Titre exécutoire, contre-mesure · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 14 janvier 2014

Rechercher
Texte en néerlandais

Titre exécutoire, contre-mesure

https://juriel.be/fr/jurisprudence/titre-executoire-contre-mesure-tribunal-gand-2014-01-14-f79c

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
14 janvier 2014

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

81 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Gand du 14.01.2014

Titre exécutoire - contre-mesure

Résumé

Le juge accepte la demande reconventionnelle de l’Etat Belge dans laquelle il demande à faire condamner l’assujetti au paiement de la créance fiscale. Il s'agit d'un titre exécutoire créé en l'absence d'une contrainte.

La décision est publiée uniquement dans la langue originale

Texte intégral

Corps de la décision

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te GENT dd.14.01.2014

AR 12/2734/A

ZESDE FISCALE KAMER

In de zaak van:

A. E. BVBA, met maatschappelijke zetel te … (voordien gevestigd te …, ), gekend onder het ondernemingsnummer …;

EISERES, die niet verschijnt, noch iemand voor haar;

Tegen:

de BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit -BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën,wienskantoorgevestigdiste 1000 Brussel, Wetstraat 12 en op vervolging en benaarstigingvan de Gewestelijk Directeur van de BTW te Gent, wiens kantoor gevestigd is te 9050 Gent, Zuiderpoort, Gaston Crommenlaan 6, bus 601;

VERWEERDER, ter zitting vertegenwoordigd door mevr. N. D., inspecteur bij een fiscaal bestuur.

Vonnist de rechtbank als volgt:

1. De rechtspleging

De verweerder werd gehoord in zijn middelen op de openbare terechtzitting van 26 november 2013 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift d.d. 6 augustus 2012.

Hoewel regelmatig opgeroepen, is de eiseres niet verschenen op de openbare terechtzitting waarop de zaak werd behandeld. In toepassing van artikel 747, §2,

6de lid Ger.W. wordt het vonnis op tegenspraak gewezen.

2. De vordering

De eiseres verhaalt zich tegen administratieve geldboete ten bedrage van 1.310 EUR, zoals opgelegd bij de door de BTW-administratie opgestelde bijzondere rekening, waarvan aan de eiseres kennis is gegeven bij brief van 26 maart 2012, en in het bijzonder middels het daaropvolgende betalingsbericht d.d. 2 april 2012 met referte RCIV-nr. ….

De eiseres vordert de vernietiging van de directoriale beslissing d.d. 10 mei 2012, waarbij haar verzoek d.d. 6 mei 2012 tot kwijtschelding van de geldboete werd afgewezen. De eiseres vordert de kwijtschelding van de voornoemde boete ten bedrage van 1.310 EUR, en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.

Bij wijze van tegenvordering op grond van de artikelen 14 en 809 Ger. W. verzoekt de verweerder de rechtbank om de eiseres te veroordelen tot de betaling van de resterende fiscale schuld zoals die blijkt uit de bijzondere rekening van 31 juli 2011 tot 29 februari 2012, zijnde de -BTW ten bedrage van 1.328,16 EUR, vermeerderd met de intresten overeenkomstig artikel 91, § 1, 3° W.BTW vanaf 21 februari 2012.

3. De relevante feiten en het geschil

De BVBA A. E. is sedert 1 februari 1993 geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE ….

De e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Gent 8 heeft vastgesteld dat niet binnen de wettelijke termijn is overgegaan tot betaling van de verschuldigde BTW. Ingevolge deze vaststelling werd op 29 februari 2012 (en voor de periode van 31 juli 2011 tot 29 februari 2012) de BTW-rekening-courant van de eiseres wegens niet-betaling op nul gezet en werd een bijzondere rekening opgesteld.

Volgens de bijzondere rekening was de eiseres verschuldigd aan de Belgische Staat:

-BTW: 13.141,00 EUR;

-fiscale geldboeten (artikeI70, §1W.BTW): 1.310,00 EUR;

-interesten (artikel 91, §1W.BTW) (gerekend tot 21 februari 2012) 147,84 EUR

-interesten (artikel 91, § 1 W.BTW) (gerekend vanaf 21 maart 2012) pro memorie

De boete (zoals voorzien in artikel 70, §1 BTW) is verminderd tot 1.310,00 EUR

intoepassingvanartikel1, eerstelid,V van het KB nr…. van30januari 1987.

Bij aangetekende brief van 26 maart 2012 werd de eiseres in kennis gesteld van deze bijzondere rekening.

Bij het betalingsbericht van 2 april 2012 met referte RCIV-nr. … werd de eiseres verzocht de verschuldigde sommen te voldoen bij gebreke waarvan vervolgingen worden ingesteld.

De eiseres heeft op 6 april 2012 bij de bevoegde gewestelijke directeur een verzoekschrift ingediend tot kwijtschelding van de geldboete.

Bij de thans bestreden beslissing d.d. 10 mei 2012 heeft de Gewestelijk Directeur van de BTW-Directie te Gent het verzoekschrift van de eiseres afgewezen.

De eiseres heeft vervolgens het geschil aan deze rechtbank voorgelegd middels het gedinginleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 6 augustus 2012.

De fiscale administratie licht nog toe dat de eiseres in de periode van 13 maart 2012 tot 31 augustus 2012 betalingen heeft verricht die toegerekend werden op de schuld, met name eerst op de interesten, daarna op de geldboeten en tenslotte op de verschuldigde BTW. Volgens de fiscale administratie blijft er nog een openstaande schuld van:

-BTW: 1.328,16

-interesten (artikel 91, § 1 W.BTW) (gerekend vanaf 21 februari 2012) p.m. (pr memorie).

4. Beoordeling

4.1.

De verweerder verwijst naar de artikelen 70, 72 en 84 van het BTW-Wetboek (W.BTW), en naar de uitvoeringsbepalingen, die hem de bevoegdheid verlenen om een administratieve boete of belastingverhoging op te leggen.

De thans bestreden geldboete werd bepaald op 10 % op grond van het voormelde KB nr. ..1 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW.

4.2.

De eiseres betwist niet de wettelijkheid van de opgelegde geldboete.

Ze voert aan ze actief is in de sector van de binnenscheepvaart. De eiseres stelt dat sedert 2009 er een zware structurele crisis woedt in deze sector. Hierdoor moet ze soms tot 3 maanden wachten om de ereloonnota's betaald te krijgen.

De eiseres stelt dat ze de aangerekende BTW moet voorfinancieren die ze zelf nog niet heeft ontvangen. De eiseres stelt dat dit voor haar een onmogelijke situatie is. De eiseres argumenteert dat de lonen van het bediendepersoneel moeten verder betaald worden, alsook de sociale lasten. De eiseres stelt dat ze op het einde van 2011 een tegoed had van 57.797,15 EUR, waarvan minimum 29.881,42 EUR na 3 maanden nog niet geïnd waren. De eiseres meent dat het

niet tijdig betalen van de BTW een overmachtsituatie is. Op grond van deze redenen vordert de eiseres de kwijtschelding van de geldboete ten bedrage van 1.310 EUR.

4.3.

In zijn beslissing motiveert de Gewestelijk Directeur waarom er geen gegronde redenen zijn die hem toelaten af te wijken van de wettelijke barema's:

-de eiseres leefde haar fiscale verplichtingen allesbehalve nauwkeurig na.

-de betaalde voorschotten zijn onvoldoende, en de betaalde saldo's zijn ontoereikend.

-de periodieke aangiften worden niet tijdig ingediend

De Gewestelijk Directeur stelt: "Uit bovenvermeld onderzoek stel ik vast dat uw financiële problemen reeds meerdere jaren aanslepen. Gelet op al wat voorafgaat mag aangenomen worden dat uw problemen eerder van structurele en organisatorische aard zijn en in principe niet zullen opgelost worden door een nieuwe kwijtschelding of vermindering van de geldboete."

De verweerder toont op basis van de motivering van de bestreden beslissing aan dat de niet-betaling van de BTW, die aanleiding gaf tot het opleggen van de administratieve geldboete van 10% of 1.310 EUR, geen eerste overtreding betrof.

De rechtbank stelt vast dat de administratie door het bepalen van de geldboete op 10%, reeds op een concrete en afdoende wijze rekening heeft gehouden met de door de eiseres aangehaalde concrete omstandigheden. De weigering van de kwijtschelding van de geldboete werd op afdoende gemotiveerd bij de hoger aangehaalde gronden en motieven die in de directoriale beslissing d.d. 10 mei 2012 zijn opgenomen. De in deze beslissing vermelde gronden zijn draagkrachtig en verantwoorden de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot kwijtschending van de boete. De rechtbank treedt deze motieven bij. Het bestaan van een economische crisis verantwoord op zich niet het herhaaldelijk niet nakomen door de eiseres van haar fiscale verplichtingen. De geldboete werd terecht en regelmatig opgelegd. Er zijn geen redenen om deze kwijt te schelden of te verminderen.

Devordering vandeeiseres kannietworden ingewilligd.

4.4. Met betrekking tot de tegenvordering van de Belgische Staat.

Bij wijze van tegenvordering op grond van de artikelen 14 en 809 Ger. W. verzoekt de verweerder de rechtbank om de eiseres te veroordelen tot de betaling van de resterende fiscale schuld zoals die blijkt uit de bijzondere rekening van 31 juli 2011 tot 29 februari 2012, zijnde de -BTW ten bedrage van 1.328,16 EUR, vermeerderd met de intresten overeenkomstig artikel 91, § 1, 30 W.BTW vanaf 21 februari 2012.

Hoewel de administratie over de gebonden bevoegdheid heeft de verschuldigde belasting vast te stellen en de wet haar tevens de bevoegdheid verschaft daartoe een uitvoerbare titel te creëren, kan de rechtbank de stelling van de administratie bijtreden, in die zin dat het naar aanleiding van het huidige geschil passend voorkomt om op grond van administratief-economische redenen middels het huidige vonnis deze titel te doen ontstaan.

De tegenvordering van de verweerder kan om deze redenen worden ingewilligd.

4.5. Met betrekking tot de gerechtskosten.

De eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4°van het Wetboek der registratie-, hypotheek-en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

Aangezien de Belgische Staat niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, is evenmin een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart de tegenvordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond.

Veroordeelt de eiseres tot de betaling van de resterende fiscale schuld, zoals gedetailleerd in bijzondere rekening van 31 Juli 2011 tot 29 februari 2012 (en het betalingsbericht met referte RCIV-nr. …, te vermeerderen met de intresten zoals voorzien in artikel91 W.BTW;

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt: 0 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op veertien januari tweeduizend veertien, waar aanwezig waren:

de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

Textes cités

3
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 721 occurrence
CTVA art. 841 occurrence

Décisions similaires

8