Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel de Gand du 03.02.2026 (2024/AR/1518)
Fin 501-15-22/055277
Résumé
Non fourni
Texte intégral
Uniquement disponible dans la langue de l’arrêt.
Corps de la décision
Hof van beroep Gent
Arrest 2024/AR/1518
03.02.2026
In de zaak van:
1. REYNS Ivan, advocaat,
met kantoor te 9120 BEVEREN-WAAS, Grote Baan 68,
2. VERSCHAEREN Nils, advocaat,
met kantoor te 9120 BEVEREN-WAAS, Grote Baan 68,
beiden in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement cie1, destijds met zetel te ... - ... ..., ON ...,
appellanten q. q., verder 'appellante' genoemd
hebbende als raadsman mr. DE MEYERE Luc, advocaat te 9000 GENT, Koning Albertlaan 165 en mr. VANSLEMBROUCK Jelle, advocaat te 9000 GENT, Koning Albertlaan 165
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON ...
Adviseur invordering - Ontvanger Team rechtspersonen Aalst, met burelen te 9300 AALST,
André Sierensstraat 16/1,
geintimeerde, vertegenwoordigd door H.N., attaché
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 24 september 2024 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 22 mei 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/2261/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 6 januari 2026, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellante is sinds 3 oktober 2013 geregistreerd als btw-plichtige, o.a. voor een activiteit van handelsbemiddeling in machines, apparaten en werktuigen voor de industrie en schepen en luchtvaartuigen, alsook de handelsbemiddeling in hout en bouwmaterialen.
In de loop van 2020 vond bij de appellante een fiscale controle plaats voor het aanslagjaar 2019 inzake vennootschapsbelasting en voor de kalenderjaren 2018 en 2019 inzake btw.
Deze controle leidde tot het opstellen, op 31 mei 2022, van een proces-verbaal van taxatie inzake btw met betrekking tot de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. In het proces-verbaal van taxatie wordt gesteld dat de appellante ten onrechte btw ten bedrage van 50.400,00 EUR in aftrek heeft gebracht met betrekking tot een inkomende factuur uitgereikt door de cie2 op 1 oktober 2019. De omschrijving op de factuur is 'aanbreng projecten 01.10.2018-30.09.2019'; het factuurbedrag is 240.000,00 EUR (exc. btw). In het proces-verbaal staat onder meer het volgende te lezen:
De belastingplichtige heeft enkel een factuur aangeleverd, uitgereikt door de verbonden vennootschap cie2 (zelfde bestuurders-aandeelhouders en interne boekhouder), waarin verwezen wordt naar de aanbreng van projecten tijdens een bepaalde periode. De belastingplichtige heeft geenszins enig bewijs aangeleverd van de echtheid en het bedrag van de projecten vermeld op de betreffende factuur van cie2. Op onze herhaaldelijke vraag naar bijkomende toelichting en achterliggende stukken ter staving van deze projecten en de geleverde prestaties volgt geen antwoord. De belastingplichtige verwijst enkel naar een akkoord met de belastingadministratie ten gevolge van een eerdere controle. De akkoordverklaring dd. 13.10.2017 inzake vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2016 bevat de expliciete clausule dat het akkoord met betrekking tot de forfaitair bepaalde kosten niet bindend is voor volgende aanslagjaren. Desalniettemin neemt een akkoord over een vast bedrag voor een kost waarvan het bedrag moeilijk is te verantwoorden niet weg dat de echtheid onverwijld moet worden aangetoond voor iedere factuur betreffende dergelijke commissies in latere kalenderjaren waarvoor de btw in aftrek wordt genomen. De belastingplichtige kan geen betaalbewijzen voorleggen en heeft de leveranciersschuld overgeboekt naar de R/C van cie2. De kosten worden opgenomen in grootboekrekening 613200 'Bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed voor een vast bedrag of op contract'. Volgens de jaarrekeningen heeft de belastingplichtige nochtans geen onroerende goederen aan-of verkocht, noch ontvangt zij onroerende huurinkomsten. Volgens onze databanken heeft de appellante nooit onroerend goed in eigendom gehad.
De administratie besluit in het proces-verbaal dat niet wordt aangetoond dat uit de door de cie2 verrichte diensten enige belaste handelingen voor de appellante zijn voortgekomen, die de aftrek van de btw op grond van artikel 45, §1 WBTW zouden rechtvaardigen. Op grond van deze en andere vaststellingen worden in het proces-verbaal o.a. de volgende bedragen verschuldigd verklaard:
- 54.755,57 EUR btw (waarvan 50.400,00 EUR de hierboven omschreven inbreuk betreft);
- 5.470,00 EUR verminderde proportionele geldboete van 10%
(waarbij 10% van 50.400,00 EUR 5.040,00 EUR betreft); de wettelijke interest op de btw te rekenen vanaf 21 januari 2020.
Bij gebrek aan betaling werd op 11 juli 2022 een btw-schuld met schuldnummer 500256257909 opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 202207NL009, voor dezelfde bedragen als deze vermeld in het proces-verbaal van 31 mei 2022. Het register werd uitvoerbaar verklaard op 13 juli 2022 en bij innings- en invorderingsbericht van diezelfde datum aan de appellante gericht. De nalatigheidsinteresten verschuldigd tot 13 juli 2022 werden bepaald op 11.638,91 EUR.
Met een verzoekschrift van 21 september 2022 maakte de appellante haar vordering aanhangig bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.
In het vonnis van 22 mei 2024 heeft de zesde kamer van deze rechtbank als volgt uitspraak
gedaan:
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, maar ongegrond;
Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellante
Na correctie van een materiële vergissing (zoals vermeld in het proces-verbaal van de zitting en bij de asterisk* aangeduid) vraagt de appellante in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens: Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, d.d. 22 mei 2024 (A.R. 22/2261/A), teniet te doen.
Voor recht te zeggen dat concluante de btw geheven over de betreffende aankoopfactuur nr. 74 van de cie2 terecht in aftrek heeft gebracht.
In elk geval de proportionele geldboete van 10% te vernietigen, minstens te ontheffen.
Vervolgens de in het proces-verbaal 31 mei 2022 en in het innings- en invorderingsregister met nummer 202207NL009, onder het artikelnummer 500256257909 opgenomen navordering van btw, boete en interesten ongegrond te verklaren, en voor zover nodig te worden ontheffen of vernietigen.
Vervolgens *appellant de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 van het Ger.W. vastgesteld op het basisbedrag gelijk aan in totaal 9.209,30 EUR (4.500,00 EUR in eerste aanleg + 4.709,30 EUR in beroep) evenals de bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbestand, in toepassing van de wet van 29 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en het uitvoeringsbesluit van 26 april 2017 en, voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop, overeenkomstig artikel 91 WBTW, verschuldigde moratoriumintresten.
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
De vordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;
Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in
hoger beroep.
4. De betwistingen en de beoordeling ervan
De betwisting betreft de vraag of de appellante gerechtigd is op de aftrek van de btw van 50.400,00 EUR opgenomen in de aankoopfactuur met nr. 2020.01, die haar op 1 oktober 2019 werd uitgereikt vanwege de cie2.
De geïntimeerde heeft de aftrek van de btw op deze factuur verworpen. Hij is van oordeel dat de appellante niet aantoont dat zij voldoet aan de voorwaarden om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen. Meer bepaald acht hij niet bewezen dat de btw-aftrek betrekking heeft op goederen en diensten die werkelijk ontvangen werden en die gebruikt worden voor haar belaste activiteit.
De appellante houdt voor dat zij wel gerechtigd is op de btw-aftrek. Enerzijds meent zij dat de administratie het recht op btw-aftrek moet honoreren op grond van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Immers zou bij de appellante de gerechtvaardigde verwachting opgewekt zijn dat het recht op btw-aftrek met betrekking tot de door de cie2 gefactureerde commissies ten belope van 240.000,00 EUR aanvaard zou worden. Anderzijds meent de appellante dat afdoende bewezen is dat de cie2 middels de factuur 2020.01 werkelijke prestaties heeft gefactureerd, zodat voldaan is aan de aftrekvoorwaarden van artikel 45 WBTW juncto artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de btw.
4.1. Over de schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel
4.1.1. In de loop van 2017 werd de appellante onderworpen aan een belastingcontrole inzake vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2015 en 2016. Bij deze controle werden de commissies die de cie2 aan de appellante aanrekende, onderzocht. De controle leidde tot het opmaken van twee akkoordverklaringen. Voor het aanslagjaar 2015 werden de aangerekende commissies aanvaard; voor het aanslagjaar 2016 werden ze teruggebracht van 490.644,63 EUR naar 240.644,63 EUR, waarbij 250.000,00 EUR aan de verworpen uitgaven werd toegevoegd. In de akkoordverklaringen staat daarbij uitdrukkelijk vermeld:
Met betrekking tot de forfaitair bepaalde kosten is onderhavig akkoord niet bindend voor de volgende aanslagjaren.
De appellante werpt op dat de administratie het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden, door retroactief terug te komen op het akkoord inzake vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2016 en dit akkoord niet te laten doorwerken in het voorliggende btw-geschil. Zij stelt dat de aanvaarde commissies van ongeveer 240.000,00 EUR geen forfaitair bepaalde kosten betreffen, maar kosten waartegenover werkelijke prestaties staan. De administratie heeft bij haar, zo stelt zij, de gerechtvaardigde verwachting, minstens de schijn opgewekt dat het recht op btw-aftrek over de door de cie2 gefactureerde commissies ten belope van 240.000,00 EUR per jaar aanvaard zou worden. Zij stelt dat deze gerechtvaardigde verwachting gehonoreerd moet worden.
De geïntimeerde is van mening dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet geschonden werden. Hij benadrukt dat het akkoord inzake vennootschapsbelasting enkel het aanslagjaar 2016 betreft, waarbij uitdrukkelijk overeengekomen werd dat het akkoord niet bindend is voor volgende aanslagjaren en de niet onderzochte elementen. De akkoordverklaring zou geen vrijgeleide zijn om voor volgende aanslagjaren telkens 240.000,00 EUR te factureren aan de appellante. Hij wijst er ook op, in conclusies en tijdens de openbare terechtzitting van 6 januari 2026, dat de akkoordverklaring uitdrukkelijk niet bindend is voor de forfaitair bepaalde kosten van volgende aanslagjaren. De aanvaarde kost van 240.000,00 EUR maakt volgens hem een dergelijke kost uit.
4.1.2. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel in. Deze beginselen gelden ook ten aanzien van het fiscaal bestuur. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de overheid bij een belastingplichtige een redelijk vertrouwen heeft gewekt, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak (zie Cass. 21 april 2022, F.20.0150.N, te raadplegen op https://juporta I. bel).
Het uitgangspunt blijft wel nog altijd dat het fiscaal recht van openbare orde is, waardoor het legaliteitsbeginsel slechts in uitzonderlijke omstandigheden zal moeten wijken. Immers, waar de fiscale wet ertoe strekt de publieke middelen te verschaffen, gaat het inwilligen van een aanspraak door een belastingplichtige om wettelijk verschuldigde belastingen niet te moeten betalen, rechtstreeks in tegen het belang van alle andere belastingplichtigen.
In functie van de concrete omstandigheden moet in voorkomend geval een afweging gemaakt worden tussen het rechtzekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel.
4.1.3. Net als de eerste rechter ontwaart het hof geen schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel (ten gevolge waarvan de voornoemde afweging zich ook niet opdringt). De appellante kan geen rechten putten uit de akkoordverklaringen van 13 oktober 2017 om haar recht op aftrek van de btw gestand te doen, dit om tweeërlei redenen:
De akkoordverklaringen hebben betrekking op de inkomstenbelastingen, meer bepaald de vennootschapsbelasting. Terecht merkte de eerste rechter op dat de vennootschapsbelasting en de btw onderscheiden belastingen zijn met een eigen wettelijk kader. De appellante toont niet aan en het kan niet vermoed worden dat de administratie zich in de akkoordverklaring akkoord verklaard heeft met bepaalde feitelijkheden die bepalend zijn voor de toepassing van de btw-wetgeving. De appellante kan bijgevolg uit deze akkoordverklaringen geen rechten putten voor de toepassing van haar recht op aftrek van de btw.
In de akkoordverklaringen wordt uitdrukkelijk bepaald dat deze niet bindend zijn voor de volgende aanslagjaren met betrekking tot de 'forfaitair bepaalde kosten'. Met de uitdrukking 'forfaitair bepaalde kosten' wordt onmiskenbaar gedoeld op de commissiekosten van ongeveer 240.000 euro (240.644,63 EUR om precies te zijn) waarvan aanvaard werd dat de appellante ze voor het aanslagjaar 2016 betaalde aan de cie2. Immers, uit het verificatieverslag inzake de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2016 dat voorafgaat aan de akkoordverklaring, dat de appellante tijdens de openbare terechtzitting van 6 januari 2026 neerlegde, blijkt dat, in afwezigheid van gedegen verantwoording voor het toekennen van de commissielonen, "overeengekomen [werd] om ca. 240.000,00 € commissielonen toegekend aan cie2 als beroepsmatig te beschouwen (20.000,00 € per maand)". 'Forfaitair' moet worden begrepen als 'volgens overeenkomst in vaste bedragen te voldoen' of 'vooraf vastgesteld, fictief' (zie Groot Woordenboek Van Dale, zestiende herziene editie). Het in het kader van een minnelijk akkoord aanvaarden van een maandelijks vast en afgerond commissiebedrag van 20.000,00 EUR dat zou zijn toegekend aan de cie2, is dus niets anders dan het aanvaarden van een forfaitair bepaalde kost.
Dat tegenover de aanvaarde kosten voor het aanslagjaar 2016 werkelijke prestaties zouden hebben gestaan (ten gevolge waarvan de kost van ca. 240.000,00 EUR niet op grond van een fictie maar op grond van de werkelijkheid zou zijn aanvaard), zoals de appellante in conclusies voorhoudt, is niet aannemelijk, gelet op de verklaring van de bedrijfsleiders van de appellante die in het bovengenoemde verificatieverslag genoteerd werd: "Er worden gelden van de cie1 overgemaakt aan de cie2 met de bedoeling om de cie2 een positieve balans te geven zodat deze financieringen kunnen aangaan om onroerend goed te kopen. Indien ze dit niet doen, zou de cie2 verlies lijden en zouden ze geen financiering kunnen aangaan bij de kredietverstrekkers. Gezien beide vennootschappen, cie1 en cie2, dezelfde zaakvoerder [...] hebben, is het moeilijk om te zeggen of de zaakvoerder handelt als vertegenwoordiger van cie2 of cie1." Deze verklaring maakt duidelijk dat de (boekhoudkundige) geldstroom van de appellante naar de cie2 niet onderbouwd werd door een gedegen dossier van stukken waaruit de werkelijkheid van de gefactureerde prestaties bleek, maar dat deze aanvaard werd op grond van een forfait. Het is precies datzelfde forfaitaire bedrag van 240.000,00 EUR dat de appellante ook heeft opgenomen in de factuur waarvan hier de btw-aftrek verworpen wordt, onder de algemene omschrijving `aanbreng projecten 01.10.2018-30.09.2019' en zonder gedegen verantwoordingsstukken (cfr. infra).
Vermits de akkoordverklaring voor aanslagjaar 2016 met betrekking tot de forfaitair bepaalde kosten uitdrukkelijk niet bindend werd verklaard voor latere aanslagjaren, kon de appellante uit de akkoordverklaring niet de rechtmatige verwachting putten dat zij in 2019 zonder gedegen verantwoording een recht op aftrek zou kunnen laten gelden met betrekking tot eenzelfde forfaitair bedrag aan commissiekosten toegekend aan de cie2. Laat staan dat zij er een recht op aftrek van de btw zou kunnen uit putten.
Dat de ambtenaar belast met de controle inzake vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2015 en 2016 verklaard zou hebben dat de commissies in de daaropvolgende jaren steeds 240.000,00 EUR mochten bedragen, beweert de appellante maar bewijst zij niet. Het kan in geen geval uit de akkoordverklaringen worden afgeleid.
De omstandigheid dat de zin "Met betrekking tot de forfaitair bepaalde kosten is onderhavig akkoord niet bindend voor de volgende aanslagjaren" ook in de akkoordverklaring met betrekking tot het aanslagjaar 2015 voorkomt (terwijl voor dat aanslagjaar een lager, niet-forfaitair bedrag aan commissiekosten aanvaard werd), doet aan het bovenstaande geen afbreuk.
Met de eerste rechter moet besloten worden dat de appellante niet aantoont dat de belastingadministratie bij haar de gerechtvaardigde verwachting heeft opgewekt dat jaarlijks een recht op aftrek van de btw uitgeoefend kon worden op een door de cie2 gefactureerde commissie van 240.000,00 EUR in hoofdsom.
Enige inbreuk op het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel wordt niet aangetoond. Het bestreden vonnis wordt wat dit onderdeel betreft integraal bevestigd.
4.2. Over het recht op aftrek van de btw geheven over de aankoopfactuur van nv
cie2
4.2.1. Krachtens artikel 45, §1, 1° WBTW mag elke belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen, geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
De appellante die aanspraak maakt op aftrek van de btw geheven over de voornoemde factuur nr. 2020.01, moet aantonen dat zij voldoet aan de voorwaarden om het recht op aftrek uit te oefenen. Met name moet zij bewijzen dat de handelingen waarvoor zij aanspraak maakt op het recht op aftrek, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
4.2.2. De appellante stelt dat zij, dankzij de tussenkomst van de cie2, een elftal verkopen van bedrijfsmachines heeft kunnen realiseren voor een totaalbedrag van 3.351.250,00 EUR en dat dit het betalen van een commissie rechtvaardigt. Zij verwijst andermaal naar de akkoordverklaringen met betrekking tot de aanslagjaren 2015 en 2016 en meent dat daaruit afgeleid kan worden dat de administratie voor die periode aanvaardde dat de cie2 (1) projecten aanbracht waardoor de appellante verkopen kon realiseren en (2) daarvoor commissies mocht aanrekenen die als aftrekbare kost werden aanvaard. Haar bewijsvoering zou nu niet anders zijn, zodat ook nu moet aanvaard warden dat de commissies terecht werden aangerekend en dus aftrekbaar zijn als kost, hetgeen zou betekenen dat ook de btw met betrekking tot de aankoopfactuur nr. 2020.01 terecht in aftrek werd gebracht.
4.2.3. De uitkomst van de vennootschapsbelastingcontrole voor de aanslagjaren 2015 en 2016 — waarvan hogerop is gebleken dat de appellante er geen rechten kan uit putten in voorliggend geschil — is alvast geen reden om de bewijsstandaard waaraan de appellante moet voldoen, te verlagen. Hoogstens betreft die uitkomst een element dat in voorkomend geval een bewijslevering op grond van vermoedens mede zou kunnen schragen.
4.2.4. De appellante slaagt niet in de op haar rustende bewijslast, zoals de eerste rechter op oordeelkundige wijze besliste. Met name ontbreekt ieder concreet spoor van daadwerkelijke bemiddelingsprestaties die door de cie2 zouden zijn geleverd om de voornoemde verkopen tot stand te brengen.
Het bestaan van werkelijke prestaties kan alvast niet afgeleid worden uit de omschrijving van de prestaties op de factuur (nl. 'aanbreng projecten 01.10.2018-30.09.2019'), die immers bijzonder vaag is en de aard van de betrokken diensten niet op voldoende gedetailleerde wijze aangeeft, waardoor zij niet voldoet aan de vereisten van artikel 5, §1, 6° van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Ook liggen geen overeenkomsten, prijsoffertes, bestelbonnen, (digitale) communicatie of andere aanvullende stukken voor, die zouden toelaten om meer concreet te bepalen welke projecten de cie2 bij de appellante heeft aangebracht tijdens de relevante periode.
Uit de door de appellante voorgelegde facturen van verkopen van machines (haar stuk 4) kan niet afgeleid worden dat de cie2 prestaties inzake verkoopsbemiddeling aan de appellante geleverd heeft. De facturen bewijzen de verkopen van de machines door de appellante, maar niet wie deze verkopen bewerkstelligde en wie daartoe prestaties leverde, noch voor wiens rekening dat gebeurde. Met de geïntimeerde en de eerste rechter moet worden vastgesteld dat niets toelaat een verband te leggen tussen deze verkoopfacturen en de prestaties of het bedrag dat de cie2 gefactureerd heeft middels de betwiste factuur nr. 2020.01.
Waar de appellante aanvoert dat de belastingadministratie ter gelegenheid van de controle inzake de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2015 en 2016 principieel het bestaan erkend zou hebben van het leveren van (projectmatige) prestaties door de cie2 aan de appellante, kan dit hoe dan ook niet doen besluiten dat de prestaties vermeld in de betwiste factuur nr. 2020.01 werkelijk geleverd werden door de cie2. Immers, hogerop is al gebleken dat uit de akkoordverklaring voor het aanslagjaar 2016 niet afgeleid kan worden dat tegenover de daar aanvaarde kosten werkelijke prestaties zouden hebben gestaan, gelet op de verklaring van de bedrijfsleiders van de appellante die in het genoemde verificatieverslag genoteerd werd (zie randnr. 4.1.3. tweede streepje). In die verklaring werd in wezen toegegeven dat een geldstroom van de appellante naar de cie2 gecreëerd werd om te vermijden dat die laatste boekhoudkundige verliezen zou lijden en om haar mogelijkheden om financiering bij banken te bekomen, gaaf te houden en dat het moeilijk te zeggen was of de bedrijfsleider optrad voor de appellante dan wel voor de cie2. Ongeacht de uitkomst van de belastingcontrole in 2017 werd ook voor de prestaties die aan de appellante werden gefactureerd in 2015-2016 (balans 30/6) dus al genoteerd dat een gedegen onderbouwing van de werkelijkheid van geleverde prestaties, ontbrak. De akkoordverklaringen betreffende de aanslagjaren 2015 en 2016 kunnen dan ook niet bijdragen tot het ondubbelzinnige bewijs dat de op 1 oktober 2019 door de cie2 gefactureerde prestaties inzake het aanbrengen van projecten, in concreto en daadwerkelijk door haar aan de appellante geleverd werden.
De stelling van de geïntimeerde dat de cie2 geen personeel heeft, wordt niet tegengesproken door de appellante. Dit betekent dat de cie2 enige diensten van bemiddeling enkel kon leveren door het optreden van haar bedrijfsleiders. Zij wezen echter tijdens de btw-controle in dit dossier nogmaals op de onduidelijkheid in de dienstverlening tussen de appellante en de cie2 en het toewijzen van de bemiddelingsprestaties aan deze of gene partij.
Ook de wijze waarop de appellante de betwiste factuur boekhoudkundig verwerkt heeft, doet twijfel rijzen over de aard van de prestaties die de cie2 geleverd zou hebben. Aan creditzijde werd de factuur geboekt onder rubriek 613200 'bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed voor een vast bedrag of op contract', niettegenstaande de machines waarvan de appellante stelt dat zij ze aankocht dankzij de inbreng van de cie2, geen onroerende goederen zijn. Aan debetzijde werd de factuur eerst als een vordering ten aanzien van de cie2 geboekt en vervolgens via de rekening-courant van de cie2 verwerkt. De gefactureerde prestaties brachten dus geen werkelijke maar enkel een boekhoudkundige geldstroom tot stand, wat de stelling van de appellante tijdens de vennootschapsbelastingscontrole voor aanslagjaar 2015-2016, die in wezen erop neerkomt dat de geldstroom gecreëerd werd om te vermijden dat de cie2 boekhoudkundig verlies leed (en dus om de boekhouding van de cie2 op te smukken), gestand doet.
Het besluit is dat de vage en algemene omschrijving van prestaties op de factuur nr. 2020.01, niet ondersteund wordt door enige objectieve gegevens die kunnen doen besluiten dat de erin vermelde prestaties daadwerkelijk door de cie2 aan de appellante geleverd werden. De geïntimeerde heeft dus terecht het recht op aftrek van de btw van 50.400,00 EUR verworpen.
4.3. Over de proportionele geldboete van 10%
De appellante vraagt om de proportionele geldboete van 10% die haar werd opgelegd, niet toe te passen. Zij stelt, met verwijzing naar de akkoordverklaringen inzake vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2015 en 2016, dat er sprake is van een principiële betwisting.
De appellante kan niet in haar stelling gevolgd worden.
Anders dan de appellante voorhoudt, is er geen sprake van een principiële betwisting. De betwisting gaat in essentie over de vraag, enerzijds, of de appellante rechtmatige verwachtingen kon putten uit de akkoordverklaringen inzake vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2015 en 2016 en, anderzijds, of de appellante haar bewijslast invult op grond van artikel 45, §1 WBTW. In beide gevallen heeft het hof, voortgaande op een duidelijk wettelijk kader, een feitelijke analyse gemaakt op grond van de stukken van het dossier. Enige discussie over (een in de rechtspraak en/of rechtsleer) betwiste interpretatie van een wetsbepaling of over de draagwijdte van een juridisch principe lag niet voor.
Hoe dan ook ziet het hof geen reden of aanleiding om de opgelegde proportionele geldboete van 10% te verminderen of te herleiden beneden het wettelijk minimum, om bovenstaande reden of om reden dat zij onevenredig zou zijn met de aard en de ernst van de inbreuk.
Het bestreden vonnis wordt bevestigd. Het hoger beroep van de appellante is ongegrond.
5. De gerechtskosten
De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.
Aangezien de geïntimeerde in het gelijk wordt gesteld, maar niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd/bijgestaan maakt hij geen aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding en is er geen reden om een rechtsplegingsvergoeding vast te stellen.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
· het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
· het bestreden vonnis wordt bevestigd.
· het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):
bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR
aan de kant van de geïntimeerde: nihil
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 3 februari 2026.
Aanwezig:
Sylvie Van Herreweghe, raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend Jenny Dammekens, griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.