Tribunal de première instance de Bruxelles, 12 mars 2013 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 12 mars 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Bruxelles, 12 mars 2013Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruxelles-2013-03-12-b397

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
12 mars 2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

66 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 12.03.2013

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste Kamer

A.R. 2012/251/A

In zake van :

De heer P. S., wonende te …, …

eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. I. C., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de fiscaliteit, sector BTW, in persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3107,

verwerende partij,

Vertegenwoordigd door de heer H. D. B., inspecteur.

In deze zaak, in beraad genomen op 1/02/2013, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift op grond van art. 1385decies Ger.W. neergelegd ter griffie op 5/01/2012;

• de beschikking op grond van art. 747 Ger.W. van 30/03/2012;

• de conclusies en conclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 4/05/12 en 17/08/12;

• de conclusies en tweede conclusies voor eisende partij, neergelegd ter griffie op 4&5/07/12 en op 11&12/09/12;

• het bundel met stukken van verweerder neergelegd ter griffie op 17/08/12.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 1/02/2013, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

Eisende partij liet 'werken in onroerende staat' zoals bedoeld in art. 20, § 2 KB nr. 1 dd. 29/12/1992 uitvoeren in België door de Nederlandse onderneming HSS B. & I., gevestigd te … (…), ….

Op het tijdstip van het uitvoeren van die werken was voormelde onderneming niet als zelfstandig aannemer in België geregistreerd overeenkomstig de artikelen 400 en 401 W.BTW. Zij had ook geen aansprakelijk vertegenwoordiger laten aanstellen.

Op grond van inlichtingen ingezameld door de lokale opsporingsdienst van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit van … blijkt dat er een aantal facturen door voormelde onderneming werden uitgereikt aan de heer P. S., … te …, … waarbij er geen Belgische BTW werd aangerekend :

Factuur dd. 10/03/03 (o/n 0310) : € …

Factuur dd. 25/03/03 (o/n 0310.2) : € …

Factuur dd. 24/04/03 (o/n 0310.3) : € …

Op 21/11/06 werd door de bevoegde diensten een proces-verbaal opgesteld waaruit blijkt dat eisende partij een bedrag van € … aan BTW verschuldigd is (21 % op € …).

Daar betaling uitbleef werd op 5/12/2006 een dwangbevel uitgevaardigd (geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 05/12/2006) met referentie RCIV nr. …. Dit werd aan eisende partij betekend.

Op 30/11/11 werd middels gerechtsdeurwaardersexploot uitgaande van gerechtsdeurwaarder B. S. een bevel tot betaling betekend aan eisende partij.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

De vordering van eisende partij strekt ertoe het bestreden dwangbevel dd. 5/12/06 met referentie RCIV nr. … te horen vernietigen, minstens de tenuitvoerlegging ervan te verbieden.

Verder beoogt de vordering de veroordeling van verweerder tot terugbetaling van alle op grond van voormeld dwangbevel ontvangen betalingen of ingehouden bedragen evenals de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.I. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eisende partij wordt niet betwist, noch bemerkt de rechtbank ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid. De vordering van eiseres is ontvankelijk.

3.II. Ten gronde

De argumenten van eisende partij zijn als volgt samen te vatten :

- de facturen in kwestie zouden betaald geweest zijn, 'BTW inclusief’ zodat eisende partij niet kan gehouden zijn nogmaals BTW af te dragen.

Verweerder herleidt in eerste instantie de gevorderde BTW schuld tot € … (met name 6 % op …) meer interesten en kosten, dit n.a.v. de rechtspraak van het Hof van Justitie m.b.t. de registratie van aannemers.

Verder benadrukt verweerder dat omdat de facturen het bedrag van de BTW niet vermelden eisende partij in toepassing van art. 51, § 1 hoofdelijk gehouden is t.a.v. de Belgische Staat tot voldoening van de belasting.

Beoordeling

Eisende partij brengt geen enkel stuk bij en bewijst zodoende niets van zijn (beperkte) argumentatie.

Eisende partij wordt niet verplicht de BTW een tweede maal af te dragen. Eisende partij wordt slechts verplicht de BTW die niet werd aangerekend een eerste maal af te dragen, dit op basis van de wettelijke bepalingen inzake de hoofdelijke gehoudenheid.

De vordering van eisende partij is niet gegrond.

4. KOSTEN, WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN

Nu de vordering van eisende partij ongegrond is, worden de kosten van het geding ten laste van eisende partij gelegd.

Omdat verweerder niet door een advocaat werd vertegenwoordigd heeft hij evenwel geen recht op een rechtsplegingsvergoeding, zodat er hem dan ook geen kan worden toegekend.

Noch de waarde van het geschil, noch deze vergoeding (KB dd. 26 oktober 2007) dienen zodoende te worden bepaald en begroot.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk maar ongegrond.

Zegt voor recht dat de aanvankelijk gevorderde hoofdsom aan BTW wordt herleid tot € …,

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter bijzondere terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 12 maart 2013.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. L. rechter

De heer W. V. afgevaardigd griffier.

W. V. M. L.

Textes cités

1
AR no 1 art. 201 occurrence

Décisions similaires

8