Exemption, Location immobilière, Exploitation des ports · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2012.483 5 février 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Exemption, Location immobilière, Exploitation des portsTVA - Exemption - Location immobilière - Exploitation des ports - Article 44, § 3, 2°, a), 5ème tiret, du CTVA

https://juriel.be/fr/rulings/2012-483-exemption-location-immobiliere-exploitation-ports-76dc

Numéro
2012.483
Date
5 février 2013

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

71 paragraphes

Fiche du SPF Finances

2012.483

Décision anticipée n° 2012.483 dd. 05.02.2013

TVA · Exemption · Location immobilière · Exploitation des ports · Article 44, § 3, 2°, a), 5ème tiret, du CTVA

Résumé

La location à titre onéreux par X à Y, d'un centre logistique situé dans une zone portuaire, concerne une mise à disposition de biens immeubles par nature dans le cadre de l'exploitation des ports, des voies navigables et des aéroports au sens de l'article 44, § 3, 2°, a), cinquième tiret, du Code de la TVA. Cette mise à disposition n'est dès lors pas exonérée et doit être soumise à la TVA.

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvragers willen de bevestiging bekomen dat:

• de verhuur van een op te richten logistiek centrum, door X aan Y, valt onder het toepassingsgebied van artikel 44, §3, 2°, a), vijfde gedachtestreepje van het btw-wetboek;

• deze handeling bijgevolg onderworpen is aan btw.

II. Omschrijving van de verrichting

2. Onderneming X zal een logistiek centrum oprichten in havengebied en verhuren aan Onderneming Y.

III. Motivering van de aanvraag

3. De aanvrager meent dat de overeenkomst die X en Y beogen af te sluiten, valt onder de toepassing van artikel 44, §3, 2°, a), vijfde gedachtestreepje van het btw-wetboek op grond van de volgende argumenten.

III.A. Draagwijdte van de toepassing van artikel 44, § 3, 2°, a), vijfde gedachtestreepje Btw-Wetboek

IV.A.a. Principe: de verhuur van onroerende goederen is vrijgesteld van btw

4. Krachtens artikel 2 van het btw-wetboek zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.

5. Krachtens artikel 44, § 3, 2° van het btw-wetboek zijn echter vrijgesteld van btw"de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen". De verhuur van onroerende goederen is dus in principe vrijgesteld van btw.

IV.A.b. Uitzondering: de terbeschikkingstelling van onroerende goederen in havengebieden

IV.A.b.1. Wettelijke regeling

6. Door de Wet van 31 juli 2009 (B.S. 6 augustus 2009) werd artikel 44, §3, 2°, a), vijfde gedachtestreepje ingevoerd in het btw-wetboek:

"Van de belasting zijn nog vrijgesteld:

(...)

2° de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, met uitzondering van:

de volgende diensten:

(…)

- de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens;".

7. Deze bepaling voorziet aldus in een uitzondering op de btw-vrijstelling inzake de verhuur van onroerende goederen. In dit verband kan erop worden gewezen dat volgens een vaste Europese rechtspraak de btw-vrijstellingen uitzonderingen zijn op de algemene regel dat diensten verricht door belastingplichtigen in de regel onderworpen zijn aan de heffing van de btw. Bijgevolg moeten de uitzonderingen op deze regel (de btw-vrijstellingen) strikt worden geïnterpreteerd (O.m. H.v.J. 18 januari 2001, C-150/99, in de zaak Stockholm Lindöpark, punt 25; H.v.J. 12 juni 2003, in de zaak C-275/01, Sinclair Collis, punt 23; H.v.J. 18 november 2004, in de zaak C-284/03, Temco Europe, punt 19; H.v.J. 3 maart 2005, in de zaak C-428/02, Fonden Marselisborg Lystbådehavn, punt 30). Dit houdt ook meteen in dat uitzonderingen op de btw-vrijstellingen ruim moeten worden ingevuld, aangezien ze de toepassing van de btw-vrijstelling als uitzonderingsregel beperken.

8. De ratio legis van deze bepaling dient gezocht te worden in de evolutie die de interpretatie van artikel 44, § 3, 2° van het btw-wetboek heeft ondergaan ingevolge Europese rechtspraak. Oorspronkelijk nam de btw-administratie het standpunt in dat het ter beschikking stellen van gronden en gebouwen die behoorden tot het openbaar domein, waaronder ook onroerende goederen gelegen in havengebieden, onder de vorm van een concessie niet als een van btw vrijgestelde onroerende verhuur kwalificeerde. Op grond van hun precaire karakter moesten deze vormen van terbeschikkingstelling immers worden aangezien als een dienst zoals bedoeld in artikel 18, §1, tweede lid, 6° van het btw-wetboek (het verlenen van een recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen). Concessies werden overeenkomstig de toenmalige administratieve praktijk bijgevolg steeds aan btw onderworpen, zodat de concessiegever tevens de hoedanigheid van belastingplichtige had met recht op aftrek (Vr. en Antw., Kamer, 2004 -2005, nr. 85, blz. 14738).

9. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 18 november 2004 in de zaak C-284/03, Belgische Staat tegen Temco Europe NV, echter verduidelijkt dat het begrip 'onroerende verhuur' eveneens van toepassing kan zijn op overeenkomsten die het verlenen van een precair gebruiksrecht onder bezwarende titel tot voorwerp hebben, wanneer deze overeenkomsten in hoofdzaak de terbeschikkingstelling van ruimtes of oppervlakten in gebouwen beogen. Dit is nadien ook nog bevestigd in een ander arrest dat precies ging over de btw-behandeling van de terbeschikkingstelling van een openbaardomeingoed (Hof van Justitie van 25 oktober 2007, in de zaak C-174/06 Ministero delle Finanze - Ufficio IVA di Milano tegen CO.GE.P. Srl).

10. Verder stelde het Hof in het arrest 'Temco' dat er enkel sprake kan zijn van een 'onroerende verhuur' wanneer een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (H.v.J. 4 oktober 2001, C-326/99, Stichting Goed Wonen; H.v.J. 18 november 2004, C-284/03, Temco Europe SA).

11. Ingevolge bovenstaande Europese rechtspraak verantwoordt het feit dat een concessieovereenkomst een precair karakter heeft dus niet meer de onderwerping aan btw van dergelijke concessie. De Minister van Financiën moest aldus erkennen dat ook concessies op gronden en gebouwen gelegen in havengebieden volgens de toenmalige btw-wetgeving dienden beschouwd worden als onroerende verhuren vrijgesteld van btw krachtens artikel 44, § 3, 2° van het btw-wetboek (Parl. Vr. nr. 380 (BROTCORNE) van 8 oktober 2008).

12. Gebruik makend van artikel 135, 2, in fine van de Europese btw-richtlijn 2006/112/EG, dat de lidstaten toelaat om uitzonderingen te voorzien op de btw-vrijstelling voor onroerende verhuur, heeft België als reactie op bovenstaande Europese rechtspraak artikel 44, §3, 2°, a), vijfde gedachtestreepje ingevoerd in het btw-wetboek.

IV.A.b.2. Administratieve interpretatie

13. De termen 'terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen' en 'in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens' werden niet verder gedefinieerd in de Wet, noch in Koninklijke of Ministeriële besluiten of administratieve commentaren. De draagwijdte van de nieuwe bepaling was aldus bij haar invoering niet volledig duidelijk.

14. In de parlementaire werken bij de invoering van artikel 44, §3, 2°, a), vijfde gedachtestreepje in het btw-wetboek werd door de Minister van Financiën meegedeeld dat door de invoering van de nieuwe bepaling enkel een feitelijke situatie bij wet bevestigd werd. Het zouden enkel de domeinconcessies verleend in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens door openbare instellingen zijn die aan btw werden onderworpen. De onroerende goederen die worden verhuurd door private instellingen zouden niet onder de uitzondering vallen en dus vrijgesteld van btw blijven (Verslag namens de commissie voor de Financiën en de begroting bij het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, DOC 52 2027/002, 22 juni 2009, 4-5). Deze stelling was echter vatbaar voor kritiek, aangezien zij enerzijds niet in overeenstemming is met de letterlijke lezing van de wettekst die geen onderscheid maakt naargelang de hoedanigheid van de partij die de onroerende goederen ter beschikking stelt, en anderzijds een schending zou inhouden van het gelijkheidsbeginsel.

15. In een antwoord op een parlementaire vraag van 11 mei 2011 gaf de Minister Van Financiën meer verduidelijking met betrekking tot de draagwijdte van de nieuwe bepaling. De Minister stelde dat elke terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen gelegen in het havengebied in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens aan btw-heffing onderworpen is, ongeacht of de belastingplichtige een havenexploitant is of niet. Dezelfde handeling moet altijd op dezelfde manier behandeld worden, of de belastingplichtige nu tot de private of tot de openbare sector behoort (Mondelinge Parl. Vr. nr. 4288 (VERHERSTRAETEN) van 11 mei 2011, Beknopt verslag 53, Commissie voor de Financiën en de Begroting 229 van 11 mei 2011, 22).

16. Uit bovenstaand standpunt van de Minister blijkt dat niet enkel concessies uitgesloten worden van de btw-vrijstelling maar elke vorm van terbeschikkingstelling van onroerende goederen in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens.

17. In een antwoord op een volgende parlementaire vraag gaf de Minister Van Financiën verdere verduidelijking inzake de interpretatie van de term 'in het kader van de exploitatie van havens'. De Minister stelde dat hieronder begrepen moet worden de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen, voor zover de betrokken onroerende goederen zich binnen de havengebieden bevinden, zoals deze zijn bepaald door de bevoegde regionale overheden. De Minister voegde hier aan toe dat de regionale overheden, om de havengebieden en de activiteiten die er kunnen uitgeoefend worden te bepalen, in havengebieden slechts activiteiten toelaten (restaurants, cafés, benzinestations, bankagentschappen,…) wanneer deze de gebruikelijke aanvulling of bijhorigheid zijn van de havenactiviteiten (Parl. Vr. nr. 5-2319 (TOMMELEIN) van 12 mei 2011, www.senaat.be).

18. Op basis van de twee bovengenoemde parlementaire vragen meent de aanvrager dat artikel 44, §3, 2°, a), vijfde gedachtestreepje van het btw-wetboek geïnterpreteerd moet worden in de zin dat de volgende handelingen aan btw onderworpen zijn: alle vormen van terbeschikkingstelling, ongeacht door wie verleend, van onroerende goederen gelegen binnen de havengebieden, zoals bepaald door de bevoegde regionale overheden en voor zover de in de desbetreffende onroerende goederen uitgeoefende activiteiten toegelaten zijn door de bevoegde regionale overheden in het havengebied.

III.B. Toepassing op de verhuur van het logistieke centrum door X aan Y.

19. Volgens de aanvrager voldoet de verhuur van het logistieke centrum door X aan Y aan alle voorwaarden om te ressorteren onder artikel 44, §3, 2°, a), vijfde gedachtestreepje van het btw-wetboek:

• Het betreft een vorm van terbeschikkingstelling van een uit zijn aard onroerend goed (nl. een verhuur);

• De handeling wordt verricht door een belastingplichtige;

• Het desbetreffende onroerend goed is duidelijk gelegen op het grondgebied van het havengebied zoals vastgesteld door het Gewest;

• De activiteit die in het onroerend goed zal uitgeoefend worden is expliciet toegelaten in het havengebied door het Gewest.

• Het Gewest heeft aan de haven een mandaat toegekend voor het beheer van de site, met als opdracht de opwaardering en de economische ontwikkeling, met inbegrip van havenactiviteiten en tewerkstelling. De haven heeft in uitvoering van dit mandaat een concessieovereenkomst gesloten met X waarin expliciet erkend wordt dat de terbeschikkingstelling van het terrein aan Y verenigbaar is met de sociale doelstellingen en de verplichtingen van de concessiehouder zoals opgenomen in de concessieovereenkomst. Deze doelstellingen bestaan in de opwaardering en economische ontwikkeling, met inbegrip van het creëren van havenactiviteiten en tewerkstelling.

Bijgevolg kan besloten worden dat de verhuur van het logistieke centrum onderworpen is aan btw-heffing. X zal btw dienen aan te rekenen op de periodieke huurvergoedingen.

IV. Beslissing

Uit het door de DVB gedane onderzoek blijkt het volgende:

20. X is een btw-belastingplichtige die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

21. Uit de concessieovereenkomst tussen de haven en X, blijkt dat het Gewest aan de haven een mandaat heeft toevertrouwd voor het beheer van de site met als opdracht de opwaardering en economische ontwikkeling, met inbegrip van het creëren van havenactiviteiten en tewerkstelling. Uit het addendum bij de concessieovereenkomst blijkt dat de haven en X overeenkomen dat de terbeschikkingstelling van het logistieke centrum aan Y verenigbaar is met de sociale doelstellingen en de verplichtingen van de concessiehouder zoals opgenomen in de concessieovereenkomst.

22. De voorgenomen handeling waarover een beslissing wordt gevraagd, betreft de verhuur van een (nog op te richten) logistiek centrum (hierboven omschreven) door X aan Y.

23. De aanvrager bevestigt dat het (op te richten) logistiek centrum, dat aan Y zal worden verhuurd, volledig zal gelegen zijn in havengebied zoals bepaald door de bevoegde regionale overheid.

24. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, a), van het Btw-Wetboek, worden de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen vrijgesteld van de belasting, met uitzondering van:

* …

* …

* …

* …

* de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen, en vlieghavens ;

25. In het antwoord op mondelinge vraag nr. 4288 van 11 mei 2011 van dhr. Verherstraeten (z. Integraal verslag van de Commissie van de Financiën en Begroting van 11 mei 2011, Kamer 2010-2011, COM 229, blz. 36) heeft de Minister van Financiën bevestigd dat :

• elke terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen gelegen in het havengebied in het raam van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens, aan de btw-heffing onderworpen, ongeacht of de belastingplichtige de hoedanigheid bezit van exploitant van havens, bevaarbare waterlopen en luchthavens;

• dezelfde handeling op dezelfde manier moet worden behandeld ongeacht of de belastingplichtige tot de private dan wel de openbare sector behoort.

26. In het antwoord op schriftelijke vraag nr. 5-2319 van 12 mei 2011 van dhr. Tommelein (z. www.senate.be) heeft de Minister van Financiën verder verduidelijkt dat :

• de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen in het kader van de exploitatie van zeehavens is bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, a), laatste streepje van het Btw-Wetboek voor zover de betrokken uit hun aard onroerende goederen zich binnen de havengebieden bevinden, zoals deze zijn bepaald door de bevoegde regionale overheden.

• de bevoegde regionale overheden, om de havengebieden en de activiteiten die er kunnen worden uitgevoerd te bepalen, in de havengebieden slechts activiteiten (restaurants, cafés, benzinestations, bankagenstschappen, …) toelaten wanneer deze de gebruikelijke aanvulling of bijhorigheid zijn van de havenactiviteiten.

27. Voorgaande in acht genomen kan bijgevolg worden besloten dat de verhuur onder bezwarende titel door X aan Y, van het hierboven omschreven nog op te richten logistieke centrum, een terbeschikkingstelling betreft van een uit zijn aard onroerend goed in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens in de zin van artikel 44, § 3, 2°, a), vijfde streepje van het Btw-Wetboek. Deze terbeschikkingstelling is bijgevolg niet vrijgesteld en moet onderworpen worden aan de btw.

Textes cités

9