Sanction, Sursis, amende fiscale · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 4 septembre 2020

Rechercher
Texte en néerlandais

Sanction, Sursis, amende fiscale

https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanction-sursis-amende-fiscale-tribunal-bruxelles-2020-09-04-c70b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
4 septembre 2020

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

73 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 04.09.2020

WF 503-15-19/002018

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Sanction - Sursis

Disposition légale

Article 70, CTVA

Résumé

Il n’appartient pas au tribunal d’accorder un sursis quant aux amendes administratives imposées. L’article 70 du CTVA ne le permet pas.

La Cour constitutionnelle a en effet jugé que le Code de la TVA est contraire au principe d’égalité dans la mesure où la possibilité d’accorder un sursis des amendes administratives imposées, qui sont de nature pénale, n’est pas prévue contrairement à ce qui est le cas pour les amendes et les sanctions pénales (voir C.C. n° 157/2008, 06.11.2008, C.C. n° 13/2013, 21.02.2013 et C.C. n° 32/2020, 20.02.2020 ; voir également C.C. n° 55/2014, 27.03.2014 en relation avec l’article 444 CIR 92).

Toutefois, il n’appartient pas au tribunal de combler cette lacune de la législation. Il peut uniquement être établi que l’absence de possibilité d’appliquer une amende assortie d’un sursis est contraire au principe d’égalité.

Toutefois, cela n’entraîne pas ipso facto la nullité de toutes les amendes administratives infligées, mais il appartient aux cours et tribunaux de vérifier, dans la mesure où cela est demandé dans un litige concret, s’il y aurait eu des raisons d’accorder un tel sursis (cf. C.C. n° 13/2013, 21.02.2013, considération B.4.3 ; Cass., 20.06.2013, numéro de rôle F.11.0007.F et Cass., 13.11.2015, numéro de rôle F.14.0119.F).

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dd. 04.09.2020

Rol: 2018/4067/A

In zake van:

Mevrouw Magda W. RRN. 60....45 en KBO 0739.... en wonende te .... Eisende partij. Vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat met kantoor te ...

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën, K.B.0 . 0308.357.159, vertegenwoordigd door de Federale Regering, in persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12 handelend ten verzoeke van de adviseur van het team invordering natuurlijke personen, vertegenwoordigd door de adviseur-generaal van de Bijzondere Belastinginspectie met kantoren te 9050 Gent, Gaston Crommen laan 6, bus 801; Verwerende partij. Voor wie verschijnt mevr. X, attaché.

In deze zaak, in beraad genomen op 19/06/2020, wordt door de rechtbank volgend vonnis

uitgesproken:

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 20/12/2018;

• de beschikking overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 22/02/2019;

• de synthesebesluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op 16/04/2020;

• de tweede conclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie op 27/02/2020;

• de stukken va n eiseres, zoals neergelegd bij haar verzoekschrift; en

• de stukken van verweerde r, zoals neergelegd ter griffie op 16/04/2020.

In toepassing van art. 748bis Ger.W. wordt enkel rekening gehouden met de laatste besluiten van partijen .

Gehoord de advocaat van eiseres en de vertegenwoordigster van verweerder in de openbare terechtzitting van 19/06/2020, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

1. De voor huidig geding relevante feiten kunnen als volgt samengevat worden.

Eiseres is geregistreerd als belastingplichtige onder het nummer BE0739.... sinds 01/09/1998 voor activiteit van 'Cafés en bars' .

Eiseres maakte het voorwerp uit van een fiscaal onderzoek wat betreft de BTW voor de periode 01/01/2011 tot en met 31/12/2016, hetgeen resulteerde in een proces-verbaal van 19/11/2018 (stuk 1 verweerder). Hierin werd vastgesteld dat uit een gerechtsdossier waarvan inzage werd bekomen, alsook uit bankonderzoeken gevoerd in het kader van de directe belastingen, bleek dat eiseres aanzienlijke bedragen niet had aangegeven in de BTW. De niet aangegeven omzet werd berekend op basis van gelden die cash gestort werden op de privérekeningen van eiseres (p. 15-16 P.V.). Aldus werd vastgesteld dat nog verschuldigd was:

• B.T.W.: € 86.551,23;

• Proportionele geldboete: € 173.100,00;

• Interesten: vanaf 21/01/2017.

Voor deze bedragen werd op 22/11/2018 een dwangbevel opgesteld, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27/11/2018, met referentie nr. 500/.../...29 (stuk 2 verweerder). Dit dwangbevel werd eiseres ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 03/12/2018 (stuk 3 verweerder).

ll. VOORWERP VAN DE VORDERING

2. De vordering van eiseres strekt ertoe uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan met betrekking tot de opgelegde administratieve geldboete van € 173.100,00. Ter zitting werd verduidelijkt dat in de mate de rechtbank geen uitstel van betaling vermag toe te staan, eiseres de vernietiging van de betreffende geldboete vordert.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

III. BEOORDELING

III.1. De ontvankelijkheid

3. Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering niet. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. De vordering is ontvankelijk.

III.2. Ten gronde

4.

4.1. Eiseres vordert haar het voordeel van uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde administratieve geldboete toe te staan (in de mate dat dit niet zou mogelijk zijn, deze geldboete te vernietigen). Over de BTW ten gronde is geen discussie. De geldboete is strafrechtelijk van aard. Gelet op de leeftijd van eiseres (59 jaar) en het feit dat zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld werd, meent eiseres dat zij in aanmerking komt voor de gunst van het uitstel van de tenuitvoerlegging.

4.2. Verweerder wijst erop dat de wet van 29/06/1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie niet van toepassing is in fiscale geschillen die niet voor de strafrechtbank vervolgd worden. In casu zou er ook in een strafzaak geen reden geweest zijn om uitstel toe te staan. Het ging om een aanzienlijke en systematische fiscale fraude in hoofde van eiseres, waarbij zij initieel ook niet meewerkte aan het onderzoek. Nadien betaalde eiseres ook niet spontaan de verschuldigde BTW.

5.

5.1. Het komt de rechtbank niet toe uitstel toe te staan voor wat betreft de opgelegde administratieve geldboetes. Artikel 70 W.BTW laat hiertoe geen ruimte.

Het Grondwettelijk Hof heeft dan wel geoordeeld dat het BTW-wetboek strijdig is met het gelijkheidsbeginsel In de mate dat de mogelijkheid tot het verlenen van uitstel van de oplegde administratieve geldboetes, die een strafrechtelijke karakter hebben, niet voorzien is in tegenstelling tot wat het geval is bij strafrechtelijke geldboetes en straffen (zie G.H. nr. 157/2008, 06/11/2008, G.H. nr.13/2013, 21/02/2013 en G.H. nr. 32/2020, 20/02/2020; zie ook G.H. nr. 55/2014, 27/03/2014 in verband met art. 444 W.I.B.'92).

Het komt de rechtbank evenwel niet toe deze lacune in de wetgeving op te vullen. Er kan slechts vastgesteld worden dat de afwezigheid om een boete met uitstel op te leggen, strijdig is met het gelijkheidsbeginsel.

Dit leidt evenwel niet ipso facto tot de nietigheid van alle opgelegde administratieve geldboetes, doch het is aan de hoven en rechtbanken om na te gaan, in de mate dat dit wordt gevorderd in een concreet geschil, of er reden zou bestaan hebben om een dergelijk uitstel toe te staan (vgl. G.H. nr. 13/2013, 21/02/2013, overweging B.4.3; Cass. 20/06/2013, rolnummer F.11.0007.F en Cass. 13/11/2015, rolnummer F.14.0119.F).

5.2. In deze zijn geen gronden voorhanden om een uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan van de opgelegde geldboete, zelfs indien dit mogelijk zou zijn geweest.

Terecht wijst verweerder op de omvang en het systematisch karakter van de overtredingen. In de periode van 01/01/2011 tot en met 31/12/2016 heeft eiseres op systematische wijze omzet niet correct aangegeven en de hierop verschuldigde BTW niet afgedragen.

In de gegeven omstandigheden zou er dan ook geen reden geweest zijn om voor wat betreft de opgelegde administratieve geldboete eiseres het voorstel van het uitstel van de veroordeling toe te staan, zelfs indien dit mogelijk zou zijn geweest.

De vordering van eiseres is bijgevolg niet gegrond .

IV. DE KOSTEN

6. De vordering van eiseres is niet gegrond. Zij wordt bijgevolg veroordeeld tot de kosten van het geding. ·

Verweerder werd evenwel niet bijgestaan door een advocaat, zodat er geen rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de art i kelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in ge r echtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch niet gegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding en begroot deze kosten als volgt:

• in hoofde van verweerder niet verder te begroten; en

• in hoofde van eiseres op € 20,00 (bijdrage begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand),

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 7de kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerst e aanleg Brussel, op 04 september 2020.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer J. VAN BROECK: rechter,

Mevrouw C. VANACHTER: griffier.

Textes cités

1
CTVA art. 703 occurrences

Décisions similaires

8