Parcours procédural
2 étapes · 7 ans 9 mois- Décision attaquéeTribunal de première instance de Bruxelles02.03.2011
- Décision affichéeCour d'appel de Bruxelles05.12.2018
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d’appel de Bruxelles du 05.12.2018
WF 712-15-09/024035
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Preuve - Présomptions de l’homme – Majoration du chiffre d’affaires – Amendes fiscales
Dispositions légales
Article 59, § 1er, du Code de la TVA
Article 70, § 1er, du Code de la TVA
Article 1353 du Code civil
Résumé
1) Les faits de la cause et les antécédents de la procédure
L’assujetti exerce une activité économique de prothésiste dentaire. Lors d’un contrôle en matière de TVA couvrant la période courant du 1er janvier 1998 au 31 décembre 1999, l’administration a majoré le chiffre d’affaires de l’assujetti et lui a réclamé la TVA exigible suite à cette majoration.
Une contrainte reprenant le montant de TVA exigible et les constatations y relatives a été décernée le 9 juillet 2002. L’assujetti a introduit une opposition à la contrainte.
Le juge siégeant en première instance a déclaré la demande recevable et partiellement fondée. Il a dès lors réduit le montant de TVA exigible repris dans la contrainte.
L’administration a introduit un recours en appel contre le jugement rendu.
2) La procédure devant la cour d’appel
L’appel de l’administration vise à obtenir la réformation du jugement attaqué, demande de dire non fondée dans son intégralité la demande de l’assujetti et de condamner l’assujetti au paiement des frais et dépens des deux instances.
L’assujetti (l’intimé) demande que le jugement contesté soit confirmé dans son intégralité. Il n’a pas introduit en appel de recours incident contre le jugement contesté qui a seulement réduit partiellement les montants réclamés par la contrainte contestée.
L’assujetti estime que sa comptabilité est réellement probante. De plus, il conteste la présomption retenue par le fonctionnaire contrôleur selon laquelle toutes les sommes d’argent versées sur son compte bancaire seraient des montants devant être soumis à la TVA, présomption couverte par la force probante particulière dont est revêtu le procès-verbal sur la base de l’article 59, § 1er, in fine, du Code de la TVA. Enfin, l’assujetti considère que l’administration a eu recours à une cascade de présomptions interdite : les versements et les virements sur les comptes bancaires ne constituent pas des faits certains et établis qui ne peuvent dès lors pas servir de fondement pour établir une présomption de fait, à savoir déterminer un chiffre d’affaires devant être soumis à la taxe, mais sont seulement des éléments à vérifier.
Le juge d’appel ne partage pas la position de l’assujetti. La cour d’appel considère que l’administration a appliqué de manière régulière la preuve par présomption et constate que l’assujetti n’apporte pas la preuve contraire.
Contrairement à ce que l’assujetti prétend, l’administration ne retient pas comme fait connu que tous les versements et tous les virements effectués sur un compte bancaire sont en tout état de cause liés à l’activité professionnelle. L’administration considère comme fait connu que les deux comptes bancaires de l’assujetti examinés par l’administration sont utilisés pour l’activité professionnelle. L’assujetti conteste en vain l’usage professionnel des comptes bancaires concernés, ce qu’il avait déjà reconnu devant le juge siégeant en première instance.
L’assujetti soutient devant la cour d’appel et ce pour la première fois dans le cadre de la procédure judiciaire que des sommes d’argent reçues de sa mère et des excédents de ses retraits privés avaient été versés sur ses comptes bancaires. Toutefois, cette allégation ne convainc pas la cour.
Contrairement à ce que l’assujetti affirme, il n’y a aucune raison de réduire ou de remettre l’amende fiscale de 10% qui a été infligée. Dès lors, la cour d’appel déclare la demande de l’administration recevable et entièrement fondée.
Remarque
L’arrêt est coulé en force de chose jugée.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van Beroep te Brussel, kamer 6N, burgerlijke zaken van 5 december 2018
Rolnummer: 2011/AR/1155
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, AOIF sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32, appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester J. H., advocaat, kantoorhoudend te …, ….
TEGEN:
De heer J.-L. A. wonende te …, …, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester T. V. loco meester J. S., advocaat, kantoorhoudend te …, …..
In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.
PROCEDURE
Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 2 maart 2011, waarvan geen betekeningsakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 11 mei 2011.
FEITEN EN BESTREDEN VONNIS
De eerste rechter werd door geïntimeerde geadieerd met een verzet tegen een lastens hem op 9 juli 2002 uitgevaardigd dwangbevel, dat een BTW-bedrag in hoofdsom van … EUR en een geldboete van … EUR tot voorwerp heeft.
Het dwangbevel volgde op een controle betreffende de periode van 1 januari 1998 tot 31 december 1999, waarbij werd vastgesteld dat de boekhouding van geïntimeerde, tandtechnieker, niet bewijskrachtig is en waarbij o.m. meeromzetten van … EUR (1998) en … EUR (1999) werden vastgesteld aan de hand van stortingen op twee bankrekeningen van geïntimeerde (punt 1 van het proces-verbaal van 1 juli 2002).
De hierop verschuldigde BTW bedraagt … EUR (1998) en … EUR (1999), hetzij … EUR in totaal.
De eerste rechter achtte het beroepsmatig karakter van de verrichtingen op de rekeningen van geïntimeerde niet bewezen.
Hij beval de ontheffing van de in het betwiste dwangbevel opgenomen sommen aan BTW, geldboete en interesten in de mate ze betrekking hebben op de in het proces-verbaal van 1 juli 2002 vastgestelde verschuldigde BTW onder het punt 1, hetzij een BTW-bedrag van … EUR.
Hij veroordeelde appellant in de gedingkosten.
GRIEVEN
Appellant streeft de hervorming van het bestreden vonnis na.
Hij vordert de vordering volledig ongegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide aanleggen.
Geïntimeerde vordert het bestreden vonnis integraal te bevestigen.
In hoofdorde, vordert hij het betwiste dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de erin vermelde bedragen ten titel van BTW, geldboete en interesten niet verschuldigd zijn, en appellant te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van … EUR - het betreft kennelijk het bedrag in hoofdsom en de interesten, dat geïntimeerde in zijn verzetsakte beweert te hebben betaald op 30 juli 2002 -, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten, en de kosten van beide aanleggen.
In ondergeschikte orde, vordert hij de BTW-boete kwijt te schelden, minstens gevoelig te verminderen.
BEOORDELING
1. Geïntimeerde vordert het bestreden vonnis integraal te bevestigen.
Hij tekent derhalve geen incidenteel beroep aan tegen het bestreden vonnis dat slechts een gedeeltelijke ontheffing van het betwiste dwangbevel beval.
Hij formuleert overigens geen enkele grief aangaande de nagevorderde BTW t.b.v. … EUR en … EUR en daarop betrekking hebbende proportionele geldboete van 10 % (punten 2 en 3 van het proces-verbaal).
2. De controleambtenaar stelde bij het onderzoek van de boekhouding van geïntimeerde, tandtechnicus, vast dat de verzendingsbons voor de facturen van 1998 en 1999 niet werden voorgelegd en dat de computerbestanden m.b.t. deze jaren niet konden worden afgedrukt.
Hij stelde vervolgens vast dat op het credit van de twee bankrekeningen van geïntimeerde, benevens ontvangen interesten, BTW- en belastingteruggaven, ontvangen lonen, huurgelden, overschrijvingen -van zijn andere rekeningen, kredietopnamen en andere identificeerbare stortingen, nog andere afgeronde stortingen van contanten werden geboekt.
3. De eerste rechter, na te hebben overwogen dat "het loutere feit dat er een verschil is tussen de aangiften en twee bankrekeningen waarvan verder niet wordt verduidelijkt dat deze louter professioneel worden gebruikt, kan bezwaarlijk als 'gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens' beschouwd worden om vervolgens te stellen dat het verschil tussen deze ontvangsten op deze bankrekeningen en de aangegeven omzet overeenkomt met enige niet aangegeven omzet", oordeelde dat het aan appellant behoort "om met voldoende zekerheid te bewijzen dat de verrichtingen op de rekeningen een beroepsmatig karakter hebben. Het is in eerste instantie niet aan (geïntimeerde) om hiervan het tegenbewijs te leveren. Dit bewijs is door (appellant) niet geleverd, zodat (geïntimeerde) dient ontheven te worden van de verschuldigde BTW dewelke betrekking heeft op dit deel van het dwangbevel".
4. Geïntimeerde betwist tevergeefs het gebrek aan bewijskracht van zijn boekhouding. De aangehaalde leemten (zie supra nr. 2) maken immers een sluitende controle onmogelijk.
5. Appellant maakt gebruik van het bewijs door feitelijke vermoedens.
Hij stelt dat aangezien geïntimeerde geen andere inkomsten heeft dan deze uit zijn zelfstandige beroepsactiviteit, en hij ook geen andere inkomsten aantoont, de logische en zelfs enige mogelijke gevolgtrekking is dat alle stortingen van contanten op de beroepsmatig gebruikte bankrekeningen van geïntimeerde voortkomen uit zijn economische activiteit die hem de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige geeft.
Hij stelt vervolgens dat de door geïntimeerde voor de eerste maal in de gerechtelijke fase aangevoerde privé-gelden ontvangen van zijn moeder en overschotten van zijn privégeldopnames, die op zijn bankrekeningen werden teruggestort, geen tegenbewijs vormen.
6. Geïntimeerde meent terecht dat het vermoeden van de controleambtenaar dat alle op zijn bankrekeningen gestorte sommen aan de BTW zijn onderworpen, niet gedekt is-door de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal op grond van artikel 59, § 1, in fine, WBTW.
Het hof onderzoekt hierna dan ook, zoals de eerste rechter heeft gedaan, de regelmatigheid van het door de administratie in het proces-verbaal aangewende bewijs door feitelijke vermoedens.
Geïntimeerde gewaagt nog van een verboden opeenstapeling van vermoedens, nu stortingen of overschrijvingen op bankrekeningen geen zekere en vaststaande feiten vormen die tot basis kunnen dienen van een feitelijk vermoeden, nl. het bepalen van de aan BTW onderworpen omzet, maar te verifiëren elementen zijn.
7. I.t.t. hetgeen geïntimeerde beweert, neemt appellant niet als bekend feit aan dat "alle stortingen op een bankrekening zonder meer beroepsmatig zijn" (aanvullende en syntheseconclusie blz. 4).
Appellant neemt wel als bekend feit in aanmerking dat de twee onderzochte bankrekeningen door geïntimeerde beroepsmatig werden gebruikt.
Het beroepsmatig gebruik van de betreffende bankrekeningen blijkt inderdaad uit de stortingen van o.m. BTW- en belastingtegoeden en ontvangen lonen.
Geïntimeerde betwist tevergeefs het beroepsmatig gebruik van de betreffende bankrekeningen, dat hij immers voor de eerste rechter erkende ("(Appellant) is er immers, bij het vaststellen van de beweerde meeromzet, zomaar van uitgegaan dat alle stortingen om de beroepsmatig gebruikte bankrekeningen van concluant aan BTW onderworpen zouden zijn" (conclusie in eerste aanleg blz. 3, het hof onderlijnt)).
Overigens keurde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in een vonnis van 4 februari 2011 in een geschil betreffende de aanvullende aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2000 de handelwijze van de administratie goed die de bankrekeningen van geïntimeerde als uitgangspunt in aanmerking nam teneinde de belastbare inkomsten te bepalen. De rechtbank overwoog dat "nu zelfs niet geloofwaardig wordt gemaakt dat de inkomsten op deze bankrekeningen geen beroepsmatig karakter hadden, konden de diensten (van de administratie) deze gegevens wel degelijk gebruiken om op basis van vermoedens de omzet van eiser vast te stellen". Geïntimeerde beweert niet dat hij tegen dit vonnis hoger beroep zou hebben aangetekend.
8. Voor de eerste maal in de gerechtelijke fase, voert geïntimeerde gelden ontvangen van zijn moeder aan en overschotten van zijn privé-geldopnames, die op zijn bankrekeningen werden teruggestort.
Hij brengt in deze context rekeninguittreksels van zijn moeder bij, waaruit een aantal geldopnames blijken van sommen tussen … BEF en … BEF.
Het hof stelt evenwel met appellant vast dat deze bedragen met geen enkele storting van contanten op de bankrekeningen van geïntimeerde overeenstemmen.
Geïntimeerde toont anders gezegd geen enkel verband aan tussen de geldopnames van zijn moeder en de stortingen van contanten op zijn bankrekening.
Geïntimeerde geeft ook geen enkele uitleg omtrent de bedoeling van de geldopnames van zijn moeder. Indien het de bedoeling van zijn moeder was giften te doen aan geïntimeerde, dan zou het bewijs hiervan eenvoudig te leveren zijn geweest mits rechtstreekse overschrijving van de beweerdelijk geschonken sommen op een bankrekening. van geïntimeerde.
9. De beweerde terugstorting op de bankrekeningen van overschotten van eerdere geldopnamen toont geïntimeerde evenmin aan.
Geïntimeerde brengt in dit verband stukken bij die geldopnames van … BF tot … BEF, gespreid over vier maanden, aantonen.
Nog afgezien van het dubbel gebruik van de bewijsstukken 4 en 5 van de bundel van geïntimeerde (d.i. dezelfde rekeninguittreksels worden tweemaal als bewijs aangewend), blijkt uit geen enkel stuk het verband tussen die geldopnames en de (beweerde terug)stortingen van contanten, noch wat betreft de datums, noch wat betreft de bedragen.
10. Uit vorenstaande vaststellingen en overwegingen volgt dat appellant regelmatig het bewijs door vermoedens aanwendt en dat geïntimeerde het tegenbewijs niet levert.
Het hoger beroep is gegrond.
11. Geïntimeerde vordert het hof met volle rechtsmacht de opgelegde boete van 10 % te beoordelen. Hij vordert de boete kwijt te schelden of minstens te verminderen, gelet op het feit dat bij voorgaande controles de boekhouding door de administratie werd aanvaard.
De boete, die overeenkomstig artikel 70 § 1 WBTW een bedrag gelijk aan tweemaal de verschuldigde BTW bedraagt, werd door de administratie evenwel reeds verminderd tot 10 %.
Er is geen reden om de boete verder te verminderen of kwijt te schelden.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
HET HOF
gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;
hervormt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaart; opnieuw wijzende;
verklaart de vordering volledig ongegrond;
veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van iedere partij begroot op de rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg van … EUR en de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van … EUR.
Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de kamer 6 N van het hof van beroep te Brussel op 5 december 2018
waar aanwezig waren:
Ondertekeningen
Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen.
Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt.
Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof.
Voor eensluidend verklaarde uitgifte
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.