Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel de Gand du 19.12.2023
WF 710-15-20/046301
[Favorable à l'administration]
Taxe sur la valeur ajoutée – Travaux immobiliers – Taux réduit de TVA – Immeuble neuf
Dispositions légales
Article 1er de l’arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970 et rubrique XXXVIII du tableau A de l'annexe de l'arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970
Résumé
1. Les faits et les antécédents de procédure
Il ressort de la vérification d'une déclaration déposée relative à une construction que les factures relatives à la transformation et à l'agrandissement d'une habitation existante avaient été soumises au taux réduit de TVA de 6 %. Or, l'administration estimait que le taux réduit de TVA n'était pas applicable sur la base de l'article 1er de l'AR n° 20. Les deux parties ayant maintenu leur position, l'administration a dressé un procès-verbal. Les montants de la TVA, des amendes et des intérêts ont ensuite été inscrits dans le registre de perception et recouvrement.
Par le biais d’une requête datée du 25 août 2020, l'appelant a saisi le tribunal de première instance de Flandre orientale, division Gand, d’une demande en opposition contre la dette fiscale susmentionnée.
Le tribunal de première instance a déclaré la demande recevable mais non fondée.
La partie adverse a fait appel de ce jugement.
2. L'arrêt de la cour d'appel
L'arrêt note que la question de savoir si les travaux immobiliers doivent être qualifiés de travaux de rénovation ou de travaux de construction d’un bâtiment neuf au sens de l'article 1er de l'AR n° 20 est une question de fait qui doit être examinée au cas par cas. La taxe s'appuie sur la réalité. Les termes utilisés dans le permis d'urbanisme ne sont pas pertinents.
Le législateur n'a pas donné une définition concernant permettant de qualifier les travaux immobiliers susmentionnés. Tous ces termes doivent être compris dans leur sens normal.
Par ailleurs, l'arrêt précise qu'il y a transformation, à laquelle s'applique le taux réduit de TVA de 6 %, quelle que soit la dénomination qui lui est donnée, lorsque les travaux s'appuient de manière relevante sur les murs portants préexistants, en particulier sur les murs extérieurs, et, plus généralement, sur les éléments essentiels de la structure de l'immeuble à rénover. En revanche, il y a une construction nouvelle lorsque le bâtiment est reconstruit après démolition, même si certaines parties, telles que les fondations, les caves ou seulement la façade, sont conservées. C'est également le cas lorsque des éléments essentiels de la structure du bâtiment, et notamment les fondations du bâtiment, doivent être substantiellement renouvelés ou renforcés pour supporter les travaux réalisés.
Pour que les travaux d'agrandissement répondent à la notion de « transformation », il faut que l’habitation existante reste l'élément principal et que l'agrandissement soit subordonné à la transformation de l'ancienne maison et n'intervienne qu'en fonction de celle-ci. L'intervention ne doit pas être d’une ampleur trop importante ce qui amènerait à considérer que les travaux doivent être considérer comme réalisant la construction d’un bâtiment neuf.
Plus précisément, la cour indique que, en ce qui concerne le rez-de-chaussée, les éléments de la structure existante sont encore substantiellement présents et les murs ont au moins partiellement conservé leur fonction portante. Le premier étage de la maison, en revanche, ne peut pas être considéré autrement que comme neuf.
L'agrandissement de la nouvelle partie du rez-de-chaussée de l’habitation et du premier étage est d'une telle ampleur que de nouvelles fondations structurelles, des contreforts et des éléments portants substantiels étaient indispensables pour soutenir les travaux exécutés d'une manière durable et stable. Le fait que la structure existante reste une partie intégrante et même le noyau (point essentiel) de la nouvelle structure n'est pas suffisant pour conclure que les travaux réalisés s’appuient de manière relevante sur les éléments essentiels du bâtiment existant.
En outre, la superficie de l'habitation avant les travaux était de 117,84 m². Depuis les travaux, la superficie est de 335,64 m², soit plus du double, de sorte que la structure préalablement existante ne constitue plus la moitié de la maison. Le nouvel étage repose d'une part sur la structure existante (partiellement démontée) et renforcée et, d'autre part, sur la nouvelle extension arrière de la maison. Dans ces circonstances, il doit être décidé que l'agrandissement de l'habitation est tel que la structure d’origine est devenue subordonnée à la nouvelle et qu'il s'agit d'une nouvelle construction.
La cour arrive à la conclusion finale que c'est à juste titre que l'administration a appliqué le taux de TVA de 21 %.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van beroep Gent, Arrest, vijfde kamer
Arrest van 19.12.2023
Rol: 2022/AR/1198
In de zaak van:
D. V. P., RRN 85....14,
wonende te ...,
appellant,
hebbende als raadsman mr. I. A.-M., advocaat te ... en mr. D. T., advocaat te ...
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, 0N 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal Algemene administratie Fiscaliteit, Centrum KMO Gent, met burelen te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6/761,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. L G., advocaat te ...
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 7 juli 2022 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 21 april 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/2248/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.
De zaak werd behandeld in de openbare terechtzitting van 21 november 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellant kocht op 8 juni 2010 een vrijstaande woning gelegen aan .... Op 13 juli 2015 werd een vergunning lot het verbouwen en uitbreiden' van de woning toegekend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Moerbeke. In de navolgende periode werden werkzaamheden aan de woning verricht, waarbij een btw-tarief van 6% werd toegepast op de ontvangen facturen.
Op 10 maart 2017 diende de appellant een bouwaangifte in zoals voorgeschreven door artikel 64, §4 WBTW met betrekking tot het gebouw.
Op 16 september 2019 voerde de belastingadministratie een controle uit met betrekking tot de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% voor de verbouwing van de woning. Uit onderzoek van het verbouwingsdossier leidde de administratie af dat dit btw-tarief onterecht werd toegepast, omdat de uitgevoerde werken niet op relevante wijze steunden op oude dragende muren en meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Op 17 september 2019 werd een correctieopgave opgemaakt, waarin de bijkomend verschuldigde btw werd bepaald op 26.652,10 EUR. Tevens werd een (verminderde) proportionele geldboete van 10%, of 2.660,00 EUR opgelegd. De appellant verklaarde zich bij brief van 7 oktober 2019 niet akkoord met deze naheffing.
De administratie bleef bij haar standpunt en stelde, wegens de blijvende betwisting, op 15 juni 2020 een proces-verbaal van regularisatie op. Daarin werd aangegeven dat de uitgevoerde werken zorgden voor een ingrijpende wijziging in de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en dat de oppervlakte van het oude gedeelte niet langer betekenisvol was ten aanzien van de oppervlakte van het nieuwe gedeelte. Vastgesteld werd dat de appellant aan de geïntimeerde een bedrag van 26.652,10 EUR als btw en van 2.660,00 EUR als proportionele geldboete verschuldigd was.
Bij gebrek aan betaling werd de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 500...18 dat op 24 juli 2020 uitvoerbaar verklaard werd. Een uittreksel uit het innings- en invorderingsregister werd bij aangetekend schrijven van diezelfde dag ter kennis gebracht van de appellant.
Met een verzoekschrift van 25 augustus 2020 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. In het vonnis van 21 april 2022 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent beslist om de vordering van de appellant ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren.
Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering yan de appellant
De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens het bestreden vonnis te niet te doen en opnieuw wijzend te zeggen voor
recht dat concluant niet gehouden is tot betaling van de BTW-schuld opgenomen in het
innings-en invorderingsregister gekend onder het artikelnummer 500...18,
opgemaakt op 22 juli 2022 en uitvoerbaar verklaard op 24 juli 2020;
Het innigs-en invorderingsregister m.bt. deze BTW-schuld gekend onder het
artikelnummer 500...18 te vernietigen;
Voor recht te zeggen dat concluant de in dit bestreden innings- en invorderingsregister
gevorderde sommen niet verschuldigd is;
Derhalve de uitvoering van dit innings- en invorderingsregister te verbieden;
De terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde en ingehouden sommen, in
het bijzonder van het bedrag van 2.580,15 te vermeerderen met de moratoire
intresten in de zin van art. 91§4 W. BTW.
De Belgische staat te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van concluant tot op heden begroot op de RPV zowel van eerste aanleg als in graad van beroep en tot de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van 20 +€22.
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het beroep van appellante als ontvankelijk maar ongegrond af te wijzen,
Het vonnis in eerste aanleg te bevestigen,
De appellante te verwijzen in de kosten van het geding, inclusief de geïndexeerde
rechtsplegingvergoeding in hoger beroep.
4. De betwistingen en de beoordeling ervan
4.1. De voorliggende betwisting gaat over de vraag of de in opdracht van de appellant uitgevoerde werken in onroerende staat aan de woning gelegen aan ..., werken uitmaken waarop het verlaagde btw-tarief van 6% van toepassing was, dan wel betrekking hebben op werken die onderworpen zijn aan het tarief van 21%.
Krachtens artikel 37 WBTW bepaalt de Koning de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde. Het normale btw-tarief voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek, bedraagt 21% (artikel 1 KB/BTW nr. 20). De btw wordt geheven tegen een verlaagd tarief van 6% voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit. Op grond van tabel A, rubriek XXXVIII, §1 van de bijlage bij dit besluit is dit verlaagde btw-tarief van toepassing op het werk in onroerende staat met betrekking tot privéwoningen, voor zover onder meer de handelingen de gehele of gedeeltelijke 'omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging' van een woning tot voorwerp hebben. Overeenkomstig rubriek XXXVIII, §3, 1° van het KB nr. 20 wordt met de bedoelde werken ook 'het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitzondering van het reinigen' van het onroerend goed beoogd.
Waar het normale btw-tarief 21% bedraagt, berust de bewijslast inzake de toepassing van het uitzonderingstarief van 6% bij de appellant. Hij moet aantonen dat de in zijn opdracht uitgevoerde werken de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hadden. Dat de overige voorwaarden voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% op grond van artikel 1 KB/BTW nr. 20, zoals opgenomen in tabel A, rubriek XXXVIII, §1 van de bijlage bij KB/BTW nr. 20 vervuld zijn, wordt tussen de partijen niet betwist.
De vraag of de constructiewerken als een renovatie dan wel als een nieuwbouw kwalificeren in de zin van voormelde wetsbepalingen, betreft een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht. De belasting steunt zich op de werkelijkheid. De termen gebruikt in (de voorbereidings- en aanvraagdocumenten met betrekking tot) de stedenbouwkundige vergunning zijn niet ter zake dienend.
4.2. De wetgever heeft geen definitie gegeven aan de hierboven genoemde werken in onroerende staat. Al deze begrippen dienen te worden begrepen in hun normale betekenis.
Er is sprake van verbouwing, waarop het verlaagde btw-tarief van 6% van toepassing is, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Er is daarentegen sprake van nieuwbouw, waarop een btw-tarief van 21% van toepassing is, indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden. Dit is eveneens het geval wanneer wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw, en in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen (vgl. Cass. 25 juni 2020, F.19.0069.N en Cass. 21 oktober 2022, F.21.0053.N, beide consulteerbaar via https://juportal.be).
Deze rechtspraak die het hof onderschrijft, gaat voort op de richtsnoeren die de belastingadministratie reeds lang geleden heeft uitgewerkt teneinde concreet te bepalen wanneer werken onder het 'omvormen' of 'verbouwen' van een bestaand gebouw vallen, dan wel een 'nieuwbouw' of heropbouw na afbraak uitmaken. Daarin wordt ook het uitbreiden van een gebouw onder bepaalde voorwaarden gekwalificeerd als een aanvaardbare omvorming of verbouwing. Het begrip 'omvorming' wordt in de aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 (consulteerbaar via fisconetplus.be) met name omschreven als 'de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken'. In de beslissing E.T 106.933 van 1 september 1994 (consulteerbaar via fisconetplus.be) werd daarover meer concreet gesteld dat 'de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt.'.
Zelfs wanneer redelijkerwijze met enige marge rekening moet worden gehouden, blijkt dat de bovenstaande omschrijving een administratieve toegeving is op de wettekst. Dat is zeker het geval waar de administratie besliste om maximaal een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan. De wijze waarop de administratie de toegeving formuleert en uitlegt is redelijk en logisch te noemen. Alhoewel circulaires geen bindende kracht hebben en in de regelgeving als dusdanig geen oppervlaktecriterium of criterium van aanvullende functionaliteit zijn ingeschreven, maar rekening houdend met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, neemt het hof aan dat de appellant, zoals elke andere belastingplichtige, recht heeft op de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% wanneer zijn renovatie/uitbreiding zodanig beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte doordat het minstens de helft van de totale oppervlakte blijft uitmaken en het nieuwe gedeelte (functioneel) het oude gedeelte aanvult. Ook de vergelijking tussen de totale lengte van de behouden dragende buitenmuren tegenover de totale lengte van de nieuwe dragende buitenmuren kan een relevant feitelijk gegeven zijn, met dien verstande dat, zoals de appellant terecht stelt, behouden dragende buitenmuren die ingevolge de uitbreidingswerken dragende binnenmuren zijn geworden hun relevantie voor de uitgebreide woning uiteraard behouden en niet zomaar buiten beschouwing mogen worden gelaten om een mathematische rekensom te maken. Opdat de uitbreidingswerken aan het begrip 'omvormen' zouden beantwoorden, is het vereist dat de bestaande woning de hoofdzaak blijft en de uitbreiding ondergeschikt is aan en slechts plaatsgrijpt in functie van de omvorming van de oude woning. De ingreep mag niet zover gaan dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan.
Met het gedeelte van een woning dat (quasi) volledig werd afgebroken en werd heropgebouwd kan bij de toepassing van het oppervlaktecriterium geen rekening worden gehouden. Dergelijke werken betreffen immers een nieuwbouw. In ieder geval dienen de werken aan het bestaande/behouden gedeelte te kwalificeren als een verbouwing, en niet als een nieuwbouw.
4.3. In deze zaak maakte de woning aan ... het voorwerp uit van een omvorming en uitbreiding. De partijen twisten zowel over de vraag of de woning nog op relevante wijze steunt op de wezenlijke elementen van zijn oorspronkelijk structuur, als over de vraag of het resterende oude gedeelte na de werken nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Over de hierna vermelde afmetingen (en bijgevolg, oppervlaktes) twisten de partijen niet. Ook het feit dat het nieuwe gedeelte de bestaande structuur functioneel als woning aanvult en oud en nieuw samen één integrerend geheel uitmaken, is onbetwist.
De bestaande woning betrof een rechthoekige bungalow van 15,35 m op 7,30 m, met de lange zuidzijde gericht op de tuin. Zij bestond uit een kleine kelder (8,70 m2), een gelijkvloers (109,14 m2) met aangebouwde veranda en een lage zolderverdieping met puntdak over de gehele oppervlakte van de woning, bereikbaar via een trapgat. De nokhoogte van de woning was 4,65 m; de zolderverdieping zou maximaal 1,30 m hoog geweest zijn op het hoogste punt.
Ingevolge de uitgevoerde constructiewerken werd de gelijkvloerse verdieping omgevormd en uitgebreid. Aan de zuidzijde van de woning werd een uitbouw gerealiseerd (tot 4,05 m diep, maar niet over de gehele lengte even diep) die doorliep tot aan de westelijke zijde van de woning waar een bijkomend volume (onder een eigen apart puntdak) werd aangebouwd (4,25m x 5,70m). De bestaande voorgevel en oostelijke gevel bleven bewaard als buitenmuren, maar werden geïsoleerd en er werden nieuwe gevelstenen voorgeplaatst. Er werden nieuwe raampartijen in voorzien die deels overlappen met de oude raamgaten, evenals een deur; de oostelijke gevel werd ook versterkt met verschillende poutrelles om raampartijen en een nieuw deurgat te overbruggen. De oude zuidelijke gevel werd deels afgebroken. Het resterende gedeelte bleef dienstdoen als (dragende) binnenmuur, waarachter de uitbouw opgetrokken werd, zodat de oostzijde van de woning (nieuw + oud) 11,75 m lang werd. Ook de westelijke gevel werd gedeeltelijk afgebroken om de verbinding te maken met het nieuw aangebouwde, westelijke volume. Het niet afgebroken gedeelte bleef deels (4,30 m) bewaard als buitenmuur en bleef deels dienstdoen als (dragende) binnenmuur (circa 2,00 m). De openingen gemaakt in de dragende (nu) binnenmuren van de bestaande zuidelijke en westelijke gevel werden overspannen met verschillende poutrelles en steunbalken. De gelijkvloerse verdieping werd uitgebreid van 109,14 m2. naar 185,85 m2. (door de achter- en aanbouw van 76,74 m2 op de zuidelijke en westelijke zijde).
Ingevolge de uitgevoerde constructiewerken werd de bestaande ruimte onder het dak (109,14 m2) vernieuwd en uitgebreid tot een volwaardige verdieping van 141,09 m2 (met 3 slaapkamers, een badkamer, dressing, nachthal en ruimte voor technieken), onder een nieuw puntdak met verschillende dakkapellen. Het nieuwe dak kreeg een nokhoogte van 8,15 m en overspande de volledige gelijkvloerse verdieping van de woning (11,75 m x 15,35 m), behoudens het nieuwe volume op de westelijke zijde dat een afzonderlijk dak kreeg. Er werd een volwaardige trap gestoken naar de verdieping en de indeling van de woning werd structureel gewijzigd (waarbij de woonfunctie behouden bleef).
4.4. Het hof kan slechts vaststellen dat het geheel van deze bouwwerken van dien aard is dat het de loutere omvorming en beperkte uitbreiding zoals aanvaard door de administratie in haar aanschrijving en circulaire, kennelijk overstijgt. Met name kwalificeert de vernieuwde verdieping als nieuwbouw en is het bovendien niet aannemelijk dat de overblijvende structurele elementen van de benedenverdieping konden volstaan om de nieuwe verdieping te dragen zonder substantiële, structurele vernieuwingen in en aanvullende verstevigingen aan de bestaande structuur.
4.4.1. Wat het gelijkvloers betreft, zijn de elementen van de bestaande structuur nog wezenlijk aanwezig. Uit de bouwplannen blijkt dat de rechthoekige structuur (7,30 x 15,35) na de verbouwing herkenbaar aanwezig is gebleven en dat de muren minstens gedeeltelijk hun dragende functie behouden hebben, weze het als (opnieuw bezette) dragende buitenmuren dan wel als dragende binnenmuren. Noch het feit dat de zuidelijke en een deel van de westelijke buitenmuren ingevolge de werken binnenmuren werden, noch het feit dat in de noordelijke en oostelijke bestaande muren het metselwerk werd aangevuld/vervangen in functie van nieuwe raampartijen en deuren, doet aan die vaststelling afbreuk.
4.4.2. De verdieping van de woning echter, kan niet anders dan als nieuw beschouwd worden.
In de bestaande toestand had de woning geen bruikbare oppervlakte op de zolderverdieping, minstens bewijst de appellant niet dat er wel enige bruikbare oppervlakte was. In elk geval kan de bruikbaarheid van de zolderruimte niet afgeleid worden uit de loutere vaststellingen dat de zolder in 2010 geïsoleerd werd en dat er een trapgat voor een zoldertrap was. Terecht wijst de geïntimeerde er in dat verband op dat de nok van het oorspronkelijke dak slechts 1,30 m hoger was dan de dakgoot. Zelfs zonder te weten op welke hoogte de vloerplaat van de verdieping precies lag, kan er, na de isolatie van de zolder in 2010 nauwelijks enige reële hoogte en (gebukte) bewegingsruimte op deze verdieping geweest zijn. Ook de stelling van de geïntimeerde dat er geen nutsvoorzieningen op de zolderverdieping waren, wordt door de appellant niet tegengesproken of weerlegd. Dat de zolder als nuttige bergruimte zou zijn gebruikt, blijkt uit niets en is in deze omstandigheden ook niet erg aannemelijk. Anders dan de appellant voorhoudt, komt de onbruikbare en geheel verloren oppervlakte boven de gelijkvloerse verdieping in het kader van het oppervlaktecriterium niet in aanmerking voor de berekening van de bestaande oppervlakte van de woning. Het ministerieel standpunt dat de oppervlakte van de zolder inclusief verloren oppervlakte onder een schuin dak wel meegerekend kan worden (Vr. en Antw. Kamer 2002-2003, nr. 50-153, 27 januari 2003, 19612-19614 — vraag nr. 1117 Leterme), gaat uit van een bruikbare zolder en is hiermee niet in tegenspraak.
Bovendien blijkt uit het dossier dat de ruimte onder het dak volledig, tot op de vloerplaat, afgebroken en nadien (her)opgericht werd. Zowel het aanvankelijke dak als de bestaande (lage) puntgevels van de verdieping op de oostelijke en de westelijke zijde werden volledig gesloopt en vervangen. De appellant betwist dit niet (zie randnummer 41 van diens syntheseconclusie). Binnenmuren waren er niet op de verdieping. De vloerplaat werd aangevuld richting de zuidzijde van de woning, over (een deel van) de vernieuwde achterbouw heen. De minimale structurele aanwezige bouwelementen op de zolderverdieping werden dus volkomen verwijderd zodat er niets overeind bleef behoudens een gedeeltelijke vloerplaat, en dat een nieuwe verdieping opgericht werd op de bestaande en een deel van de nieuwe structuur.
Het loutere feit dat de bestaande vloerplaat van de onbruikbare ruimte behouden bleef, kan niet doen besluiten dat de zolderverdieping slechts 'omgevormd' werd. Immers werd, na afbraak van de oude elementen, een aanvullende vloerplaat gelegd en op het geheel een gans nieuwe verdieping opgetrokken, met nieuwe zijgevels, een nieuw dakgebinte en hoog puntdak met vier dakkapellen, nieuwe binnenmuren, nieuwe nutsvoorzieningen, etc.
4.4.3. Voorts is het, ondanks de opwerpingen van de appellant, niet aannemelijk dat de wezenlijke elementen en funderingen van de behouden structuur volstonden om de vernieuwde verdieping te dragen en te ondersteunen. Uit het dossier blijkt immers dat (1) de vernieuwde volwaardige verdieping een bijkomende vloerplaat kreeg, (2) de bruikbare oppervlakte van de nieuwe verdieping ongeveer 30 m2 is groter dan de oppervlakte van de oorspronkelijke structuur (109,14m2), (3) de nuttige oppervlakte van de verdieping over de totale breedte van de bestaande structuur als het ware ongeveer anderhalve meter naar het zuiden geduwd werd, waardoor automatisch het zwaartepunt van deze verdieping mee richting de nieuwe achterzijde van de woning verschoof, en (4) de achterzijde van het nieuwe puntdak, met twee uitspringende dakkapellen, een aantal meter voorbij de oorspronkelijke structuur uitkomt en noodzakelijk ondersteund diende te worden. Die zuidwaartse verschuiving blijkt duidelijk uit stuk 9/3 van de geïntimeerde, waarbij de verticaal gearceerde vlakken onbruikbare (wellicht met gyproc wanden afgezette) oppervlaktes uitmaken. Op dit stuk is boven de steunmuren van de voorgevel een brede gearceerde strook aangegeven, behoudens waar twee dakkapellen zijn (zie ook stuk 9/8 voor de vormgeving van het dak). Ook is (5) het gewicht van de vernieuwde volwaardige verdieping met bijkomende vloerplaat (boven de achterbouw), muren en nieuwe dak met dakkapellen manifest en substantieel zwaarder dan de aanvankelijke zolderruimte met kleinere vloerplaat, zonder muren onder het oude, lage dak.
Anders dan de appellant stellig voorhoudt, moet aangenomen worden dat de uitbreiding van en boven het nieuwe gelijkvloerse gedeelte van de woning van die omvang is dat nieuwe, structurele funderingen, steunberen en wezenlijke dragende elementen (in de eerste plaats op de zuidzijde) onontbeerlijk waren om de uitgevoerde werken op duurzame, stabiele wijze te ondersteunen. Ofschoon geen plan van de stabiliteitsingenieur voorligt, blijkt de noodzaak aan versterking van de behouden structuur en het aanbrengen van nieuwe wezenlijke structuurelementen aan de woning alleen al uit de hierboven geduide zuidwaartse verschuiving van het zwaartepunt van de (veel zwaardere) verdieping, uit het aantal nieuwe poutrelles en steunbalken (een tiental) dat nodig was om de afgebroken dragende muren van het bestaande gedeelte op te vangen, uit het onbetwiste feit dat verstevigende onderschoeiingen werden uitgevoerd onder de bestaande funderingen en uit de (evidente) bevestiging ter terechtzitting dat de achterbouw steunt op eigen, nieuwe funderingen. De stelling van de appellant dat er op de nieuwe delen (van de gelijkvloers) geen verdieping is, is niet verenigbaar met de bouwplannen, zoals hierboven geduid (stukken 9/3 en 9/8 van de geïntimeerde).
De appellant, die nochtans de bewijslast draagt, bewijst niet tegen deze aanwijzingen in dat de bestaande funderingen, structurele elementen en behouden draagmuren de ganse vernieuwde woning, met inbegrip van de verdieping en de dakstructuur, wezenlijk steunen. Een niet met ter zake dienende stukken onderbouwd schrijven van de architect die belast was met het ontwerp van de woning, kan daartoe niet volstaan. Dat de bestaande structuur integrerend deel en zelfs de kern blijft uitmaken van de nieuwe structuur, volstaat niet om te besluiten dat de uitgevoerde werken op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van het bestaande gebouw.
4.4.4. In het licht van de overwegingen onder randnummers 4.4.2. en 4.4.3. is het duidelijk dat de bestaande woning, voorafgaand aan de werken (8,70 + 109,14 =) 117,84 m2 behelsde. Sinds de constructiewerkzaamheden is er sprake van een woning met een oppervlakte van (8,70 + 109,14 + 76,74 + 141,09 =) 335,64 m2, hetgeen meer dan een verdubbeling is, zodat de bestaande structuur niet langer de helft van de woning uitmaakt. De nieuwe verdieping rust op de bestaande (gedeeltelijk ontmantelde) en versterkte structuur enerzijds en, onmiskenbaar, op de nieuwe achterbouw van de woning anderzijds. In die omstandigheden moet worden besloten dat de uitbreiding van de woning van dien aard is dat de aanvankelijke structuur ondergeschikt is geworden aan de nieuwe en dat er sprake is van nieuwbouw. De stelling van de appellant dat het de bedoeling was om de renovatiewerken volledig uit te voeren conform de toen geldende reglementering inzake het tarief van 6% en dat de architect in die zin geïnstrueerd werd, kan aangenomen worden, maar doet geen afbreuk aan dit oordeel.
De geïntimeerde heeft terecht het btw-tarief van 21% toegepast. Het hoger beroep van de appellant is ongegrond.
5. De gerechtskosten
De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
De rechtsplegingsvergoeding wordt vastgesteld, rekening houdend met een in geld waardeerbare vordering in hoger beroep. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 EUR.
Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 3.000,00 EUR. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag. De appellant is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 3.000,00 euro.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
-· het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
-· het bestreden vonnis wordt bevestigd.
-· de appellant wordt veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger
beroep, vastgesteld als volgt:
aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):
- bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 22,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde:
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.000,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 19 december 2023.
Aanwezig:
S. V. H., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend J. D., griffier
Décision jointe par le SPF
Jugement du tribunal de première instance
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, Fiscaal 6e burgerlijke kamer
Vonnis van 21.04.2022
Rol: 20/2248/A
In de zaak van :
D. V. P., RRN 85...14, wonende te ...,
eisende partij, hebbende als raadsman meester H. K., advocaat te ...;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal te Centrum KMO Gent — Expertise Team 2, met kantoor te 9050 Gent-Ledeberg, G. Crommenlaan 6, bus 761, KBO 0308.357.159,
verwerende partij, voor wie optreedt mevrouw X, fiscaal deskundige bij een fiscaal bestuur;
Vonnist de rechtbank als volgt:
I. PROCEDURE VOOR DE RECHTBANK
De rechtbank hoorde de partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 16 maart 2022. De rechtbank sloot het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank nam kennis van de door de partijen neergelegde syntheseconclusie en stukken.
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken zijn in acht genomen.
II.RELEVANTE FEITEN EN VOORGAANDEN
In 2010 kocht de eiser een woning, gelegen te .... Op 13 juli 2015 verleende de Gemeente ... een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen en uitbreiden van de woning.
Door de diverse aannemers werd gefactureerd voor een totaal bedrag van 177.680,68 euro. Zij pasten het btw-tarief van 6% toe waardoor een totaal bedrag van 10.660,84 euro btw werd betaald.
De eiser diende op 10 maart 2017 een btw-bouwaangifte in bij de belastingadministratie. Naar aanleiding van die aangifte gebeurde een btw-controle van de uitgevoerde werken. Volgens de controleur voldeden de uitgevoerde werken aan de woning van de eiser niet aan de toepassingsvoorwaarden, geformuleerd in Tabel A, rubriek XXX1 § 1 van de Bijlage bij het KB. nr. 20, opdat deze bouwwerkzaamheden zouden kunnen genieten van het verlaagd btw-tarief van 6%.
De eiser is het hiermee niet eens waardoor hij huidige procedure opstartte.
III.VORDERINGEN VAN DE PARTIJEN
De eiser vordert de rechtbank: voor recht te zeggen dat concluant niet gehouden is tot betaling van de B. T.W.-schuld, opgenomen in het innings- en in vorderingsregister, gekend onder het artikelnummer 500...18, opgemaakt op 22 juli 2020 en uitvoerbaar verklaard op 24 juli 2020;
het innings- en invorderingsregister m.b.t. deze B.T.W.-schuld, gekend onder het artikelnummer 500...18, te vernietigen;
voor recht te zeggen dat concluant de in dit bestreden innings- en invorderingsregister gevorderde sommen niet verschuldigd is;
derhalve de uitvoering van dit innings- en invorderingsregister te verbieden;
de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde en ingehouden sommen, in bijzonder het bedrag van 2 580,15 EUR, te vermeerderen met de moratoire interesten in de zin van art. 91 § 4 W.B.T. W.
en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van concluant begroot op 2 600 EUR rechtsplegingsvergoeding en 20 EUR bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand."
De verweerder vraagt de vordering van de eiser ontvankelijk doch niet gegrond te verklaren.
IV. BEOORDELING
1. Over het toepasselijk btw-tarief op de door de eiser uitgevoerde werken
1.1
Overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de btw en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, wordt de btw geheven tegen een tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.
Tabel A, rubriek XXXI, § 1, van de bijlage bij dit besluit bepaalt dat het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in §3 aan het verlaagd tarief wordt onderworpen, indien voldaan is aan vijf voorwaarden, met name: "1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben".
Het verlaagd tarief is aldus van toepassing op voorwaarde dat het gaat om een omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud van een bestaand gebouw en niet om een nieuwbouw.
1.2
Het enige punt waarover discussie is tussen de partijen is of de ter zake uitgevoerde bouwwerken aan de woning dienen beschouwd te worden als handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele tot voorwerp hebben (btw-tarief van 6%) dan wel als "nieuwbouw" (btw-tarief van 21%).
Er bestaat geen betwisting tussen de partijen dat de vier overige voorwaarden van Tabel A, rubriek XXXI, §1, ter zake vervuld zijn.
1.3
De vraag of de bouwwerken als een verbouwing hetzij als een nieuwbouw kwalificeren in de zin van de vermelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht.
Er is sprake van nieuwbouw, waarop een btw-tarief van 21% van toepassing is, indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden (Cass. 25 juni 2020, F.19.0069.N, op https://juportal.be).
Er is sprake van verbouwing, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (Cass. 25 juni 2020, F,19.0069.N).
Om te kunnen spreken van een "omvorming" in de zin van vermelde rubriek XXXI, § 1, 1°, dient de totale lengte van de behouden dragende buitenmuren betekenisvol hoger dient te zijn dan de totale lengte van de nieuwe dragende buitenmuren (in dezelfde zin, Gent 11 januari 2022, 2020/AR/1198).
1.4
Uit de neergelegde plannen met de daarop door de architect aangebrachte afmetingen (stuk 12 eiser) blijkt het volgende met betrekking tot de buitenmuren van de woning:
- Een gedeelte van de bestaande buitenmuur aan de achterzijde van de woning werd afgebroken; het andere gedeelte werd behouden als binnenmuur. Aan de achterzijde van de woning zijn over de ganse lengte nieuwe buitenmuren opgetrokken. Een gedeelte van de achterzijde is vier meter naar achter uitgebreid.
- De uitbreiding naar achter houdt in dat aan de zijkanten van de woning ook extra buitenmuren zijn opgetrokken.
- De zijkant (leefruimte) van de woning is over een lengte van 4,25 meter uitgebreid. Ook in die mate zijn nieuwe buitenmuren geplaatst.
- De huidige constructie rust, voor beduidend meer dan de helft, op nieuwe buitenmuren (ong. 35 meter t.o.v. ong. 25 meter oude muren).
1.5
Alleen al op grond van vermelde vaststellingen kan worden besloten dat de werken niet op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.
Er is ter zake niet voldaan aan de voorwaarde van vermelde Tabel A, rubriek XXXI, § 1, 1°, om te kunnen genieten van het verlaagd btw-tarief van 6%.
De vordering van de eiser is niet gegrond.
2. Over de gerechtskosten
De verweerder, als in het gelijk gestelde partij, is niet bijgestaan door een advocaat, zodat hem geen rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend. In dit geval is het overbodig om enige kost vast te stellen.
V. BESLISSING VAN DE RECHTBANK
De rechtbank oordeelt het volgende op tegenspraak:
De vordering van de eiser is ontvankelijk doch niet gegrond.
Er zijn geen kosten te begroten.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag 21 april 2022, waar aanwezig waren
- A. B., rechter, voorzitter van deze kamer,
- T. D. Z., griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.
Textes cités
3Jurisprudence
1Belgique
1Tribunal de première instance06.01.2025