIR 92, …) suite à des opérations qui ne sont pas décrites dans cette décision comme l’éventuelle cession future des actions de Y.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvrager wenst bevestiging te bekomen dat:

- Wat de partiële splitsing betreft:

- De partiële splitsing van de vennootschap X conform artikel 231, §2 WIB92 belastingneutraal kan plaatsvinden in hoofde van de Belgische vaste inrichting van X;

- Er op basis van artikel 18, 2° ter WIB92 juncto artikel 209 WIB92, artikel 210 WIB92, artikel 211, §1, 2° WIB92, artikel 264, 2, eerste gedachtestreepje WIB92 en artikel 313 WIB92 geen aanleiding is voor het totstandkomen van een belastbaar liquidatiedividend in hoofde van de heer R;

- De vermogensbestanddelen die worden overgedragen een algemeenheid van goederen/bedrijfsafdeling uitmaken in de zin van de artikelen 11 en 18, § 3 van het Wetboek over de toegevoegde waarde (W.Btw) en de voorgenomen partiële splitsing als dusdanig niet kwalificeert als een levering van een goed of dienst en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de btw valt.

- Wat de zetelverplaatsing van Y van een land van de EU naar België betreft:

- Er geen belastbaar dividend ontstaat in hoofde van de aandeelhouders van Y in de zin artikel 18, eerste lid, 2°ter WIB92;

- De roerende voorheffing, overeenkomstig artikel 267 WIB92, niet opeisbaar wordt;

- Het statutair kapitaal van Y de aard heeft van werkelijk gestort kapitaal in toepassing van artikel 184bis, §5 eerste lid WIB92 en dat artikel 184bis, §5, derde lid WIB niet van toepassing is;

- De boekwaarde op het ogenblik van de zetelverplaatsing van de activa van Y geldt als de fiscale aanschaffingswaarde overeenkomstig artikel 184ter, §2, tweede lid WIB92.

- Wat de dividenduitkering van Y aan Z betreft:

- Dividenden die door Y (na de zetelverplaatsing aan te merken als een Belgische vennootschap) worden uitgekeerd aan Z vrijgesteld zijn van Belgische roerende voorheffing onder toepassing van artikel 15, lid 1 van de Overeenkomst van 26 oktober 2004 tussen de Zwitserse Bondstaat en de Europese Unie, waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zin vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna “de Overeenkomst”);

- Deze vrijstelling kan worden ingeroepen voordat de houdperiode van 2 jaar is verstreken mits Z zich engageert om de participatie gedurende een periode van minimaal twee jaar aan te houden; en

- Artikel 344, §1 WIB92 geen toepassing vindt voor wat betreft de vrijstelling van roerende voorheffing op de dividenden zoals opgenomen in artikel 15, lid 1 van de Overeenkomst.

II. Beslissing

2. X is gevestigd in een lidstaat van de EU. Sinds 2005 is de groep actief op de Belgische markt onder een bepaalde naam, een merknaam die van bij de creatie eigendom is van X.

3. Alhoewel de focus van X ligt op de Belgische markt, werd bij de opstart van de Belgische activiteiten geen Belgische vennootschap opgericht, maar werd beslist om te werken met een vennootschap in een lidstaat van de EU. Dit werd zo opgezet omwille van regulatoire en historische redenen

4. Om de juridische structuur in lijn te brengen met het strategische model en alle activiteiten te centraliseren in België wordt beoogd om de huidige structuur verder te vereenvoudigen.

5. In dit verband valt op te merken dat een nieuwe strategische partner wellicht weinig tot geen interesse zal hebben in het merk van X. Om toekomstige investeerders niet te ontmoedigen werd besloten om het merk niet mee te migreren naar België. In dit verband worden de volgende stappen voorgesteld:

Stap 1 - Partiële splitsing van de vennootschap X.

6. Alle activiteiten (buiten het merk B) worden partieel gesplitst naar een nieuw op te richten vennootschap van een land van de EU (hierna ‘Y’). De partiële splitsing wordt uitgevoerd door een uitgifte van nieuwe aandelen aan de bestaande aandeelhouders van X en zonder enige opleg in geld; eventueel zal binnen Y wel een bijkomende kapitaalsinbreng noodzakelijk zijn, om het vereist minimum maatschappelijk kapitaal naar het recht van het land waar Y gevestigd is en Belgisch recht te creëren.

Stap 2 - Zetelverplaatsing van Y naar België.

7. Gelet op de groeiambities (cfr. supra) zal de Y in de vorm van een kapitaalvennootschap worden opgericht.

8. Om te komen tot een meer gestroomlijnde aandeelhoudersstructuur van X Y en zodoende de groeiambitie gestalte te kunnen geven binnen een beperkte groep van ‘key’ aandeelhouders, wordt overwogen om middelen uit te keren in de vorm van een dividend in cash en dit eventueel reeds binnen de 2 jaar na het totstandkomen van Y. De uitgekeerde fondsen zullen gebruikt worden om de positie van de huidige meerderheidsaandeelhouders van X verder te versterken.

II.A. Partiële splitsing

9. Artikel 231, § 2, WIB92 bepaalt het volgende:

“Wanneer een Belgische inrichting of in België gelegen bestanddelen behoren tot de goederen die door een binnenlandse vennootschap of door een intra-Europese vennootschap vanwege een intra-Europese vennootschap worden verworven, naar aanleiding van een fusie, een splitsing of een ermee gelijkgestelde verrichting, of een inbreng van één of meer bedrijfstakken of takken van werkzaamheid of van de algemeenheid van goederen die plaatsvindt met toepassing in de Staat van vestiging van de overgenomen, gesplitste of inbrengende intra-Europese vennootschap van de belastingvrijstelling bepaald door de Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 als bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b)bis, dan:

1° komen de meerwaarden bedoeld in de artikelen 44, § 1, 1°, en 47, die op het ogenblik van de verrichting zijn vrijgesteld, de kapitaalsubsidies bedoeld in artikel 362, die op het ogenblik van de verrichting nog niet als winst worden aangemerkt, alsmede de meerwaarden die naar aanleiding van de verrichting zijn verwezenlijkt of vastgesteld, niet in aanmerking voor belastingheffing;

2° blijft belastingheffing voor het overige achterwege voor zover de inbrengen worden vergoed met nieuwe aandelen, of voor zover, ingeval van fusie, splitsing of gelijkgestelde verrichting, de vóór de verrichting binnen de Belgische inrichting van de overgenomen of gesplitste vennootschap aanwezige vrijgestelde reserves worden overgenomen door de overnemende of verkrijgende binnenlandse vennootschap of binnen een Belgische inrichting van de overnemende of verkrijgende intra-Europese vennootschap.

Het eerste lid is slechts van toepassing voor wat betreft de ten gevolge van de verrichting overgenomen of verkregen bestanddelen die aangewend worden binnen een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting en die bijdragen tot de totstandkoming van de resultaten van deze inrichting die in toepassing van artikel 233 in aanmerking worden genomen voor de belastinggrondslag, of voor wat betreft de in België gelegen bestanddelen die in België behouden blijven en onder de toepassing van artikel 233 vallen.

Het eerste lid is daarenboven slechts van toepassing op voorwaarde dat:

1° de verrichting wordt verwezenlijkt overeenkomstig de van toepassing zijnde bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en conform de van toepassing zijnde vennootschapsrechtelijke bepalingen van gelijke aard van een andere lidstaat van de Europese Unie die van toepassing zijn op de overnemende of verkrijgende intra-Europese vennootschap;

2° de verrichting beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis.”

10. De geplande verrichting betreft de partiële splitsing van de vennootschap X, waarbij een gedeelte van haar vermogen (waaronder alle bestanddelen behorend tot haar Belgische inrichting) zal worden overgedragen aan een nieuw op te richten vennootschap (Y).

11. Zowel de partieel te splitsen vennootschap als de verkrijgende vennootschap kunnen worden aangemerkt als een intra-Europese vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b)bis, WIB92.

12. De aanvrager heeft bevestigd dat de partiële splitsing in een land van de EU belastingneutraal zal worden doorgevoerd in toepassing van een belastingvrijstelling zoals bepaald door de Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009. De aanvrager heeft er zich toe verbonden een kopie van het aanslagbiljet van een land van de EU, waarin de transactie werd verwerkt en waaruit de belastingneutraliteit blijkt, aan het bevoegde Belgische controlekantoor te bezorgen.

13. De aanvrager heeft eveneens bevestigd dat de verrichting zal worden verwezenlijkt conform de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en conform de vennootschapsrechtelijke bepalingen van toepassing op de overnemende vennootschap naar het recht van een land van de EU en dat de vennootschapsrechtelijke bepalingen van dat land gelijkaardig zijn aan de Belgische bepalingen.

14. Alle bestanddelen van de bestaande Belgische inrichting van X zullen worden overgedragen met toepassing van een boekhoudkundige continuïteit en zullen aangewend worden en behouden blijven binnen de Belgische inrichting van Y. Tevens zullen deze bestanddelen bijdragen tot de totstandkoming van de resultaten van deze inrichting die in toepassing van artikel 233 WIB92 in aanmerking zullen worden genomen voor de belastinggrondslag. De aanvrager heeft bevestigd dat de Belgische inrichting van X per 31 december 2015 niet over overgedragen fiscale verliezen, overgedragen aftrek voor risicokapitaal, overgedragen investeringsaftrek of DBI-overschotten beschikt.

15. De aanvrager heeft tevens bevestigd dat de vrijgestelde reserves die reeds bestonden ten name van de Belgische inrichting van X bij voortduur zullen worden aangemerkt als vrijgestelde reserves van de Belgische inrichting van Y.

16. De aanvrager heeft verklaard dat alle Belgische personeelsleden zullen tewerkgesteld blijven in de Belgische inrichting van Y. De vennootschap X zal na de overdracht van haar Belgische inrichting geen activiteiten meer uitoefenen in België en zal enkel nog bepaalde activa aanhouden.

17. De partiële splitsing (gevolgd door de zetelverplaatsing van Y naar België) kadert binnen de strategische beslissing om over te schakelen naar een nieuw werksysteem dat het grootste aanbod aan producten biedt voor de klanten.

18. Deze transparante en eenvoudige structuur zal bovendien beter toelaten om de IPO of de toetreding van kandidaat investeerders voor te bereiden, hetgeen noodzakelijk is om een verdere groei te realiseren. De aanvrager heeft bevestigd dat het geenszins de bedoeling is om alle aandelen van Y te vervreemden.

19. Op basis van de door de aanvrager verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de partiële splitsing van X zal plaatsvinden op basis van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB92 zodat de verrichting beantwoordt aan de voorwaarde van artikel 231, §2, derde lid, 2°, WIB92.

20. Derhalve kan worden besloten dat aan alle voorwaarden zoals gesteld in artikel 231, §2, WIB92 is voldaan, zodat de partiële splitsing van X geen belastingheffing teweegbrengt ten name van haar Belgische inrichting.

21. Zoals hierboven blijkt, kan de partiële splitsing op een belastingvrije manier plaatsvinden. Gelet op het feit dat in het land van de EU deze partiële splitsing dezelfde behandeling zou krijgen als een partiële splitsing van een binnenlandse vennootschap zou krijgen ingevolge artikel 211, §1 WIB92, kan artikel 210, §1, 1° WIB92 en dus artikel 209 WIB92 niet worden toegepast. Bijgevolg zou artikel 18, 2° ter WIB92 ook niet van toepassing zijn. Dit is geheel in overeenstemming met artikel 8, paragraaf 5 van de Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 (gemeenzaam “de fusierichtlijn”).

22. Bijgevolg heeft de partiële splitsing geen onmiddellijke belastingheffing in hoofde van de heer R tot gevolg.

23. Hierboven wordt de partiële splitsing beschreven van de vennootschap X waarbij alle activiteiten (buiten een bepaald actiefbestanddeel) worden afgesplitst naar een nieuw op te richten vennootschap.

24. Alle bestanddelen van de bestaande Belgische vaste inrichting van X zullen aangewend worden en behouden blijven binnen de Belgische vaste inrichting van Y (i.e. boekhoudkundige en fiscale continuïteit).

25. Overeenkomstig artikel 11, btw-wetboek wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, §3, btw-wetboek bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.

26. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch BTW Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/CE van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (vroeger artikelen 5, paragraaf 8, en 6, paragraaf 5, van de zesde richtlijn 77/388/CE van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag).

27. In haar arrest van 27 november 2003 – zaak C-497/01, Zita Modes Sarl c. Administration de l’enregistrement et des domaines heeft het Europese Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.

28. De artikelen 11 en 18, § 3 van het btw-wetboek zijn derhalve van toepassing wanneer de overdracht betrekking heeft op een geheel van elementen bestaande uit lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.

29. In casu zal de overnemer (de Belgische vaste inrichting van Y) de activiteiten in België op een autonome manier verderzetten op basis van de overgedragen activa en passiva bestanddelen. Deze bestanddelen omvatten alle noodzakelijke activa.

30. Art. 11 en 18, § 3 van het btw-wetboek zijn bovendien alleen van toepassing wanneer de overnemer een btw-belastingplichtige is met (volledig of gedeeltelijk) recht op aftrek.

31. De Belgische vaste inrichting van Y zal in België onder meer activiteiten van online weddenschappen uitoefenen. Deze activiteiten dienen op grond van artikel 44, §3, 13° btw-wetboek aan de btw te worden onderworpen. De Belgische vaste inrichting zal derhalve een recht op btw-aftrek in België genieten.

32. De hierboven beschreven partiële splitsing dient derhalve te gebeuren met toepassing van artikel 11 en 18 § 3 btw-wetboek.

II.B. Zetelverplaatsing

33. De zetelverplaatsing van Y van een lidstaat van de EU naar België zal plaatsvinden met juridische en boekhoudkundige continuïteit. Gelet op deze juridische en boekhoudkundige continuïteit, zal de zetelverplaatsing niet gepaard gaan met de ontbinding en vereffening van Y, waardoor er logischerwijze ook geen gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen zal plaatsvinden.

34. Artikel 18, eerste lid, 2° ter WIB92 werd ingevoerd door de Wet van 24 december 2002. Uit de parlementaire stukken blijkt dat artikel 18 WIB92, werd aangevuld teneinde de inkomsten die zijn betaald of toegekend bij gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van eigen aandelen door vennootschappen uitdrukkelijk onder een afzonderlijke categorie van dividenden te vermelden. De wet was m.a.w. gericht op het belastbaar stellen van (echte) liquidatieboni en de inkoop van eigen aandelen.

35. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er thans uit hoofde van de overbrenging van de zetel geen belastbaar liquidatiedividend ontstaat in hoofde van de aandeelhouders in de zin van artikel 18, eerste lid, 2°ter WIB92.

36. Artikel 267, eerste lid WIB92 bepaalt dat de toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten de opeisbaarheid van de roerende voorheffing tot gevolg heeft.

37. Hierboven werd vastgesteld dat er geen sprake is van toekenning of betaalbaarstelling van enig roerend inkomen. Bijgevolg zal artikel 267, eerste lid WIB92 niet van toepassing zijn.

38. Bij de oprichting werd het kapitaal van Y euro volstort door middel van de inbreng in natura resulterend uit de partiële splitsing.

39. Bijgevolg heeft het statutair kapitaal van Y na immigratie naar België de aard heeft van werkelijk gestort kapitaal ingevolge artikel 184bis, § 5, eerste lid, WIB92 en artikel 184, eerste lid, WIB92.

40. Artikel 184bis, § 5, tweede en derde lid WIB92, luidt:

‘De andere bestanddelen van het eigen vermogen worden als belaste reserves aangemerkt, met uitzondering van de vrijgestelde reserves verbonden aan een Belgische inrichting waarover die buitenlandse vennootschap beschikte vóór de overbrenging.

In afwijking van het tweede lid worden de andere uit het buitenland overgebrachte bestanddelen van het eigen vermogen als vrijgestelde reserves aangemerkt indien de overbrenging gebeurt vanuit een vennootschap als bedoeld in artikel 203, § 1, eerste lid, 1° WIB92, behalve wanneer die vennootschap gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie en daar aan de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen is onderworpen.’

Artikel 184bis, § 5, derde lid, WIB92 is niet van toepassing wanneer het een vennootschap betreft die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie en daar aan de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen is onderworpen.

41. Gelet dat X en haar rechtsopvolger Y sinds hun ontstaan bij voortduur onderworpen waren aan de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen in de lidstaat van de EU, kan artikel 184bis, § 5, derde lid WIB92 bijgevolg geen toepassing vinden.

42. De door Y (voorheen in hoofde van X) opgebouwde reserves, zoals bedoeld in artikel 184bis, § 5, tweede lid, WIB92, dienen als belaste reserves te worden beschouwd, na de immigratie van Y in België.

43. De vrijgestelde reserves die reeds bestonden in hoofde van het Belgisch bijkantoor van X worden bij voortduur aangemerkt als vrijstelde reserves van het Belgisch bijkantoor van Y.

44. De boekwaarde op het ogenblik van de zetelverplaatsing van de activa van Y geldt overeenkomstig artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92 als de fiscale aanschaffingswaarde.

45. Artikel 184ter, § 2, tweede lid WIB92 bepaalt dat in geval van de overbrenging naar België van haar maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer door een buitenlandse vennootschap, worden voor wat betreft de bestanddelen verbonden aan de buitenlandse inrichtingen of de in het buitenland gelegen bestanddelen waarover deze vennootschap beschikt, de later gerealiseerde meerwaarden en minderwaarden wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de boekwaarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting.

46. Op basis van artikel 184ter, § 2, tweede lid WIB92 kan besloten worden dat de boekwaarde op het ogenblijk van de zetelverplaatsing van de activa van Y geldt als de fiscale aanschaffingswaarde.

II.C. Vrijstelling Roerende Voorheffing

47. De internrechtelijke verzaking aan de inning van de roerende voorheffing zoals vervat in artikel 106, §5 KB/WIB92 is, gelet op de huidige tekst van het dubbelbelastingverdrag België-Zwitserland van 28 augustus 1978, niet toepasbaar daar dit verdrag niet voorziet in een voldoende uitwisseling van inlichtingen. Het Avenant gesloten op 10 april 2014 tussen de Zwitserse bondsstaat en het koninkrijk België tot wijziging van de overeenkomst van 28 augustus 1978 is nog niet in werking getreden, inclusief een gewijzigd artikel 26.

48. Er wordt door de aanvrager beroep gedaan op artikel 15, lid 1 van de Overeenkomst van 26 oktober 2004 tussen de Zwitserse Bondstaat en de Europese Unie, waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling.

49. Deze Overeenkomst is, gelet op het Bericht in het Belgisch Staatsblad van 29 juni 2005 (tweede editie), in werking getreden op 1 juli 2005.

50. Artikel 15, lid 1 van bovenvermelde Overeenkomst primeert op de Belgische internrechtelijke bepalingen, waaronder de verzaking vervat in artikel 106, §5 KB/WIB92.

51. De uitkering van dividenden door een Belgische dochteronderneming aan een Zwitserse moedermaatschappij is, ingevolge artikel 15, lid 1 van bovenvermelde overeenkomst, niet onderworpen aan belasting in België indien alle voorwaarden vermeld in artikel 15, lid 1 van bovenvermelde Overeenkomst voldaan zijn.

52. Beide vennootschappen zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting. De aanvrager heeft terzake de nodige bewijsstukken overgemaakt.

53. Krachtens geen enkel dubbelbelastingverdrag bevindt de fiscale woonplaats van Y noch Z zich in een derde staat.

54. Beide vennootschappen zijn bovendien kapitaalvennootschappen, zoals bedoeld in bovenvermelde Overeenkomst.

55. Z heeft de intentie om gedurende ten minste twee jaar een directe deelneming van minimaal 25% in het kapitaal van Y aan te houden.

56. Y en Z engageren zich om bij een toekomstige dividenduitkering de nodige verplichtingen te vervullen om de toepassing van de vrijstelling aan de bron te voldoen. Daartoe zal Y, naast een volledig ingevulde aangifte in de roerende voorheffing, tevens een ad hoc fiscaal attest bekomen van Z waarin deze laatste dient te bevestigen dat de voorwaarden voor vrijstelling op het betreffende moment voldaan zijn.

57. Indien Y NV overgaat tot de uitkering van een dividend binnen de twee jaar na de partiële splitsing, zal de minimale houdperiode van twee jaar nog niet voldaan zijn (maar zou deze pas op een later moment in de toekomst voldaan zijn). De houdperiode van twee jaar begint immers opnieuw te lopen vanaf de partiële splitsing.

58. Y meent echter dat de minimum houdperiode van twee jaar op het ogenblik van de dividenduitkering nog niet vervuld moet zijn om te kunnen genieten van de vrijstelling roerende voorheffing zoals opgenomen in artikel 15, lid 1 van de Overeenkomst, zolang de moedervennootschap, Z, zich engageert de participatie gedurende een periode van minimaal twee jaar aan te houden, en dit om de volgende redenen:

- Op basis van een letterlijke lezing van artikel 15, lid 1 van de Overeenkomst wordt niet vereist dat de houdperiode reeds vervuld dient te zijn op moment van dividenduitkering. Deze interpretatie is dan ook in lijn met de lezing van de Moeder-Dochterrichtlijn (zoals naar verwezen in de Overeenkomst) en de Belgische omzetting van de Moeder-Dochterrichtlijn.

- Verder bestaat de doelstelling van artikel 15 van de Overeenkomst erin het geografisch toepassingsgebied van de Moeder-Dochterrichtlijn uit te breiden naar Zwitserland. Het 'Denkavit' principe (waarbij het engagement een participatie aan te houden volstaat om te voldoen aan de minimum houdperiode) zou daarom ook van toepassing moeten zijn in de context van artikel 15 van de Overeenkomst.

- De Zwitserse belastingadministratie heeft haar positie reeds bevestigd inzake de toepasbaarheid van de Denkavit rechtspraak in de context van artikel 15 van de Overeenkomst (circulaire dd. 15 juli 2005).

59. Naar analogie met de Moeder-Dochterrichtlijn, zal Y er zich toe verbinden om, indien er binnen de komende twee jaar een dividend zou uitgekeerd worden, een bedrag gelijk aan de eventueel verschuldigde roerende voorheffing provisoir in te houden tot op het moment dat de voorwaarde van de tweejaarstermijn voldaan is, zoals vereist door artikel 117, §15 KB/WIB92 (ter implementatie van de Moeder-Dochterrichtlijn in Belgisch intern recht).

Textes cités

9
CTVA art. 116 occurrences
CTVA art. 186 occurrences
CTVA art. 441 occurrence
directive 2009/133 art. 81 occurrence