IMPÔT DES SOCIÉTÉS : Scission fiscalement neutre · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2016.324 5 juillet 2016

Rechercher
Texte en néerlandais

IMPÔT DES SOCIÉTÉS : Scission fiscalement neutreIMPÔT DES SOCIÉTÉS : Scission fiscalement neutre - Fusion fiscalement neutre - Motifs économiques valables - DROITS D’ENREGISTREMENT - TVA

https://juriel.be/fr/rulings/2016-324-impot-societes-scission-fiscalement-neutre-acbe

Numéro
2016.324
Date
5 juillet 2016

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

65 paragraphes

Fiche du SPF Finances

IMPÔT DES SOCIÉTÉS

Scission fiscalement neutre · Fusion fiscalement neutre · Motifs économiques valables

DROITS D’ENREGISTREMENT

TVA

Résumé

La scission de la société A, par laquelle son patrimoine est réparti entre les sociétés B et C et la fusion subséquente entre les sociétés B, D et R qui exercent une activité similaire a lieu, s’inscrit dans le cadre d’une rationalisation de la structure sociale et répond au prescrit de l’article 183bis du CIR 92.

La scission planifiée de la société A et la fusion des sociétés B, D et E peuvent bénéficier de l’exemption des droits d’enregistrement proportionnels en vertu de l’article 117, § 1er, C. enr.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of

1.1. de geplande splitsing, waarbij het vermogen van A deels zal worden afgesplitst naar B en deels naar C, plaatsvindt op basis van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92) en of de splitsing voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, § 1, vierde lid, WIB 92 zodat deze kan plaatsvinden onder het belastingneutraal regime zoals bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92;

1.2. de daaropvolgende fusie door overneming van D en E door B, plaatsvindt op basis van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis WIB 92 en of de fusie door overneming voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, § 1, vierde lid WIB 92 zodat deze kan plaatsvinden onder het belastingneutraal regime zoals bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92;

1.3. de geplande splitsing van A en de fusie van B, D en E kan plaatsvinden onder vrijstelling van de evenredige registratierechten krachtens artikel 117, § 1 van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten (hierna W.Reg.);

1.4. de geplande splitsing van A kan genieten van de vrijstelling voorzien in de artikelen 11 en 18, § 3 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W. BTW.).

II. Omschrijving van de verrichtingen door de aanvrager

2. De aandeelhouders van vennootschap A wensen d.m.v. een splitsing, het vermogen van A (onroerende goederen) te verdelen over de vennootschappen B en C zodat de onroerende goederen terechtkomen bij de activiteit waar ze bij aansluiten.

3. Tevens wordt er een fusie doorgevoerd tussen de vennootschappen B, D en E. Deze vennootschappen oefenen gelijkaardige activiteiten uit.

III. Beslissing

4. De aandeelhouders van de vennootschappengroep wensen over te gaan tot een reorganisatie van de vennootschappenstructuur.

5. Vennootschap A bezit onroerende goederen die worden verhuurd. Er wordt verhuurd aan derden en aan andere vennootschappen uit de groep. De vennootschap A stelt personeel tewerk.

6. Vennootschap B beheert en investeert middels dochtervennootschappen in residentieel vastgoed

7. Vennootschap C is de topholding van een groep exploitatievennootschappen.

8. De vennootschappen D en E bezitten onroerende goederen die worden verhuurd aan derden.

9. De aanvragers wensen over te gaan tot een splitsing van vennootschap A waarbij een deel van de onroerende goederen overgaat naar vennootschap B en een deel van de onroerende goederen toekomt aan vennootschap C.

10. Vervolgens wordt er overgegaan tot een fusie tussen de vennootschappen B, D en E.

11. De splitsing en fusie wordt ondersteund door volgende zakelijke overwegingen:

11.1. door de fusie en splitsing ontstaat er een centralisatie van de vastgoedactiviteiten in vennootschap B. Deze centralisatie en rationalisering is nodig om de verdere ontwikkeling van de vastgoedtak terdege te kunnen uitwerken. Er zijn concrete uitbreidingsplannen. De centralisatie van de vastgoedactiviteit biedt volgende voordelen:

- transparantie naar stakeholders en klanten;

- betere naamsbekendheid;

11.2. verbetering van de financiële slagkracht van vennootschap B (mede gelet op de concrete investeringsplannen en de bedoeling om deze via bankfinanciering door te voeren);

11.3. efficiënter en effectiever beleid en bestuur door één Raad van Bestuur voor alle vastgoedactiviteiten;

11.4. vereenvoudiging van de groepsstructuur op drie vlakken:

- financieel: de intragroepsleningen verdwijnen;

- tewerkstelling: een personeelslid kan zonder problemen van “verboden terbeschikkingstelling” werkzaam zijn voor de gehele vastgoedactiviteit;

- verminderen van administratieve taken en kosten;

11.5. door de creatie van een eenvoudige structuur wensen de aandeelhouders de groep klaar te maken om te worden voortgezet door de volgende generatie;

11.6. aangezien bepaalde onroerende goederen voor het relationeel beheer van vennootschap C (en groepsvennootschappen) worden gebruikt, is de overname hiervan door vennootschap C rationeel gezien het meest logisch.

12. De aanvragers hebben bevestigd dat de herstructurering geen negatieve impact zal hebben op de tewerkstelling binnen de groep. Het personeel zal overgaan naar vennootschap C.

13. De aanvragers hebben aangetoond dat de splitsing en fusie niet fiscaal geïnspireerd zijn:

13.1. de verrichtingen hebben een negatieve invloed op de berekeningsbasis van de aftrek voor risicokapitaal;

13.2. de verrichtingen leiden tot een beperkingen van de fiscaal overdraagbare verliezen en DBI-aftrek;

13.3. de aanvragers verklaren geen intentie te hebben om de aandelen van de bij de verrichting betrokken vennootschappen te vervreemden.

14. De aanvragers hebben aangegeven dat artikel 213, WIB 92 zal worden nageleefd.

15. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen en de door de DVB gemaakte analyse kan worden aangenomen dat de splitsing van vennootschap A en de fusie door overneming van vennootschap D en vennootschap C door vennootschap B plaatsvinden op grond van zakelijke overwegingen en niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of –ontwijking hebben in de zin van artikel 183bis, WIB 92.

16. Volgens artikel 117, § 1, W.Reg. is het bij artikel 115 en 115bis, W.Reg. bepaalde recht niet verschuldigd in geval van inbreng van de universaliteit der goederen van een vennootschap, bij wijze van fusie, splitsing of anderszins, in een of meer nieuwe of bestaande vennootschappen.

17. Deze bepaling is evenwel slechts toepasselijk op voorwaarde dat:

17.1. de vennootschap die de inbreng doet de zetel van haar werkelijke leiding of haar statutaire zetel heeft op het grondgebied van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen, en

17.2. eventueel na aftrek van de op het tijdstip van de inbreng door de inbrengende vennootschap verschuldigde sommen, de inbreng uitsluitend vergoed wordt, hetzij door toekenning van aandelen of deelbewijzen die maatschappelijke rechten vertegenwoordigen, hetzij door toekenning van aandelen of deelbewijzen die maatschappelijke rechten vertegenwoordigen samen met een storting in contanten die het tiende van de nominale waarde van de toegekende maatschappelijke aandelen of deelbewijzen niet overschrijdt.

18. Artikel 120, W.Reg. bepaalt dat wanneer een inbreng in vennootschap gedeeltelijk vergolden wordt anders dan bij toekenning van maatschappelijke rechten, de overeenkomst, naarmate van deze vergelding, wordt onderworpen aan de rechten zoals ze in dit hoofdstuk vastgesteld zijn voor de overeenkomsten onder bezwarende titel die goederen van dezelfde aard tot voorwerp hebben. Zo een inbreng met onroerende goederen vermeld in artikel 115bis en goederen van een andere aard begrijpt, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten, die de vergelding van bedoelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht enkel op laatstbedoelde rechten betrekking te hebben. Deze bepalingen zijn evenwel niet toepasselijk bij inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117, W.Reg.

19. In het kader van de voorgenomen reorganisatie vinden er twee basisverrichtingen plaats:

19.1. enerzijds zullen alle bedrijfsactiva en -passiva van vennootschap A door middel van een zuivere splitsing worden afgesplitst naar de twee bestaande vennootschappen B en C, en

19.2. anderzijds neemt vennootschap B alle bedrijfsactiva en -passiva van vennootschappen D en E over via een fusie door overneming.

20. Bij beide verrichtingen zal de inbreng worden gedaan door een Belgische vennootschap, zijnde vennootschap A, vennootschap D dan wel vennootschap E. Hierdoor is voldaan aan de voorwaarde dat de inbreng gedaan wordt door een vennootschap waarvan de zetel der werkelijke leiding of de statutaire zetel gevestigd is op het grondgebied van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen.

21. Aangezien de eerste verrichting een volle splitsing betreft, heeft de inbreng betrekking op de universaliteit van de goederen van de over te nemen vennootschap. Het volledige vermogen van vennootschap A wordt ingevolge de splitsing overgedragen aan de bestaande naamloze vennootschappen C en B.

22. De inbrengen ingevolge de splitsing en de fusies worden tevens uitsluitend vergoed in aandelen in die zin dat de overnemende vennootschappen B en C enerzijds (in het kader van de splitsing) en vennootschap B anderzijds (in het kader van de fusies) geen opleg in geld betalen. Maar vermits er tevens passiva worden overgedragen, moet in principe rekening worden gehouden met de toepassing van artikel 120, lid 1, W.Reg., de zogenaamde gemengde inbreng op basis waarvan a rato van het passief evenredige rechten verschuldigd zijn. In hetzelfde artikel 120, W.Reg. en meer bepaald in lid 3 wordt er echter een uitzondering voorzien voor het geval de universaliteit van de goederen wordt ingebracht. Vermits dit laatste in casu het geval is, kan artikel 117, § 1, W.Reg. toch onverkort worden toegepast en zijn de geplande splitsing- en fusieoperaties vrijgesteld van evenredige registratierechten.

23. In het kader van de voorgenomen reorganisatie zullen alle bedrijfsactiva en passiva van vennootschap A door middel van een zuivere splitsing worden afgesplitst naar de twee bestaande vennootschappen B en C.

24. Inzake de overdracht van de activa en passiva naar vennootschap C wordt de vraag gesteld of deze overdracht kan gebeuren onder toepassing van artikel 11 en artikel 18, § 3, W.BTW.

25. Overeenkomstig artikel 11, W.BTW wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, § 3, W.BTW bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.

26. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch Btw-Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/EG.

27. In haar arrest van 27 november 2003 – zaak C-497/01, Zita Modes Sarl vs. Administration de l’enregistrement en des domaines heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” aldus moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.

28. In dit verband kan worden vastgesteld dat vennootschappen B en C ieder een gedeelte van de activiteit van vennootschap A overnemen door de overname van verscheidene bestanddelen zoals weergegeven in de aanvraag. Voor de bestanddelen die door vennootschap C worden overgenomen kan de DVB vaststellen dat dit een geheel vormt dat op zichzelf de overnemer in staat stelt een autonome economische activiteit uit te oefenen.

29. Rekening houdend met het feit dat vennootschap C bovendien een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht van de algemeenheid van goederen of van de bedrijfsafdeling zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken, vindt de hierboven beschreven overdracht van een bedrijfsafdeling door vennootschap A aan vennootschap C plaats onder de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW.

30. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvragers vermeld werden. De DVB spreekt zich in deze beslissing, ondanks de vermelding in randnummer 13.3 niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 183bis of artikel 344, § 1, WIB 92, …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing zoals de eventuele toekomstige overdracht van de aandelen van vennootschappen B of C.

Textes cités

5