Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 09.11.2011
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 10/1805/A
De N.V. P. L., (KBO-nr. …), met maatschappelijke zetel te …, …
eiseres
Voor wie optreedt Meester G. P., advocaat met kantoor te …, …
TEGEN
De F.O.D Financiën, A.O.I.F., in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, met kantoren gevestigd te …, …
Verweerder
Voor wie optreedt de heer V. L., adjunct fiscaal deskundige, verbonden aan het Controlecentrum Brugge, gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift de dato 7 juni 2010.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2011.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-referentienummer BE … voor de geregelde uitoefening van haar economische activiteit van uitbating van een apotheek. Zij is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en reglementering.
Op 24 november 2009 werd door M. C., eerstaanwezend inspecteur bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit verbonden aan het controlecentrum Brugge, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de BTW-wetgeving en -reglementering over de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2007.
Op 15 december 2009 werd door M. C., voormeld, een proces-verbaal opgesteld waarin de vastgestelde overtredingen werden opgenomen. Een afschrift van dit proces-verbaal werd bij aangetekende brief de dato 16 december 2009 aan eiseres gezonden.
Op 15 december 2009 werd door F. V. L., eerstaanwezend inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare een dwangbevel uitgevaardigd dat op 17 december 2009 door P. L., waarnemend directeur aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge, werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Op 28 december 2009 werd voormeld dwangbevel, met het oog op vervolging, aan eiseres betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot.
Op 7 juni 2010 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank gedeponeerd.
2.2. Eiseres vraagt dat : het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dienvolgens het verzet tegen het betwiste dwangbevel ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, verweerder te veroordelen in kwijtschelding en/of terugbetaling aan eiseres van de gevorderde BTW, de administratieve boete vermeerderd met de moratoire intresten op de ingehouden bedragen, het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren en verweerder te veroordelen tot de kosten.
2.3. Verweerder vraagt dat: het verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en dat eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder werpt geen middelen in die tot de onontvankelijkheid van de procedure kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. nopens de bewijskracht van het proces-verbaal
a. Artikel 59, § 2 laatste alinea W.BTW bepaalt dat het proces-verbaal opgesteld door de bevoegde ambtenaar bewijskrachtig is tot het bewijs van het tegendeel. Deze bewijskracht is beperkt tot de materiële vaststellingen door deze ambtenaar gedaan in vervulling van zijn opdracht en strekt zich niet uit tot de deducties die de ambtenaar uit zijn vaststellingen doet.
b. Door de bevoegde ambtenaar werd in het proces-verbaal van 24 november 2009 vastgesteld dat de verantwoordingsstukken, met name de onderliggende tickets ter staving van de globale dagelijkse inschrijving per BTW-tarief in het dagontvangstenboek van eiseres niet konden worden voorgelegd
Deze materiële vaststelling geldt tot het bewijs van het tegendeel.
c. In casu werd door de verbalisant in het kader van de BTW-controle inzage genomen van het dossier van eiseres bij de directe belastingen en bleek daaruit dat een kopie werd genomen van de data van de F. S. als van de computergegevens in verband met de geregistreerde ontvangsten die op de bedrijfscomputer van eiseres werden aangetroffen en dat eiseres een pfd-bestand had meegegeven met per dag het totale bedrag van elk genummerd ticket uitgesplitst per BTW-tarief.
Daar er verschillen werden vastgesteld tussen de databasegegevens op de bedrijfscomputer en de inschrijvingen in het dagontvangstenboek werd een analyse gedaan tot op het niveau van de individuele tickets teneinde de verschillen te kunnen bepalen.
Voormelde vaststellingen, die niet door de verbalisanten zelf werden verricht, genieten niet de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal en zijn onderworpen aan de gewone regels der bewijsvoertuig.
3.2.2. nopens de uitdrukkelijke motivering van overheidshandelingen
a. Volgens eiseres wijkt de bewijsvoering in de door verweerder geredigeerde conclusies sterk af van deze in het proces-verbaal de dato 15 december 2009.
b. In casu wijken de bewijsmiddelen, opgenomen in het proces-verbaal de dato 15 december 2009, niet af van de bewijsmiddelen die in de door verweerder geredigeerde conclusies worden aangevoerd. In beiden wordt gesteund op de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal betreffende de door de verbalisant gedane vaststellingen en op het bewijs door feitelijke vermoedens.
De wet op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen werd niet geschonden.
3.2.3. nopens de onderzoeksbevoegdheden
a.Volgens eiseres steunt verweerder zich op een proces-verbaal van de administratie van directe belastingen en op de door hen gedane vaststellingen wat volgens eiseres een schending inhoudt van de onderzoeksbevoegdheden.
b.In casu werd bij eiseres een toezicht uitgeoefend door de directe belastingen en door de BTW. Conform artikel 93quater decies, § 2, eerste lid W.BTW werden de vaststellingen gedaan inzake directe belastingen door de BTW-administratie aangewend om de BTW-vordering in te stellen (stuk 16 – administratief dossier).
Aangaande het tijdstip waarop het onderzoek met het ACL-programma werd uitgevoerd waaruit gebleken is dat een som van … EUR inclusief BTW door eiseres niet werd aangegeven inzake directe belastingen en BTW, is het logisch dat dit onderzoek diende te worden uitgevoerd voor de respectievelijke verzending van het bericht van wijziging van aangifte (13 november 2009) en van het proces-verbaal inzake BTW (16 december 2009) stukken 24 en 1 administratief dossier).
De stelling van eiseres dat het kwestieuze onderzoek na 15 december 2009 zou plaatsgevonden hebben, kan niet bijgetreden worden.
De onderzoeksbevoegdheden werden door verweerder niet geschonden.
3.2.4. nopens de bewijskrachtige boekhouding, de bewijslast en de bewijsvoering door feitelijke vermoedens
a.Volgens eiseres is haar boekhouding bewijskrachtig daar iedere verkoopverrichting niet noodzakelijkerwijze moet worden geregistreerd.
b.Artikel 14, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW luidt : “De belastingplichtigen moeten een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen toepassen en controleren.”.
Artikel 14, § 2, 3° van voormeld KB nr. 1 de dato 29 december 1992 luidt : “De belastingplichtigen die over meerdere bedrijfszetels beschikken moeten bovendien een centralisatieboekhouding bijhouden waarin zij op het einde van elke aangifteperiode, per tarief, het totaalbedrag van de ontvangsten inschrijven van dat tijdvak, ingeschreven in verschillende dagboeken van ontvangsten”.
Artikel 15, § 2 van hetzelfde KB nr. 1 stelt dat inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel of een dubbel dient te worden bewaard.
Artikel 60, § 1, al. 1 W.BTW luidt : “De boeken, facturen en andere stukken, waarvan dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven, dienen te worden bewaard door hen die ze hebben gehouden, opgemaakt, uitgereikt of ontvangen gedurende zeven jaar, te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun sluiting wat de boeken betreft, op hun datum wat facturen of andere stukken betreft of op het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan in de gevallen bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, indien het gaat om stukken bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, vierde lid”.
c. In casu worden de door eiseres uitgevoerde dagelijkse inschrijvingen voor hun totaalbedrag in het dagontvangstenboek niet gestaafd door verantwoordingsstukken en betreffen deze ontbrekende verantwoordingsstukken een groot aantal tickets zowel op producten die vrij verkrijgbaar zijn, als op voorschrift en zowel producten onderworpen aan 6 %, 12 % en 21 % BTW.
De computerboekhouding maakt evenmin een controle van de juistheid van de globale dagelijkse inschrijvingen en dienvolgens van de juistheid van de inkomsten mogelijk.
Uit het voorgaande volgt dat de dagelijkse inschrijvingen per BTW tarief niet gestaafd zijn door bewijskrachtige onderliggende tickets.
Een dergelijke boekhouding mist elke bewijskracht.
d. De administratie draagt de bewijslast dat de belastingplichtige meer inkomsten heeft ontvangen dan aangegeven.
e. De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door verweerder aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens (artikel 59 W.BTW).
Overeenkomstig artikel 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om tot een onbekend feit te besluiten.
Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt, al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.
Door verweerder wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen om andere gegevens die niet of onvoldoende bekend zijn zeker te houden.
Bij de beoordeling van deze feitelijke gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.
f. Eiseres stelt dat de BTW-administratie gebruik gemaakt heeft van de verboden bewijsvoering "vermoeden op vermoeden" daar de basisvoorwaarde, zijnde het verstrekken vanuit een onbetwist(e) feit/vaststelling niet vervuld is daar het reeds afgeleide informatie is. Er wordt, zo laat eiseres gelden, uitgegaan van een aantal steekproeven.
g. In het proces-verbaal de dato 15 december 2009 werd gestipuleerd : omdat er verschillen werden vastgesteld tussen de databasegegevens op de bedrijfscomputer en de inschrijvingen in het dagontvangstenboek, gebaseerd op het meegegeven pdf-bestand, werd de analyse doorgedreven tot op het niveau van de individuele tickets teneinde de verschillende te kunnen lokaliseren" (stuk 1 - bundel verweerder).
Aldus werd door verweerder een controle uitgevoerd op alle verkooptickets van eiseres betreffende het jaar 2006. Door verweerder werd een volledige print bijgevoegd van de vergelijking die gemaakt werd tussen de aangegeven dagontvangsten van eiseres en de geregistreerde verkopen in de verkoopstabellen op de bedrijfscomputer van eiseres voor de volledige maand februari 2006 (stuk 18 - bundel verweerder).
Uit voormelde print komt vast te staan dat in de maand februari 2006 een bedrag van … EUR exclusief BTW werd opgenomen in het dagontvangstenboek van eiseres, terwijl een bedrag van … EUR inclusief BTW werd geregistreerd in de verkopen in de verkoopstabellen op de bedrijfscomputer van eiseres (stukken 17 en 18 - bundel verweerder).
Ook werd vastgesteld dat de vermindering van de verkooprijs in de tabel "Kassa" niet altijd gebeurt en niet voor alle producten, waaruit komt vast te staan dat, waar voor eenzelfde product 'in de verkoopstabellen de verkoopprijs zoals op 1 als 2 februari identiek is, dit in de kassatabellen niet het geval is en werd aldus een omzetverschil vastgesteld tussen de samengetelde dagtabellen volgens de meegenomen verkoopstabellen en de ingeschreven dagtaken van· de contante ontvangsten in het dagontvangstenboek van … EUR inclusief BTW.
Uit het voorgaande blijkt dat de bewijsvoering werd verricht vertrekkende van de geboekte gegevens in de bedrijfscomputer van eiseres, zijnde vaststaande feiten om te resulteren in de vastgestelde meeromzet.
Immers, de meeromzet werd bepaald door de vergelijking te maken van de werkelijke ontvangsten met de aangegeven ontvangsten en dit per ticket.
De meeromzetbepaling gebeurde derhalve niet op arbitraire wijze en er is geen sprake van verboden bewijsvoering van vermoedens op·vermoedens nu alle gegevens afkomstig zijn van de bedrijfscomputer van eiseres.
3.2.5. nopens het medisch beroepsgeheim
a. Eiseres laat gelden dat bij het inzamelen van de gegevens van de harde schijf het beroepsgeheim werd geschonden.
b. In het proces-verbaal de dato 10 februari 2009 werd desaangaande geacteerd : " ... De belastingplichtige nam op onze vraag een kopie van de database dat zich bevond op volgende locatie C:\AdamNT\Data\AdamNT.mdb. Op basis van deze kopie werden in het bijzijn van de ,zaakvoerder de patiëntgegevens fysiek verwijderd, het detail hiervan wordt weergegeven op bijlage 4. Dit nieuwe gewijzigde bestand werd gecomprimeerd tot AdamNT.zip en op een Cd-rom gebrand, deze werd vervolgens aan de belastingplichtige overhandigd." (stuk 16 - bundel verweerder).
Bijlage 4 van voormeld proces-verbaal stipuleert : "... (Microsoft Acces-bestand). In dit bestand bevinden zich tabellen die gegevens bevatten die onder het medische beroepsgeheim vallen van de apotheker. Lijst van betreffende tabellen = (...). Om het bovenvermelde beroepsgeheim niet te schenden werden deze volledige tabellen of velden van een tabel onder het toezicht van de belastingplichtige fysisch gewist''. (stuk 16 - bundel verweerder).
Softwareleverancier F. benadrukt in zijn niet gedateerd verslag van telefonische toelichting "... Aangezien de patiëntendata om evidente redenen ontbreken, kon geen statistiek getrokken worden in hoeverre de afwijkingen aanwijsbaar zijn in de richting van bepaalde patiënten of patiëntengroepen (Vb. rusthuispatiënten) (stuk 1, bijlage 5 - bundel verweerder).
Gelet op het feit dat uit het voorgaande komt vast te staan dat, in het bewijs van de zaakvoerder van eiseres de patiëntengegevens van de harde schrijf gewist zijn geworden, werd het medisch beroepsgeheim door verweerder niet geschonden.
3.2.6. nopens het opgewekt vertrouwen
Op basis van voorliggende stukken toont eiseres niet voldoende aan dat bij haar, door de houding van de BTW-administratie, het vertrouwen was gewekt dat zij de onderliggende tickets ter staving van de globale dagelijkse inschrijvingen niet diende te bewaren.
3.2.7. nopens de boete
a. Boetes voor bedragen van … EUR (200 %) hebben een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om dergelijke boete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en de algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr.22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de Rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft.
Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de Rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
b. Concreet is de Rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is, die opgelegd werd bij toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW. Uit de processen-verbaal blijkt immers dat eiseres bewust beroep heeft gedaan op een fraudesysteem om een deel van haar inkomsten niet aan te geven met het oogmerk de belasting te ontduiken.
Bovendien betreffen de door verweerder vastgestelde verschillen niet één ticket maar een groot aantal tickets en komen zij voor op zowel producten die vrij verkrijgbaar zijn, als op voorschrift en ook zowel op producten onderworpen aan 6 %, 12 % en 21 % BTW.
De door verweerder gevorderde administratieve boete van 200 % beantwoordt dus aan een juiste toepassing van de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten.
De voormelde boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar ook een beteugelend karakter en een afschrikwekkend oogmerk.
3.3. nopens de kosten
Gezien eiseres grotendeels in het ongelijk gesteld wordt, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
Nu verweerder niet is bijgestaan door een raadsman heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in zijn hoofde onbestaande.
3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad
Nu de fiscale vordering van eiseres grondslag mist, is het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het tussen te komen vonnis zonder voorwerp.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag negen november tweeduizend en elf.
Aanwezig zijn :
H. A., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. A. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.