Preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 17 mars 1999

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-disposition-penale-cour-appel-bruxelles-1999-03-17-0d51

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
17 mars 1999

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

109 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 17.03.1999

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF VAN BEROEP BRUSSEL - Toegevoegde kamer "F" (wet van 9 juli 1997)

Nr. van de zaak : 1996/AR/1221

INZAKE VAN :

De heer R. B., wonende te …, …,

verzoeker,

vertegenwoordigd door Meester H. V., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te. 3300 Tienen, Goossensvest, 9,

Vertegenwoordigd door Meester J. V., advocaat, te …, ….


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

De Processtukken

Het verzoekschrift strekkend tot hoger beroep werd neergelegd ter griffie op 16 april 1996.

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis geveld door de Rechtbank van eerste aanleg van Leuven op 29 maart 1996. Er werd geen akte van betekening van dit vonnis neergelegd.

R -1999/1380 - EINDARREST - Ontvankelijk ongegrond

De oorspronkelijke vordering

De vordering van de heer B. R. strekte ertoe het dwangbevel van de administratie van de BTW betekend op 17 april 1990 en erop gericht betaling te bekomen van … Fr. BTW en … Fr. verhoging krachtens art 70, § 1 van het BTW-Wetboek, te horen vernietigen, terugbetaling te horen bevelen van alle bedragen die op grond van dit bevel werden geïnd en de administratie van de BTW te veroordelen tot de gerechtskosten.

De eerste rechter heeft de vordering ontvankelijk maar ongegrond verklaard en de heer B. R. veroordeeld tot de kosten.

Het hoger beroep

In hoger beroep herhaalt de heer B. R. zijn oorspronkelijke vordering.

De feiten

De heer B. R. is bakker en is belastingplichtige onderworpen aan de BTW-wetgeving.

Op 20 december 1988 voerde de heer Y. L. R., verificateur-accountant bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de administratie van de bijzondere belastinginspectie, verbonden aan de tweede inspectie te Hasselt een controle uit bij verzoeker.

Deze controle had betrekking op de door de heer B. R. gerealiseerde omzet tijdens de periode van 1 januari 1984 tot en met 31 december 1987.

Deze ambtenaar heeft hierover een proces-verbaal opgesteld dat gedagtekend is op 22 februari 1990.

In dit proces-verbaal stelt deze ambtenaar dat hij inzage heeft genomen van het dossier inzake directe belastingen gehouden op naam van de heer B. R., van het strafdossier geopend met betrekking tot het bestaan van een circuit van verkoop van bloem in het zwart bij zijn leverancier de NV C. waarin de heer B. R. voorkomt als afnemer van 29.570 kg niet gefactureerde bloem voor 1984 en 22.000 kg. Voor 1985 en van de boekhouding van de heer B. R. die door hem werd nagegaan van over de periode van 01 januari 1984 tot 31 december 1987.

Daarop is deze ambtenaar overgegaan tot de berekening van de niet aangegeven BTW voor de jaren 1984, 1985 en 1986 waarbij hij leveringen van de niet gefactureerde bloem die uit het strafdossier blijkt bij de omzet van de heer B. R. voegt om daarna, na het verdelen van deze bloem over broodproductie en fijngebak te komen tot een niet aangegeven BTW van … Fr. waarop de wettelijke boete voorzien door art 70, § 1 van het BTW-wetboek wordt toegepast.

Na de akte van verzet en tijdens de procedure in eerste aanleg werd op 26 september 1990 een proces-verbaal opgesteld door W. U. hoofdcontroleur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de administratie van de bijzondere belastinginspectie te Brussel.

In dit proces-verbaal worden de verschillende vaststellingen opgetekend die deze ambtenaar van de BTW-administratie heeft gedaan tijdens zijn onderzoek van het strafdossier met betrekking tot het circuit van de leveringen van zwarte bloem van de NV C. met betrekking tot de heer B. R..

Op 26 september 1990 stelt ook de heer Y. L. R., verificateur-accountant bij de administratie van de BTW, een nieuw proces-verbaal op. In tegenstelling tot het proces-verbaal van 22 februari 1990 bevat dit proces-verbaal persoonlijke vaststellingen gedaan ter gelegenheid van zijn onderzoek ter plaatse op 20 december en volgende met betrekking tot de voorraad, de facturen, aangekochte hoeveelheden zout tijdens de periode, de aangekochte hoeveelheden gist, de aangekochte hoeveelheden broodzakken. Op basis van deze vaststellingen gekoppeld aan de gegevens die hij gehaald heeft uit het strafonderzoek lastens de leverancier van bloem de NV C. is hij opnieuw overgegaan tot dezelfde berekening om te komen tot hetzelfde bedrag aan ontdoken BTW.

De administratie van de BTW legt eveneens in extenso fotokopie neer van de lijsten "G." en van het gele boekje "G." evenals fotokopie van een aantal verklaringen afgelegd in het kader van het strafonderzoek van G. evenals van de afgevaardigde bestuurder van de NV C. waarin het bestaan van het zwart circuit wordt toegegeven en het systeem wordt uiteengezet.

De heer B. R. legt eveneens het arrest neer geveld door het Hof van beroep te Antwerpen inzake 1995/FR/166 waarin dit Hof ondermeer met betrekking tot de aanslagjaren 1985,1986 en 1987 (wat overeenkomt met de boekjaren 84, 85 en 1986) de aanslagen met betrekking tot deze jaren teniet heeft gedaan die gevestigd waren op het vermoeden (art 246 Wetboek van de inkomstenbelasting (oud) )dat de heer B. R. meerinkomsten had genoten ten gevolge van het verwerken van de aan hem zonder factuur geleverde bloem tijdens deze periode.

De betwisting

De administratie van de BTW moet aantonen dat de heer B. R. tijdens de periode gaande van 1 januari 1984 tot 31 december 1986 heeft nagelaten BTW aan te geven en te betalen op een meeromzet die blijkt uit een aantal leveringen zonder factuur door de N.V. C..

De administratie van de BTW poogt in casu dit bewijs aan te brengen door vermoedens. Overeenkomstig de art 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek is een vermoeden een gevolgtrekking die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. De rechter zal echter uitsluitend gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens aannemen.

Tevergeefs houdt de heer B. R. voor dat de processen-verbaal niet regelmatig zijn omdat ze werden overgemaakt onder de vorm van een niet ondertekende kopie. Er dient te worden vastgesteld dat geen wettelijke bepaling in de nietigheid voorziet van het dwangbevel, om de enkele reden dat bij de betekening ervan het aan de belastingplichtige overhandigde afschrift van het krachtens artikel 59 van het BTW-wetboek opgemaakte proces-verbaal niet door de opsteller van dit proces-verbaal is ondertekend en dat evenmin enig rechtsbeginsel zoals de rechten van de verdediging voorschrijven dat het door de gerechtsdeurwaarder aan de belastingplichtige overhandigde afschrift van het betekende dwangbevel de handtekeningen moet bevatten van de ambtenaren die het origineel geviseerd en uitvoerbaar verklaard hebben1.

Wat de feiten betreft dient te worden benadrukt dat de bijzondere wettelijke bewijswaarde die art. 59, par. 1 W.BTW aan de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën toekent, geldt voor de persoonlijke materiële vaststellingen van die ambtenaren, maar niet voor de juridische gevolgtrekkingen die daaruit kunnen worden afgeleid2.

______

1 Cass. AR C.93.371.N, 2 december 1994 (Garage René N.V. / Belgische Staat), F.J.F. 1995, 93; A.J.T. 1994-95, 460, noot VAN DE WOESTEYNE, I.; R.W. 1994-95, 1378; BTW-Revue 1996, 921; Rec. gén. enr. not. 1996, 76, noot; Arr. Cass. 1994, 1044; Bull. 1994, 1037; Pas. 1994, I, 1037.

2 Cass. AR C.97.61.F, 17 april 1998 (Belgische Staat/Etablissements Claude Feltz N.V.),

In casu houdt dit in dat de ambtenaar van de BTW-administratie er zich in het proces-verbaal van 22 februari 1990, gehecht aan het dwangbevel, enkel toe beperkt vast te stellen dat hij heeft vernomen dat uit een straf onderzoek, blijkt dat aan verzoeker tijdens de jaren 1984 en 1985 een welbepaalde hoeveelheid bloem zonder factuur zou zijn geleverd door diens leverancier de N. V. C..

Dit houdt uiteraard geen bewijs in van het bestaan van de leveringen. In het proces-verbaal van 26 september 1990 opgesteld door W. U. hoofdcontroleur bij de administratie van de BTW heeft deze ambtenaar een aantal elementen opgenomen die hij zelf heeft gehaald uit de lezing van het strafdossier dat werd opgesteld, met betrekking tot de fraude gepleegd door de NV C.. Hieruit moet worden afgeleid' tot bewijs van het tegendeel dat deze ambtenaar de elementen die in het proces-verbaal staan uit dit strafdossier heeft gehaald en dat deze elementen zich effectief in dit strafdossier bevinden.

In het proces-verbaal van 26 september 1990 opgesteld door de heer Y. L. R., verificateur-accountant bij de administratie van de BTW, moet worden afgeleid dat de vaststellingen die hij met betrekking tot de facturen van de heer B. R.,de hoeveelheid zout, de hoeveelheid gist en het aantal broodzakken heeft gedaan gelden als door hem vastgestelde feiten tot het bewijs van het tegendeel ook al komt het bevreemdend voor dat deze ambtenaar niets heeft vermeld over deze vaststellingen in zijn eerste proces-verbaal.

De elementen waarover de administratie van de BTW beschikt en die haar, naar zij voorhoudt, toelaten gewichtige en bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens af te leiden die met zekerheid een occulte levering van een welbepaalde hoeveelheid bloem en de verwerking ervan aantonen, kunnen als volgt samengevat worden :

1. De N.V. C. is de leverancier in bloem van de heer B. R. tijdens de betwiste periode zoals blijkt uit zijn facturen.

2. Het strafonderzoek gevoerd in hoofde van de verantwoordelijken van de N.V. C. dat heeft geleid tot veroordelingen heeft het bestaan aan het licht gebracht van een massaal circuit van herhaalde occulte leveringen waarbij de leverancier en een belangrijk gedeelte van zijn cliënteel betrokken was.

3. Het zwarte circuit was zo belangrijk dat er een afzonderlijke boekhouding diende te worden bijgehouden waarvan de spilfiguur een zekere G. was en waarbij de klanten betrokken in het zwarte circuit werden ingedeeld volgens de vertegenwoordiger die instond voor de bestellingen onder wiens naam telkens de klanten samen met hun zwarte bestellingen vermeld werden.

4. Noch G. noch de vertegenwoordigers hebben ooit gewaagd van enige naamsverwisseling tussen klanten om zwarte leveringen aan een welbepaalde klant die het quorum van 30 % zou overschreden hebben te verbergen.

5. Volgens G. en de andere betrokkenen was de zwarte boekhouding er uitsluitend op gericht de leveringen te coördineren en de betaling van het geleverde te innen. De bestelling werd geplaatst. bij de vertegenwoordiger die alle bestellingen van iedere klant plaatst en de occulte levering werd samen met de gefactureerde in één keer uitgevoerd. Er werden volgens twee onafhankelijke circuits vervoerdocumenten en bestelbonnen opgesteld een eerste circuit met betrekking tot de gefactureerde levering die in de computer werd ingebracht en een tweede circuit binnen hetwelk de stukken zuiver machinaal werden opgemaakt. Onmiddellijk na de betaling, die doorgaans op het ogenblik van de levering geschiedde werden alle documenten met betrekking tot de occulte levering vernietigd.

6. Verschillende vertegenwoordigers hebben deze werkwijze bevestigd aan de verbalisanten.

7. W. U. hoofdcontroleur bij de administratie van de BTW heeft vastgesteld :

a. dat de N. V. C. naast haar officiële boekhouding verzamelbladen en lijsten bijhield houdende de "relevé" van de verkopen voor dewelke geen factuur werd opgesteld waarin de heer B. R. voorkomt ten belope van 29.570 Kg. voor het jaar 1984 en 22.000 Kg. voor het jaar 1985.

b. dat verder uit het overzicht van de lijsten blijkt dat de heer B. R. op 02 mei 1985, 03 juni 1085, 30 juli 1985, 03 september 1985, telkens een occulte levering bloem van het type TRIO ontving besteld bij de handelsvertegenwoordiger P. van respectievelijk 2500 Kg, 3500 Kg, en tweemaa12.500 Kg. Die telkens op de dag van de levering betaald werden behalve voor de levering van 30 juli die de dag nadien werd betaald.

c. dat vertegenwoordigers de werkwijze hebben bevestigd.

d. dat het administratief personeel het bestaan van de parallelle circuits toegeeft.

e. dat de kaderleden en de beheerder het systeem hebben toegegeven en bevestigd ter gelegenheid van de vondst van een grote hoeveelheid documenten in de wagen van hoofdboekhouder directeur algemene zaken.

8. De heer B. R. komt op de lijsten voor onder de naam van vertegenwoordigers S. en P..

9. De heer B. R. kocht systematisch in de jaren 85 en 86 bloem aan van het type "trio" voor zijn gefactureerde leveringen.

1O. Er bestaat een totale overeenstemming met betrekking tot de data waarop de heer B. R. officiële leveringen heeft ontvangen en de data waarop hij volgens de occulte boekhouding van de N.V. C. zoals moet blijken uit de vaststellingen van W. U. hoofdcontroleur bij de administratie van de BTW, bloem van hetzelfde type in het zwart zou hebben ontvangen. Er werd bij hem volgens factuur geleverd op 02, 05 1985, op 03 juni 1985, op 30 juli 1985 en op 03 september 1985.

11. De heer B. R. beweert het slachtoffer te zijn van valsheid in geschrifte in de occulte boekhouding van de N.V. C. en dit door het toedoen van de handelsvertegenwoordiger P.. Deze valsheid in geschrifte is erop gericht een derde toe te laten ongestraft occulte leveringen bloem in ontvangst te nemen en er de heer B. R. voor te laten opdraaien.

Geconfronteerd met dit misdrijf heeft de heer B. R. nooit iets ondernomen noch tegen zijn leverancier de N.V. C. noch tegen de heer P..

12. Bij de heer B. R. werd door heer Y. L. R., verificateur-accountant bij de administratie van de BTW vastgesteld 3 :

a. dat de hoeveelheid zout die de heer B. R. gedurende de betwiste periode heeft aangekocht zelfs veel te weinig betrof om de gefactureerde bloem te verwerken.

b. dat volgens de berekening van de verbalisant uitgevoerd op aangifte van de verbruikte gist per 100 Kg. gist werd aangekocht waarmee theoretisch 341.69 Kg bloem kon worden verwerkt terwijl in de officiële omzetberekening slecht 306.481 Kg bloem werd omgezet.

_____

3. proces-verbaal van 02 oktober 1990

c. dat in de verhouding tussen het aantal gebakken broden, rekening houdend met de gefactureerde aankopen van de bloem er een wanverhouding bestaat tussen de broden en de broodzakken; waar de verhouding in 1984, 238.425 broden tegen 216.190 broodzakken, normaal lijkt gelet op het verkochte ongesneden brood, werd in 1985 voor 216.645 gebakken broden een aankoop van 228.150 broodzakken vastgesteld en in 1986 een aankoop van 246.600 broodzakken voor 218.625 broden. Weliswaar dient te worden vastgesteld dat op het ogenblik van de controle over de hele periode 1984 tot en met juli 1989 de wanverhouding verdwijnt te weten 1.335.596 broden ten opzichte van 1.347.590 broodzakken.

Tevergeefs houdt de heer B. R. voor dat de zwarte boekhouding van de N.V. C. niet als aan hem tegenstelbaar feit kan weerhouden worden waaruit nuttige vermoedens kunnen worden afgeleid.

De zwarte boekhouding is een feit en lIet behoort tot de soevereine appreciatie van de rechter of dit feit toelaat er gevolgtrekkingen uit te halen die hem leiden tot een onbekend feit in casu de zwarte leveringen.

In regel wordt geoordeeld dat boekhoudkundige stukken die bij iemand gevonden worden niet tegenstelbaar aan een derde zijn wanneer de juistheid ervan door deze derde wordt betwist. De feitelijke toestand eigen aan iedere zaak dient echter telkens opnieuw aan de soevereine appreciatie van de rechter te worden overgelaten zonder dat de rechtsonderhorige voordeel kan putten uit de appreciatie die in andere zaken door andere rechters tussen verschillende rechtsonderhorigen werden gegeven.

Terzake werd de boekhouding niet opgesteld om de officiële toestand van de N.V. C. cijfermatig te vertalen zoals dit gebruikelijk is met een officiële boekhouding. Bij het onderzoek van een officiële boekhouding of bij het onderzoek van een boekhouding die spontaan door de betrokkene wordt overgemaakt, mag nooit uitgesloten worden dat eigenbelang, zoals het zichzelf verschaffen van een bewijs, bepaalde boekingen kan hebben gemotiveerd.

Terzake werd toevallig en zeer tegen de zin van de N.V. C. de hand gelegd op deze boekhouding die de vennootschap zeer belangrijke financiële schade heeft berokkend en een veroordeling van haar beheerder voor gevolg heeft gehad. De factor dat de boekhouding die bestemd was om nooit het daglicht te zien zou zijn opgesteld om de N. V. C. toe te laten .zichzelf bewijzen te verschaffen dient dus te worden uitgesloten.

De occulte boekhouding was uitsluitend opgesteld om de controle toe te laten van een massale zich periodiek herhalende fraude waarbij een leverancier van bloem en zijn klanten betrokken waren. De boekhouding had geen enkele andere functie dan aan de N.V. C. toe te laten na te gaan welke hoeveelheden bloem zonder factuur werden geleverd en aan wie.

De inschrijvingen in de zwarte boekhouding moeten om geloofwaardig te zijn en te kloppen in het systeem, van gelijktijdige levering van de bloem met en deze zonder factuur op basis van een dubbel stel vervoerdocumenten die onafhankelijk van elkaar waren opgesteld, dat door de leverancier werd toegepast voldoen aan stricte voorwaarden. Zo dient noodzakelijk de levering van de niet gefactureerde bloem gepland te worden en te geschieden op de dagen dat ook bloem met factuur werd geleverd. Deze interne controle van twee parallelle doch volledig onafhankelijke boekhoudingen van de N.V. C. .laat toe met een grote zekerheid vrijwillige naamsverwisseling uit te sluiten. Uit de facturen blijkt dat de heer B. R. bloem met factuur heeft ontvangen op de data waarop volgens de occulte boekhouding bloem zonder factuur aan hem werd geleverd.

Het occulte circuit was zo omvangrijk en de boekhouding, die desbetreffend bijgehouden werd, zo summier dat iedere onjuistheid in deze boekhouding, zoals vrijwillige een naamswijziging van een klant om een andere afnemer te beschermen, vanuit het oogpunt van de N.V. C. niet alleen totaal onverantwoord zou zijn maar daarenboven kennelijk onmogelijk om praktisch uit te voeren gelet op de koppeling van zwarte leveringen aan leveringen met factuur.

Een vrijwillige naamsverwisseling doorgevoerd door de vertegenwoordiger om een andere afnemer te beschermen kan dan weer niet in het systeem ingepast worden omdat het niet de vertegenwoordiger was die de levering uitvoerde en de betaling in regel door de bestuurder van de vrachtwagen werd geïnd op basis van vervoersdocumenten opgesteld op naam van de klant, die op het ogenblik van de levering werden vernietigd.

Daarenboven worden deze boekingen gestaafd door de externe verklaringen van de betrokkenen, zoals de beheerder van de N.V. C. de heer G., vertegenwoordigers en afnemers. De werknemers van de N.V. C. hadden er op het ogenblik dat de massale fraude werd blootgelegd geen enkel belang bij om niet volledig met de overheid mee te werken en om een van hun klanten eerder dan een andere te bevoordelen. Nergens blijkt echter uit dat er ooit sprake zou geweest zijn van enige naamsverwisseling in het circuit met betrekking tot een afnemer die voorkwam op de lijsten opgesteld door G.. De zelfbeschuldiging van werknemers in het kader van het straf onderzoek is eveneens een feit dat in de rand van de occulte boekhouding toelaat bepaalde gevolgen te kleven aan deze boekhouding.

In deze mate gaat de vergelijking tussen het burgerlijk geding en de onderhavige zaak niet op. In een burgerlijk geding zal de inschrijving in de boekhouding van een van de medecontractanten ingeroepen worden om een geschil tussen twee partijen met een tegengesteld belang te beslechten waarbij de inschrijving in de boekhouding als een eenzijdige verklaring van een van deze partijen kan worden beschouwd.

De inschrijvingen in koopmansboeken hebben echter tussen handelaars wel een bewijswaarde. Terzake beroept een derde zich op inschrijvingen, die uitsluitend bestemd waren voor intern gebruik en controle, door een partij die samen met anderen betrokken is in een belangrijke fraude en die zichzelf door deze inschrijvingen beschuldigt. Dergelijke inschrijving heeft minstens de bewijskracht van een verklaring afgelegd "in tempore non suspecto" nopens de ware toedracht van de fraude.

De houding van verzoeker is ook een feit waaruit gevolgen kunnen getrokken worden. Het is immers van alle waarschijnlijkheid ontbloot voor te houden dat men niet heeft gereageerd door het neerleggen van een klacht of minstens door een formeel protest ten opzichte van de N.V. C. op het ogenblik waarop voor de heer B. R. duidelijk was dat hij, naar zijn zeggen, het slachtoffer zou geworden zijn van een kwaadwillige valsheid in geschrifte waarvan het bedrieglijk opzet erin bestond de heer B. R. te laten opdraaien voor al de nare gevolgen waaronder mogelijk de fiscale gevolgen van zwarte leveringen aan een derde. Kennelijk bleef de heer B. R. zich bevoorraden bij deze leverancier en heeft hij deze zelfs nooit in mora gesteld met betrekking tot de schade die de heer B. R. door deze bedrieglijke manoeuvres zou kunnen lijden.

In tegenstelling tot hetgeen de heer B. R. voorhoudt betreft het hier geen negatiefbewijs maar een gevolgtrekking uit een feit, te weten de houding van de heer B. R. op het ogenblik dat deze geconfronteerd werd met de occulte boekhouding en het zwart leveringscircuit dat door de N.V. C. werd opgezet.

Daarenboven laat het onderzoek ter plaatse bij de heer B. R. toe vast te stellen dat de door hem opgegeven verwerkte bloem niet overeenstemt noch met de hoeveelheid aangekocht zout, noch met de hoeveelheid aangekocht gist en evenmin met de hoeveelheid aangekochte broodzakken. Zo elk van deze feiten op zichzelf niet determinerend is dient echter uit het gebrek aan overeenstemming van ieder der parameters afgeleid te worden dat de vereenvoudigde boekhouding van de heer B. R. geen enkele bewijskracht heeft nopens de reëel verwerkte hoeveelheid bloem. De beweringen als zou het zout elders kunnen aangekocht zijn en als zou het gebruik van gist geen betrouwbare parameter zijn niet van aard om het gebrek aan overeenstemming uit te leggen. Daarenboven is de bewering dat het zout mogelijk zonder factuur werd aangekocht ongerijmd. Ofwel werd alleen bloem met factuur geleverd en dan is het totaal ongeloofwaardig dat zout zonder factuur zou zijn aangekocht ofwel werd inderdaad zout zonder factuur aangekocht maar dan dient redelijkerwijs uit dit feit afgeleid te worden dat niet alleen zout zonder factuur werd aangekocht.

Tevergeefs vraagt de heer B. R. dat het volledig straf onderzoek lastens de N.V. C. zou worden neergelegd. Het is logisch dat de administratie van de BTW de stukken neerlegt waaruit zij afleidt dat zij haar vordering kan bewijzen. De loutere bewering dat er mogelijke andere tegenstrijdige verklaringen in het straf onderzoek werden afgelegd is niet van aard om de bewijskracht van de verklaringen die voorliggen te ondermijnen. De heer B. R. is sedert de processen-verbaal van 26 september 1990 en 2 oktober 1990 op de hoogte van de elementen die de agenten van de administratie van de BTW uit het strafdossier hebben gehaald. Hij ondernam nooit iets om de bewijskracht van de vaststellingen van de agenten van de administratie van de BTW te ontkrachten doch heeft zich steeds op het principiële standpunt gesteld van de gehele verwerping van iedere bewijskracht van de boekhouding van de N.V. C.. In de mate dat de heer B. R. niet aantoont dat hij tevergeefs zou gepoogd hebben inzage te krijgen van het strafdossier kan hij niet voorhouden dat de administratie van de BTW meer kansen had dan hijzelf. Het staat tot bewijs van het tegendeel vast dat de heer W. U. de vaststellingen heeft gedaan die opgenomen zijn in het door hem opgestelde proces-verbaal bij het doornemen van het strafonderzoek. Het bestaan van dit strafonderzoek en de erin opgenomen verklaringen en boekhoudkundige stukken zijn eveneens een feit waaruit bepaalde gevolgtrekkingen kunnen worden afgeleid.

De vraag van de lijst van alle klanten van de N.V. C. om hem toe te laten de eventuele bevoordeling van sommigen onder hen aan te tonen is dilatoir in de mate dat deze eventuele bevoordeling door geen enkel element aannemelijk wordt gemaakt. De twijfel waarvan sommigen hebben genoten kan bezwaarlijk als een element in die richting worden aanvaard.

De heer B. R. maakt een onderscheid tussen feiten en te verifiëren elementen. Een feit is iets wat werkelijk is, dit kan een gebeurtenis zijn maar ook een materieel spoor van een gebeurtenis. Een verklaring is een feit, een vaststelling dat een bepaalde verklaring bepaalde elementen bevat is eveneens een feit. Als aan deze verklaring een bepaalde bewijswaarde wordt gehecht zoals dit door de wetgever in art 59, § 1 van het BTW-wetboek is gewild dan dient de rechter daarmee rekening te houden. Uiteraard is de waarde van ieder van deze feiten aan de soevereine appreciatie van de rechter overgelaten, die wanneer hij oordeelt dat een feit of het geheel van feiten dit toelaat, hieruit een gevolgtrekking zal afleiden die hem toelaat te besluiten dat een ongekend feit bewezen is.

Het geheel van de elementen die hierboven onder de punten 1 tot en met 12 werden opgesomd laten toe om er in casu uit af te leiden dat de occulte leveringen toegeschreven aan de heer B. R. in de occulte boekhouding van de N.V. C. effectief plaatsgevonden hebben en dat deze bloem werd verwerkt door de heer B. R..

Het verzet tegen het dwangbevel is derhalve ongegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Gehoord in openbare terechtzitting de heer K. V. H., voorzitter, in zijn verslag;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt de heer B. R. tot de kosten, in graad van beroep begroot op … frs.

Aldus gevonnist door :

- K. V. H., voorzitter,

- B. d. C., plaatsvervangend raadsheer,

- M. S., advocaat, sinds tenminste 15 jaar ingeschreven op de tableau van de Orde, opgeroepen teneinde de zetel te vervolledigen,

magistraat, plaatsvervangende magistraat en advocaat, opgeroepen teneinde de zetel te vervolledigen van de toegevoegde kamer "F" van het hof van beroep te Brussel die aan de beraadslaging hebben deelgenomen overeenkomstig art 778, van het Gerechtelijk Wetboek,

en, gezien de wettelijke verhindering van de heer M. S., advocaat opgeroepen teneinde de zetel te vervolledigen, uitgesproken in openbare terechtzitting van dezelfde kamer op 17-03-1999

overeenkomstig de beschikking van Mevrouw de Eerste Voorzitter van 17-03-1999 en dit bij toepassing van art 779 van het Gerechtelijk Wetboek,

waar aanwezig waren :

- K. V. H., voorzitter,

- B. d. C., plaatsvervangend raadsheer,

- A. D. M., plaatsvervangend raadsheer,

- C. D. N., griffier.

C. D. N. A. D. M. B. d. C. K. V. H.

Textes cités

2
CTVA art. 592 occurrences
CTVA art. 702 occurrences

Décisions similaires

8