Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 21 juin 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2002-06-21-59ff

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
21 juin 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

200 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 21.06.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste Kamer

A.R. 01/7837/A

Inzake van :

1.De vennootschap naar Nederlands recht D. E. B.V., met maatschappelijke zetel te … te …, …

2.De vennootschap naar Nederlands recht D. C. B.V. (D. C. B.V. genoemd) met maatschappelijke zetel te … te …, …,

3.De vennootschap naar Nederlands recht L.’C. EN M. H. B.V. (H. B.V. genoemd), met maatschappelijke zetel te … te …, …,

4.De vennootschap C. EN M. K. N.V. (K. N.V. genoemd), met maatschappelijke zetel te …, …,

5.De vennootschap L.’C. EN . H. K. N.V. (H. K. N.V. genoemd), met maatschappelijke zetel te …, …, …

Eisers,

Vertegenwoordigd door Mr. V. D. B. in eigen naam en loco Mr. J. V. S., advocaten, met kantoor te …, ….

Tegen :

De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van :

1.De Eerstaanwezend Inspecteur diensthoofd van het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Zaveltoren, Jozef Stevensstraat 7,

2.De Eerstaanwezend Inspecteur diensthoofd van het controlekantoor van de BTW te Geel, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2440 Geel, Werft 65.

Verweerder,

Vertegenwoordigd door Mr. V. B. loco Mr. M. V. A., advocaat, met kantoor te …, …


In deze zaak, in beraad genomen op 24 mei 2002, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

- het exploot van dagvaarding van P. D. S., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder W. C. te …, betekend op 1 juni 2001;

- het exploot van dagvaarding van P. S., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder M. V. D. te …, betekend op 1 juni 2001;

- de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 14 september 2001, op 10 januari 2002 en op 27 maart 2002;

- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseressen, neergelegd ter griffie respectievelijk op 30 november 2001 en op 28 februari 2002.

Verweerder verklaart zich te beperken tot zijn synthesebesluite.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 24 mei 2002, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

II. FEITEN EN RETROACTEN

In de jaren 1993 en 1994 leverde de NV F. de C. staalplaten aan de BV D. E., huidige eerste eiseres. Deze laatste verkocht deze staalplaten door aan de BV D. C., huidige tweede eiseres. Op haar beurt verkocht deze laatste dezelfde staalplaten door aan de BV L.’ C. en M. H., huidige derde eiseres. Op haar beurt verkocht deze laatste deze staalplaten aan de NV C. en M. K., huidige vierde eiseres.

Bij al deze transacties bleven de staalplaten in België. Deze werden immers rechtstreeks vervoerd van bij de NV F. de C. naar de NV C. en M. K..

Deze laatste verwerkte de staalplaten tot brugdelen, en verkocht ze aan de BV L.’ C. en M. H., die ze doorverkocht aan de NV L.’ C. en M. H. K., huidige vijfde eiseres.

Een deel van de goederen werd naar Nederland vervoerd, terwijl een ander deel in de haven van Antwerpen werd afgeleverd om naar Indonesië te worden uitgevoerd.

Oorspronkelijk werd op geen enkele van de handelingen BTW aangerekend, hoewel enkel de uitvoer van de brugdelen in hoofde van de NV L.’ C. en M. H. K. en de intracommunautaire levering met als bestemming Nederland van Belgische BTW was vrijgesteld.

Begin 1994 regulariseerde de N.V. F. de C. haar toestand en bracht zij Belgische BTW in rekening op de door haar aan de BV D. E. verrichte leveringen.

Op 17 februari 1994 vroeg de BV D. E. de door haar aan de NV F. de C. betaalde BTW terug op het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen (het C.K.B.B.).

Het C.K.B.B. weigerde evenwel deze teruggave om reden dat bij het onderzoek van de aanvraag om teruggaaf werd vastgesteld dat de BV D. E. de gekochte goederen had aangewend om belastbare handelingen in België te stellen. Volgens de Belgische Staat was er immers ook Belgische BTW verschuldigd op de leveringen door de BV D. E. aan de BV D. C.

Uiteindelijk werd een afrekening opgemaakt tussen de door de BV D. E. verschuldigde BTW en de in haren hoofde aftrekbare BTW, nl. de BTW haar aangerekend door de NV F. de C..

Het saldo aan verschuldigde BTW werd samen met een boete ten bedrage van 20 % van de verschuldigde BTW ingevorderd lastens de BV D. E.

Een gelijkaardige regularisatie werd doorgevoerd lastens de BV D. C., de BV L’. C. en M. H. en de NV C. en M. K..

Op 16 juni 1998 werd ter zake tussen het C.K.B.B. en de BV D. E. en consoorten een globaal akkoord afgesloten.

De saldi aan verschuldigde BTW en administratieve geldboeten werden vervolgens betaald op 30 juni 1998 door de BV D. E. en de BV D. C., op 17 juli 1998 door de BV L’. C. en M. H. en op 20 juli 1998 door de NV C. en M. K..

In hoofde van de NV L’. C. en M. H. K. ontstond een belangrijk bedrag aan aftrekbare BTW, nu op haar uitgaande handelingen geen BTW verschuldigd was. Zij diende dan ook een aanvraag om teruggaaf in op het C.K.B.B. en de BTW werd haar op 30 juni 1999 terugbetaald.

Inmiddels werd op 10 november 1998 door het kantoor Pricewaterhousecoopers Taks Consultants (voorheen Coopers & Lybrand) een aangetekend schrijven gericht aan de toenmalige minister van Financiën met het verzoek tot vermindering van de in de verschillende schakels aangerekende boeten, alsook met het verzoek tot een spoedige terugbetaling aan de NV L’. C. en M. H. K..

Op 18 januari 1999 schreef het kantoor Pricewaterhousecoopers Taks Consultants opnieuw de toenmalige minister van Financiën aan.

Op 29 oktober 1999 besliste de Centrale Administratie van de BTW de aangerekende boeten te halveren tot 10 % van de verschuldigde BTW, in plaats van 20 %.

Aldus dienden de volgende bedragen te worden terugbetaald :

- aan de BV D. E. : … euro (… BEF), terugbetaald volgens de Belgische Staat op 10 april 2000 en volgens BV D. E. en consoorten op 21 april 2000;

- aan de BV D. C. : … euro (… BEF), terugbetaald volgens de Belgische Staat op 10 april 2000 en volgens de BV D. E. en consoorten op 21 april 2000;

- aan de BV L’. C. en M. H. : … euro (… BEF), terugbetaald op 21 april 2000;

- aan de NV C. en M. K. : … euro (… BEF), terugbetaald op 4 januari 2000.

Op 1 juni 2001 gingen de BV D. E. en consoorten over tot dagvaarding.

III. IN RECHTE

A.STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseressen vragen hun vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :

- de volledige kwijtschelding van de administratieve geldboeten, verschuldigd door eiseressen onder 1), 2), 3° en 4) te bevelen en minstens de volledige kwijtschelding in hoofde van eiseressen onder 2), 3) en 4);

- verweerder te veroordelen tot het betalen van moratoire interesten aan eiseres onder 5) – in hoofdorde – over het bedrag van … euro (… BEF) voor de periode van 16 juni 1998 tot 30 juni 1999; - in ondergeschikte orde – tot betaling van dit bedrag voor de periode van 10 november 1998 tot 30 juni 1999; - in uiterst ondergeschikte orde – voor de periode van 18 januari 1999 tot 30 juni 1999;

- tevens verweerder te veroordelen tot betaling van moratoriuminteresten :

•aan eiseres onder 4) over het bedrag van … euro (… BEF) voor de periode van 10 november 1998 tot 30 december 1999;

•aan eiseres onder 3) over het bedrag van … euro (… BEF) voor de periode van 10 november 1998 tot 21 april 2000;

•aan eiseres onder 2) over het bedrag van … euro (… BEF) voor de periode van 10 november 1998 tot 21 april 2000;

•aan eiseres onder 1) over het bedrag van … euro (… BEF) voor de periode van 10 november 1998 tot 21 april 2000;

- verweerder te veroordelen alle ten onrechte geïnde administratieve geldboeten aan eiseressen onder 1), 2), 3) en 4) terug te betalen, verhoogd met moratoire interesten te rekenen vanaf 10 november 1998;

- verweerder tevens te veroordelen tot vergoeding van de bijkomende kosten voor de tussenkomt van hun fiscale adviseurs en advocaten.

Verweerder vraagt de rechtbank :

- zich onbevoegd te verklaren ten aanzien van de vordering van eiseres onder 4);

- voor het overige de vordering van eiseressen onder 1), 2), 3) en 5) ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.

B.BEOORDELING

1) Wat de exceptie van onbevoegdheid in verband met de vordering van eiseres onder 4) betreft

1.1. Standpunt van verweerder

Verweerder werpt op dat het in casu gaat om een dagvaarding in teruggaaf (van het bedrag van de boeten die niet werden kwijtgescholden) en tot het verkrijgen van moratoriuminteresten.

Volgens hem dient het door eiseressen ingeroepen art. 632 Ger. W. te worden gelezen samen met art. 1385 decies Ger. W., zoals ingevoegd door art. 9 van de Wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, dat letterlijk als volgt luidt :

“Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak”.

Art. 90 W.BTW bepaalt dan weer :

“De vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten wordt ingesteld bij exploot met dagvaarding, betekend aan de Staat, meer bepaald aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.

De vordering wordt aanhangig gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van die ambtenaar ressorteert”.

Overeenkomstig art. 14, lid 1 van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 dient de in art. 90 W.BTW bedoelde vordering tot teruggaaf te worden ingesteld binnen vijf jaar te rekenen ofwel vanaf de datum van de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag om teruggaaf wordt verworpen, ofwel vanaf de datum van de betaling van de interesten en van de administratieve geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie.

Overeenkomstig art. 14, lid 2 van voormeld K.B. nr. 4 dient de vordering te worden ingesteld bij exploot met dagvaarding, betekend aan de Staat, aan het hoofd van het controlekantoor van de BTW waaronder de aanvrager ressorteert indien hij een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, of aan het hoofd van het controlekantoor van de BTW in het ambtsgebied waarvan hij zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel heeft, indien hij enig ander persoon is.

Verweerder wijst erop dat het aangehaalde art. 90 W.BTW werd opgeheven door art. 60 van de Wet van 15 maart 1999 met betrekking tot de beslechting van fiscale geschillen, maar dat art. 97 van dezelfde Wet het volgende bepaalt :

“Voor zover zij de procedureregels wijzigen zijn de artikelen 56 en 58 tot 62 van deze wet van toepassing op de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999”.

Verweerder stelt dat de bepalingen van het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (de artikelen 1385 decies en undecies Ger. W.) voor oude geschillen enkel kunnen worden toegepast in zoverre daarop in het bijzonder fiscaal procesrecht geen uitzonderingen werden bepaald, en art. 90 W.BTW vormt, naar zijn oordeel, een dergelijke uitzonderingsbepaling.

Verweerder leidt daaruit af dat de nieuwe regels voor de inleiding van fiscale gedingen inzake BTW slechts van toepassing zijn op geschillen die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan, terwijl voor betwistingen die betrekking hebben op de periode voor 1 januari 1999 nog verder de oude regeling (d.w.z. inleiding bij dagvaarding) dient te worden toegepast.

Nu inzake BTW de vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet en in casu de bedragen die thans worden teruggevorderd werden betaald in 1998 (meer bepaald op 27 juni 1998 door eiseres onder 1) en eiseres onder 2), op 13 juli 1998 door eiseres onder 4) en op 17 juli 1998 door de eiseres onder 3)), heeft de oorzaak van teruggaaf van de teruggevorderde sommen zich voorgedaan voor 1 januari 1999 (nl. op de datum van de betaling van de teruggevorderde sommen). Derhalve werd de vordering tot teruggaaf terecht ingeleid door middel van een dagvaarding.

Deze dagvaarding diende te worden betekend aan de door de Koning aangewezen ambtenaar (in casu het hoofd van het BTW-controlekantoor te Geel voor wat eiseres onder 4) betreft), en overeenkomstig art. 90, lid 2, W.BTW diende de vordering te worden aanhangig gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van die ambtenaar ressorteert.

Gezien de uitdrukkelijke bepaling van art. 90, lid 2 W.BTW, diende eiseres onder 4), volgens verweerder, haar vordering derhalve aanhangig te maken bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

Derhalve komt verweerder tot het besluit dat deze rechtbank zich met betrekking tot de vordering van eiseres onder 4) onbevoegd dient te verklaren.

1.2. Standpunt van eiseressen

Eiseressen stellen dat, zelfs indien de geadieerde rechtbank zou vaststellen dat inderdaad de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zou moeten oordelen over de vorering van eiseres onder 4), er nog rekening moet worden gehouden met de algemene beginselen van het Ger. W. inzake de samenhang van verschillende vorderingen (art. 30 Ger. W.) en de collectieve dagvaarding (art. 701 Ger. W.).

Zij menen dat er in casu tussen hun vorderingen een samenhang bestaat, waarbij deze samenhang erin bestaat dat al deze vorderingen zijn gesteund op dezelfde feiten en dat zij bovendien dezelfde administratieve handelingen betwisten.

Volgens eiseressen verliest verweerder uit het oog dat de bepalingen van het algemeen recht van toepassing zijn zolang het fiscaal recht er niet uitdrukkelijk van afwijkt. Zo aanvaarde de rechtsleer dat de bepalingen van het Ger. W. inzake aanhangigheid en samenhang, meer bepaald de artikel 29 en 30 Ger. W., toepasselijk zijn op fiscaal vlak (zie MAGREMANNE, J.-P., e.a., Le contentieux de l’impôt sur les revenus, Brussel, Kluwer, 2000, nr. 444, p. 492; PEETERS, B., De hervorming van de fiscale procedure, Antwerpen,Maklu, 1999, 266). Ook in de eigen administratieve commentaar van verweerder wordt uitdrukkelijk gesteld dat, vermits het onderwerp inzake de aanhangigheiden samenhang niet wordt behandeld door de fiscale wet, men zich dient te houden aan de bepalingen van het Ger. W., waaronder de artikelen 29 en 30 (zie : Com.I.B. 1992, nr. 377/12; Ci. RH.863/530.827, 18 september 2000, nr. 107).

Naar het oordeel van eiseressen maken oud art. 90 W.BTW en art. 14, lid 2 van het K.B. nr. 4 geen bijzondere bepalingen uit, die afwijken van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake aanhangigheid en samenhang.

Gelet op de samenhang van de vorderingen van eiseressen onder 1) tot en met 5) en gelet op de vereisten van een goede rechtsbedeling, menen eiseressen dat deze vorderingen terecht door middel van één dagvaarding bij deze rechtbank aanhangig werden gemaakt (zie art. 701 Ger. W.).

1.3 Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat, bij toepassing van het adagium “lex specialis derogat legi generali”, de bepalingen van het gemeen gerechtelijk recht voor oude BTW-geschillen enkel kunnen worden toegepast in zoverre daarop in het bijzonder fiscaal procesrecht geen uitzonderingen werden bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank vormt oud art. 90 W.BTW een dergelijke uitzonderingsbepaling (in dezelfde zin, zie : Rb. Brugge, 8 januari 2001, Fisc. Koer., 2000, 122).

Bijgevolg treedt de rechtbank verweerder bij wanneer hij stelt dat, ingevolge de uitdrukkelijke bepaling van oud art. 90, lid 2 W.BTW, eiseres onder 4) haar vordering aanhangig diende te maken bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

Derhalve dient de rechtbank zich pet betrekking tot de vordering van eiseres onder 4) onbevoegd te verklaren.

2) Wat de kwijtschelding van de boeten betreft

2.1. Wat de beweerde spontane regularisatie betreft

Een eerste argument, dat door eiseressen wordt ingeroepen, is het art. 3 van het KB. nr. 41 van 30 januari 1987, dat letterlijk luidt als volgt·:

"Een volledige kwijtschelding van de geldboeten wordt verleend wanneer een schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet voor enige tussenkomst van een fiscale administratie”.

- In hoofdorde – vragen eiseressen op basis van deze bepaling de volledige kwijtschelding van de administratieve geldboeten voor eiseressen onder 1), 2) en 3).

Eiseressen wijze erop dat zij wel degelijk het initiatief hebben genomen om de verschuldigde BTW te regulariseren en zelf, via hun gevolmachtigde, hun toestand aan de BTW-administratie bekend hebben gemaakt, zonder daartoe door de BTW-administratie te zijn aangezocht. Hoewel zij om een kwijtschelding van de boeten verzochten, stond de minister van Financiën bij beslissing van 29 oktober 1999 aan eiseressen onder 1), 2), 3) en 4) slechts een vermindering van deze boeten toe, stellende dat het geenszins ging om een spontante regularisatie nu er reeds voordien een tussenkomst van de fiscale administratie was geweest. Dit wordt ten stelligste ontkend door eiseressen die stellen dat genoemde voorafgaande tussenkomst van de fiscale administratie een totaal andere aangelegenheid betrof (nl. de vraag tot teruggaaf door eiseres onder 1) van de BTW die haar door haar leverancier, de NV Forges de Clabecq, was aangerekend).

- In ondergeschikte orde – vragen eiseressen minstens volledige kwijtschelding van de administratieve geldboeten voor eiseressen onder 2) en 3) indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat het onderzoek door de BTW-administratie in het kader van de vordering van eiseres onder 1) tot teruggaaf van BTW verricht als een voorafgaande tussenkomst van de fiscale administratie moet worden aangezien. Zo kan deze tussenkomst van de administratie ten aanzien van eiseres onder 1) geen invloed hebben op het spontane karakter van de regularisatie ten aanzien van eiseressen onder 2) en 3), zoniet zou verweerder toepassing maken van het begrip “fiscale eenheid”.

Daartegen brengen eiseressen in dat zij niet tot één en dezelfde groep behoren. Bovendien beschikken eiseressen allen over een eigen rechtspersoonlijkheid en zijn zij elk als BTW-plichtigen geïdentificeerd. Verder wijzen eiseressen erop dat in de Belgische wetgeving tot op heden de notie “fiscale eenheid” niet wordt erkend. Ten slotte stellen eiseressen dat de redenering van verweerder tot gevolg zou hebben dat in alle gevallen van kettingverkoop van goederen, de betrokken belastingplichtigen, vooraleer tot regularisatie over te gaan, zouden moeten nagaan of er in enige voorafgaande relatie reeds een vraag is geweest van de fiscale administratie met betrekking tot deze goederen. In de hypothese dat er een dergelijke vraag zou geweest zijn, zouden deze belastingplichtigen er een enkel belang meer bij hebben hun zaak zelf aan de administratie te melden, aangezien er dan toch boeten worden opgelegd.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder terecht opmerkt dat er in casu geen sprake kan zijn van een spontane regularisatie. Het dossier vindt zijn oorsprong in de aanvraag om teruggaaf van eiseres onder 1) van 16 februari 1994, die werd geweigerd omdat zij deze goederen had aangewend voor het stellen van belastbare handelingen in België en ze had nagelaten BTW aan te rekenen op haar uitgaande facturaties.

Zonder deze aanvraag om teruggaaf zou er van enige regularisatie nooit sprake zijn geweest, nu door eiseressen slechts tot een regularisatie werd overgegaan na het fiscaal onderzoek door het C.K.B.B. van het door eiseres onder 1) ingediende teruggavedossier.

Bovendien houdt verweerder terecht voor dat niet enkel de regularisatie in hoofde van eiseres onder 1), maar ook de daarop volgende regularisaties in de volgende schakels een rechtstreeks gevolg zijn van de weigering om teruggaaf, en dat er zonder deze weigering nooit van enige regularisatie sprake zou zijn geweest. Derhalve kunnen de doorgevoerde regularisaties geenszins als “spontaan” worden beschouwd, maar waren ze erop gericht de weigering van de terugbetaling ongedaan te maken. Zonder regularisatie in de volgende schakel kan de aangerekende BTW niet worden geïmputeerd of teruggeven. Met reden stelt verweerder dat er van spontane regularisaties slechts sprake zou kunnen geweest zijn indien deze hadden plaatsgevonden voorafgaand aan de indiening van de vraag om teruggaaf door eiseres onder 1).

Om reden dat de rechtbank verweerder bijtreedt wanneer hij stelt dat geen enkele partij haar situatie spontaan heeft geregulariseerd, en dat de regularisatie slechts werd aanvaard nadat aan partijen de toezegging werd gedaan dat de aftrekbare BTW (die ingevolge de regularisatie in hunnen hoofde ontstond) onmiddellijk zou worden verrekend met de in hunnen hoofde verschuldigde BTW, kan er van kwijtschelding van boeten in hoofde van eiseressen onder 2) en 3) evenmin sprake zijn.

Nu eiseressen niet betwisten dat in elke fase (behalve in de fase van de uitvoer naar Indonesië en de vrijgestelde intracommunautaire levering naar Nederland) de Belgische BTW verschuldigd was, de administratieve geldboeten van rechtswege verschuldigd zijn en er van een spontane regularisatie geen sprake kan zijn, zijn de aangerekende boeten wettelijk verschuldigd.

2.2. Wat de opportuniteit van de opgelegde administratieve geldboeten betreft

Een tweede argument van eiseressen betreft de opportuniteit van de opgelegde administratieve gelclboeten. Zij vragen dat, indien deze rechtbank van oordeel zou zijn dat de administratieve geldboeten niet kunnen worden kwijtgescholden op grond van art. 3 van het K.B. nr. 41, de rechtbank zou vaststellen dat de hen opgelegde sanctie onredelijk en niet opportuun is.

Daarbij merken eiseressen op dat zij volledig te goeder trouw hebben gehandeld, dat zij geen financieel voordeel hebben genoten bij het niet-aanrekenen van de BTW, en dat de Schatkist daaruit ook geen nadeel heeft geleden

Eiseressen menen te goeder touw te hebben gehandeld bij het niet-aanrekenen van BTW op hun leveringen, nu zij ervan overtuigd waren dat op de betrokken handelingen geen BTW diende te worden aangerekend, omdat de goederen uiteindelijk voor uitvoer bestemd waren.

Verder wijzen zij erop dat het niet-aanrekenen van BTW voor hen financieel geen enkel verschil uitmaakte ten opzichte van de situatie waarin zij wel BTW zouden hebben aangerekend, omdat zij in dit laatste geval de aangerekende en ontvangen BTW toch onmiddellijk zouden hebben doorgestort aan de Schatkist;

Ten slotte heeft de Schatkist, volgens eiseressen, door hun inbreuk geen financieel verlies geleden, gelet op de neutraliteit van het BTW-systeem. Hadden zij op het belastbaar feit, nl. de levering van staalplaten, toch de Belgische BTW aangerekend en doorgestort, dan hadden de opeenvolgende schakels, zijnde de medecontractanten, in hun hoedanigheid van belastingplichtigen met recht op aftrek voor deze activiteit dezelde BTW toch onmiddellijk in aftrek kunnen brengen. Derhalve zou de Schatkist de BTW, die zij van de leverancier ontvangt, toch aan de afnemer opnieuw hebben moeten doorstorten.

Derhalve vragen eiseressen dat, indien de rechtbank zou oordelen dat er in casu geen sprake is van een spontane regularisatie, zij zou vaststellen dat de aan hen opgelegde administratieve geldboeten te zwaar zijn en dat er geen sprake meer kan zijn van enige 'proportionaliteit van administratieve geldboeten”, zeker nu de Belgische Staat geen schade heeft geleden.

Eiseressen wijzen erop dat verweerder in zijn besluiten toegeeft dat de oplegging van administratieve geldboeten vooral bedoeld is om de inning van de verschuldigde belasting te verzekeren en om de rechten van de Schatkist te vrijwren. Daarmee bevestigt verweerder, steeds volgens eiseressen, impliciet dat de oplegging van administratieve geldboeten zijn doel voorbijschiet : door het afsluiten van de akkoorden was de inning van de BTW verzekerd, mede omwille van het feit dat het recht op aftrek van de voorbelasting daarvan afhankelijk werd gemaakt, en in casu hebben eiseressen alle verschuldigde bedragen volledig betaald.

De rechtbank treedt evenwel verweerder bij, wanneer hij stelt dat de finaal weerhouden boete slechts een fractie (nl. 1/10de) uitmaakt van de verschuldigde BTW. Nu de boeten werden vastgesteld in functie van het bedrag van de niet (tijdig) betaalde belasting dient te worden aangenomen dat zij op zich niet kennelijk disproportioneel zijn (zie : Cass , 5 februari 1999, Fisc. Act., 1999, afl. 13, p. 5; Fiskoloog, 1999, afl. 698, p. 6, F.J.F., 1999. n° 99/92, p. 227; J.D.F., 1999, 201; J.L.M.B.,1999, 541, R. Cass, 2000, 219; R.W., 1998-99, 1352; R.W., 1999-2000, 640; TFR., 1999, 381)

Het komt aan de rechtbank toe om. bij het onderzoek of de straf niet onredig is met de inbreuk, te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van administratieve geldboeten van die omvang, zonder dat de rechtbank om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie Cass., 24 januari 2002, C.00.0307.N, onuitgegeven).

De rechtbank stelt in casu vast dat de boeten werden berekend overeenkomstig de bepalingen van Tabel A – rubriek IV (voor wat de voor 1 november 1993 begane overtredingen betreft) en overeenkomstig de bepalingen van Tabel G – rubriek V (voor wat de vanaf 1 november 1993 begane overtredingen betreft) van het K.B. nr. 4) van 30 januari 1987.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat de boeten in casu terecht werden gevorderd (nu de belasting niet tijdig was voldaan (zie art. 70, § 1 W.BTW)) en dat hun bedrag overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake, werd bepaald (zie voormelde Tabellen van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987).

Overigens stelt de rechtbank vast dat eiseressen zich in hun respectieve akkoorden uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard met de hen opgelegde boeten. Met reden stelt verweerder dat eiseressen niet aantonen dat deze akkoorden tot stand zijn gekomen ingevolge een dwaling in rechte of in feite. Volkomen terecht verwijst verweerder in dat verband nog naar de brief van 16 juni 1998, die door I. L. en W. V., in hun hoedanigheid van partner en director van het toenmalige Coopers & Lybrand, aan het C.K.B.B. werd gericht, en waarin letterlijk staat vermeld : “Ten behoeve van een algemeen akkoord wordt geen voorbehoud gemaakt bij de opgelegde boeten en interesten”.

Dat deze akkoorden onder dwang werden afgesloten, treedt de rechtbank geenszins bij. Niet alleen heeft de administratie zich toegeeflijk opgesteld door in het kader van deze akkoorden te aanvaarden dat de voorbelasting onmiddellijk in mindering werd gebracht van de verschuldigde BTW op de output. Daardoor werden bepaalde problemen in hoofde van eiseressen onmiddellijk opgelost, met name het vervullen van de formaliteiten bepaald voor de recuperatie van de aftrekbare BTW. Maar bovendien werden de akkoorden in naam van eiseressen afgesloten door voormelde personen van het toenmalige Coopers & Lybrand, zijnde specialisten inzake BTW. Terecht stelt verweerder dat een eventuele druk vanwege de administratie op dergelijke specialisten zeker niet de minste indruk zou hebben gemaakt.

2.3. Wat de berekening van de geldboeten op de omzet betreft

Een derde en laatste argument van eiseressen is dat de administratieve geldboeten ten onrechte werden berekend op de omzet. Volgens eiseressen konden de opgelegde geldboeten hoogstens worden berekend op het verschil tussen de BTW op de aankopen en deze op de verkopen. Volgens hen impliceren de kwestieuze akkoordverklaringen immers een onmiddellijke verrekening van het terug te geven BTW-saldo met de verschuldigde belasting, en dienden zij enkel het saldo aan de Schatkist door te storten.

Met reden doet verweerder in dat verband opmerken dat de boeten niet werden berekend in functie van de uiteindelijk verschuldigde BTW (na toerekening van de BTW op de input), maar wel enkel en alleen op de verschuldigde BTW op de output, in overeenstemming met de bepalingen van Tabel A rubriek IV - Tabel G, rubriek V van het K.B. nr. 41). Om de uiteindelijk verschuldigde BTW te bepalen, heeft de administratie achteraf op de verschuligde BTW op de output de betaalde BTW op de input geïmputeerd. Het betreft hier een toegeving van de administratie in het kader van de doorgevoerde regularisatieprocedure.

Verder verwijst verweerder terecht naar art. 70, § 1 W.BTW en het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987. Overeenkomstig deze bepalingen worden de verschuldigde boeten bepaald op een fractie van de niet of niet tijdig betaalde BTW (= omzet x BTW-percentage) en dit zonder rekening te houden met een eventuele compensatie van BTW, waarvan het recht op aftrek (nog) niet werd uitgeoefend. Ten aanzien van het laattijdig uitoefenen van het recht op aftrek had verweerder eiseressen kunnen verwijzen naar art. 4, § 1, lid 2 en § 2 van het K.B. nr. 3 van 10 december 1969. Evenwel is verweerder overgegaan tot onmiddellijke compensatie van de aftrekbare BTW, hetgeen een toegeving vanwege de administratie uitmaakt.

3) Wat de moratoire interesten betreft

3.1. Met betrekking tot de teruggaaf aan eiseres onder 5)

Eiseressen wijzen erop dat het akkoord, dat op 16 juni 1998 werd afgesloten tussen de BTW-administratie en hun gevolmachtigde, uitdrukkelijk bepaalde dat eiseres onder 5) het recht op teruggaaf verkreeg van de op de door eiseres onder 4) geleverde goederen verschuldigde BTW. Samen met de akkoordverklaring werd tevens een aanvraag ingediend tot uitoefening van het recht op aftrek in de zin van art. 4, § 2 van het K.B. nr. 3 en van de aanschrijving nr. 29 van 25 november 1975. De teruggaaf werd afhankelijk gesteld van de betaling van de saldi van de door de andere eiseressen verschuldigde BTW. Deze BTW werd respectievelijk betaald op 30 juni 1998 door eiseressen onder 1) en 2), op 17 juli 1998 door eiseres onder 3) en op 20 juli 1995 door eiseres onder 4).

Eiseressen stellen dat de terugbetaling aan eiseres onder 5) van het BTW-tegoed ten bedrage van … euro (… BEF) omwille van organisatorische problemen bij de BTW-administratie op zich liet wachten, wat ernstige cash-flow problemen voor haar tot gevolg had.

Op 10 november 1998 richtte de gevolmachtigde van eiseressen dan een aangetekend schrijven aan de toenmalige minister van Financiën, met het verzoek de administratieve geldboeten te verminderen en het BTW-tegoed zo spoedig mogelijk terug te betalen.

Ondanks dit schrijven, verscheidene telefonische verzoeken en een tweede aangetekend schrijven van 18 januari 1999 werd het BTW-tegoed pas eind juni 1999 aan eiseres onder 5) terugbetaald en dit zonder interesten.

Eiseressen verwijzen naar art. 91, § 4 W.BTW , volgens hetwelk er moratoire interesten verschuldigd zijn over de door de administratie terug te geven sommen, en dit tegen de rentevoet geldend in burgerlijke zaken, met inachtneming van de ter zake geldende regels.

Volgens eiseressen wist verweerder vanaf het akkoord van 16 juni 1998 dat hij verplicht was tot teruggaaf van BTW over te gaan aan eiseres onder 5). Zij stellen dat hun schrijven van 10 november 1998 een geldige ingebrekestelling uitmaakt. Op 18 januari 1999 stuurden zij een tweede aangetekend schrijven naar verweerder. Zij wijzen erop dat een ingebrekestelling aan geen enkele vormvereiste is onderworpen, maar dat volstaat dat ze duidelijk de wil van den schuldeiser bevat dat de hoofdverbintenis door de schuldenaar wordt uitgevoerd (zie : Cass., 18 december 1986, Arr.. Cass., 1986-87, 525; J.T., 1987, 162, Pas., 1987, I, 484; R.W., 1987 - 88, 55, Cass, 25 november 1991, Arr. Cass, 1991-92, 272; J.T., 1992, 221. Pas, 1992, I, 231; R.W., 1991-92, 1364; Brussel, 27 november 1998, F.J.F., 1999, n° 99/117, 193; T F.R, 1999, 229).

Derhalve menen eiseressen dat de BTW-administratie op basis van het aangehaalde art. 91, § 4 W.BTW interesten verschuldigd is aan eiseres onder 5) a rato van 7 % per jaar over het bedrag van … euro (… BEF) en dit vanaf 16 juni 1998 (datum van het akkoord) tot 30 juni 1999 (datum van effectieve terugbetaling).

Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat het akkoord niet reeds voldoende is als aanmaning, dienen er volgens eiseressen moratoriuminteresten te worden toegekend vanaf 10 november 1998 (datum van hun eerste aangetekend schrijven) en minstens vanaf 18 januari 1999 (datum van hun tweede aangetekend schrijven) tot 30 juni 1999 (datum van effectieve terugbetaling).

Overeenkomstig art. 91, § 4, W.BTW zijn de moratoire interesten over de in te vorderen of terug te geven sommen, die niet in de §§ 1, 2 en 3 zijn bedoeld, verschuldigd tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de ter zake geldende regels. Deze toepasselijke regels zijn terug te vinden in de artikelen 1153 en 1139 B.W.

Bij toepassing van art. 1153 B.W. zijn de interesten van art. 91, § 4 W.BTW slechts verschuldigd vanaf de ingebrekestelling (zie : Luik, 16 februari 1988, BTW-Revue, 1991, p. 123).

Waar vroeger voor een geldige ingebrekestelling een gerechtsdeurwaardersakte werd vereist, wordt thans aangenomen dat dit niet meer absoluut noodzakelijk is. Wel is vereist dat de schuldeiser in de ingebrekestelling op een ondubbelzinnige wijze zijn wil te kennen geeft om de uitvoering van de verbintenis te verkrijgen en dat hij zijn schuldenaar aanmaant zijn verbintenis na te komen. Derhalve dient de ingebrekestelling duidelijk en ondubbelzinnig de wil van de schuldenaar uit te drukken om uitvoering van de verbintenis te verkrijgen (zie : Cass., 25 mei 1991, Pas., 1992, I, 231).

Ter zake houdt verweerder voor dat er in casu slechts één geldige ingebrekestelling werd betekend aan de administratie, met name de dagvaarding van 1 juni 2001. Nu de bedragen door hem ten laatste op 21 april 2000, dus voor de datum van de dagvaarding, werden terugbetaald, kan er van de toekenning van moratoriuminteresten, naar zijn oordeel, geen sprake zijn. Verweerder meent dan ook dat noch het akkoord van 16 juni 1998, noch het schrijven van 10 november 1998, gericht aan de toenmalige minister van Financiën, noch het schrijven van 18 januari 1999, eveneens gericht aan de toenmalige minister van Financiën, als een geldige ingebrekestelling kan worden beschouwd.

De rechtbank stelt evenwel vast dat het akkoord van 16 juni 1998 uitgaande van eiseres onder 5) letterlijk het volgende vermeldt :

"Lubbers' Constructiewerkplaats en Machinefabriek Kloos NV vraagt de toelating om de Belgische BTW die ten gevolge van een correctieopgave uitgereikt door het Centraal BTW­kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen eventueel in de toekomst nog zal worden aangerekend op het aan Belgische BTW onderworpen deel van de in bijlage I opgelijste facturen van de vennootschap Lubbers' Constructiewerkplaats en Machinefabriek Hollandia BV alsnog in aftrek te brengen''

Van zodra de belastingplichtige, in casu eiseres onder 5), zich in de voorwaarde bevindt om de BTW te recupereren, ontstaat zijn recht op terugbetaling, maar de verplichting tot teruggaaf ontsta.at in hoofde van de Staat vanaf het ogenblik dat hij zijn aanvraag heeft ingediend.

Door een aanvraag tot teruggaaf van de BTW in te dienen, geeft de belastingplichtige op duidelijke en ondubbelzinnige wijze te kennen dat hij wenst dat de Staat zijn verplichting tot teruggaaf van de BTW zou uitvoeren.

Derhalve dient deze aanvraag te worden beschouwd als een ingebrekestelling (in dezelfde zin, zie : Brussel, 27 november 1998, F.J.F., 1999, n° 99/117, p 293; T.F.R., 1999, 229).

Voor de aanvragen om teruggaven ingediend vanaf 1 oktober 1997 (zoals in casu), dient art. 91, § 3 W.BTW te worden toegepast.

Overeenkomstig deze bepaling "is een interest van 0,8 % per maand van rechtswege verschuldigd over de sommen die moeten worden teruggegeven : (…) 2° met toepassing van de bepalingen van de achtste richtlijn nr. 79/1072/EEG van 6 december 1979, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting – Regeling voor de teruggaaf van de BTW aan niet in het buitenland gevestigde belastingplichtigen, voor de aanvragen om teruggaaf ingediend vanaf 1 oktober 1997, te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van zes maanden bepaald in art. 7, punt 4, van die richtlijn”.

Wel diende de aanvraag tot terugbetaling vergezeld te zijn van alle (correcte) documenten die volgend voormelde achtste EEG-richtlijn voor het onderzoek van aanvraag nodig waren.

In dat verband kan worden verwezen naar bijlage C van deze richtlijn in verband met de in de toelichting minimaal te verstrekken informatie, die onder meer de mededeling van de volgende inlichtingen vereist :

- het belastingnummer in het land van teruggaaf;

- een verklaring die is afgegeven door de overheid van de Lid-Staat waar de aanvrage, is gevestigd en waaruit blijkt dat de aanvrager in deze staat onderworpen is aan de BTW;

- de originelen van de facturen en invoerdocumenten, waarin de bedragen van de BTW zijn vermeld die ten laste van de aanvrager zijn gekomen

Ter zake wijst verweerder op de volgende elementen :

- in haar schrijven van 24 april 1997 gericht aan het C.K.B.B. vermeldde Coopers & Lybrand dat eiseres onder 5) geïmmatriculeerd is als Nederlandse BTW-belastingplichtige onder het nr. NL … en dat haar maatschappelijke zetel gevestigd is op het adres …, … in …Nederland;

- op 2 maart 1998 werden de uitgaande facturen van eiseres onder 5) met verwijzing naar de aangiften ten uitvoer aan het C.K.B.B. overgemaakt :

- in haar schrijven van 23 juli 1998 bezorgde PricewaterhouseCoopers het C.K.B.B. een verklaring van belastingplichtige met betrekking tot eiseres onder 5), verklaring afgeleverd door de Nederlandse administratie. Uit dit attest bleek een ander adres en een ander BTW-nummer. Uitleg hieromtrent werd door het C.K.B.B. gevraagd aan PricewaterhouseCoopers op 4 augustus 1998;

- in haar schrijven van 12 augustus 1998 deelde PricewaterbouseCoopers het C.K.B.B. mee dat het eerder meegedeelde BTW-numrner werd vrvangen door het nummer NL ….

Bijgevolg meent de rechtbank dat de aanvraag van eiseres onder 5) pas correct en volledig was op 12 augustus 1998, zodat voormelde termijn van zes maanden pas is beginnen te lopen op 12 augustus 1998.

Derhalve dienen moratoriuminteresten te worden toegekend aan eiseres onder 5) met ingang van 12 februari 1999 tot de datum van de terugbetaling (30 juni 1999).

3.2. Met betrekking tot de administratieve geldboeten

Eiseressen menen dat tevens moratoriuminteresten zijn verschuldigd met betrekking tot het reeds terugbetaalde gedeelte van de administratieve geldboeten, met name :

- aan eiseres onder over een bedrag van … euro (… BEF) vanaf 10 november 1998 tot 21 april 2000;

- aan eiseres onder 2) over een bedrag van … euro (… BEF) vanaf 10 november 1998 tot 21 april 2000;

- aan eiseres onder 3) over een bedrag van … euro (… BEF) vanaf 10 november 1998 tot 21 april 2000.

De rechtbank stelt vast dat de boeten ingevolge verzoekschrift van 10 november 1998 met de helft werden verminderd en dat eiseressen onder 1), 2) en 3) moratoire interesten op het bedrag van het terugbetaalde gedeelte van de boeten vorderen te rekenen vanaf 10 november 1998 tot 21 april 2000, zijnde de datum van terugbetaling van de verminderde bedragen.

Om de hiervoor onder 3.1. uiteengezette redenen meent de rechtbank dat het verzoekschrift van 10 november 1998 als een geldige ingebrekestelling dient te worden beschouwd.

Bij toepassing van het reeds geciteerde art. 91, § 3 W.BTW dienen de moratoire interesten te worden toegekend vanaf het verstrijken van een termijn van zes maanden, d w z. met ingang van 10 mei 1999 tot de datum van terugbetaling.

4) Wat de vordering tot schadevergoeding betreft

Eiseressen vorderen een schadevergoeding wegens de foutieve houding van de BTW-administratie bij de behandeling van hun dossier. Vooreerst weigerde de administratie ten onrechte om de regularisatie, die was voorgesteld door hun gevolmachtigde, te aanzien als een spontane regularisatie. Vervolgens maakte de administratie misbruik van de dreigende verjaring van het recht op aftrek om hen onder druk te zetten om een akkoord af te sluiten waarin ten onrechte boeten werden opgelegd. Tenslotte heeft de administratie dit akkoord onbehoorlijk uitgevoerd door laattijdig een BTW-tegoed van ongeveer … euro (… BEF) terug te betalen, daar waar zij zelf tijdig en correct het bedrag van de door hen verschuldigde BTW hadden betaald.

Door zo te handelen, heeft verweerder, naar het oordeel van eiseressen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, en tevens haar aansprakelijkheid in het gedrang gebracht.

Dit foutieve optreden van de BTW-administratie veroorzaakte, volgens eiseressen, bijkomende prestaties vanwege hun fiscale adviseurs en advocaten. De totale kostprijs van deze prestaties zal later nog worden bepaald, nu er nog steeds prestaties worden verricht, die voortvloeien uit deze problematiek (op het ogenblik van de dagvaarding werden deze kosten voorlopig geraamd op … euro) Eiseressen menen gerechtigd te zijn deze kosten te verhalen op de Belgische Staat, aangezien deze aansprakelijk is op basis van de artikelen 1382 en 1383 B.W. voor fouten of onzorgvuldigheden begaan door de federale overheidsambtenaren, in casu de ambtenaren van de BTW-administratie in de uitoefening van hun wettelijke bevoegdheden.

Terecht merkt verweerder evenwel op dat eiseressen zelf aan de basis liggen van de moeilijkheden, die zich hebben voorgedaan. Zo hadden eiseressen onder 1), 2) en 3) zich voorafgaandelijk aan het stellen van handelingen in België bij de Belgische BTW-administratie als Belgische BTW-belastingplichtigen dienen te laten immatriculeren. In de hoedanigheid hadden zij BTW-aangiften bij de Belgische BTW-administratie dienen in te dienen, waarin zij de verschuldigde BTW op hun uitgaande handelingen hadden moeten opnemen en de hun aangerekende BTW in aftrek hadden kunnen brengen.

Indien eiseressen de wettelijke bepalingen ter zake hadden nageleefd, was er van enige regularisatie in de verschillende fasen geen sprake geweest.

Het feit dat eiseressen naderhand beroep hebben moeten doen op fiscale adviseurs kan op generlei wijze verweerder ten kwade worden geduid, maar is te wijten aan hun eigen onzorgvuldigheid.

Bovendien wijst verweerder er terecht op dat eiseressen met de administratie akkoorden hebben afgesloten en dat zij thans niet aantonen dat deze akkoorden zouden tot stand zijn gekomen ingevolge een dwaling in rechte of in feite.

De rechtbank meent dan ook dat er geen enkele reden voorhanden is om aan eiseressen enige schadevergoeding toe te kennen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig.

Verklaart zich met betrekking tot de vordering van de NV C. en M. K. onbevoegd. Verzendt deze dienvolgens naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

Verklaart de vordering van de BV D. E., de BV D. C., de BV L’ C. en M. H. en de NV L’ C. en M. H. K. ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Veroordeelt de Belgische Staat tot het betalen van moratoire interesten aan NV L’ C. en M. H. K. over het bedrag van … euro (… BEF) voor de periode van 12 februari 1999 tot 30 juni 1999.

Veroordeelt de Belgische Staat tevens tot betaling van moratoriuminteresten :

- aan de BV L.' C. en M. H. over het bedrag van … euro (… BEF) voor de periode van 10 mei 1999 tot 21 april 2000;

- aan de BV. D. C. over het bedrag van … euro (… BEF) voor de periode van 10 mei 1999 tot 21 april 2000;

- aan de BV D. E. over het bedrag van … euro (… BEF) voor de periode van 10 mei 1999 tot 21 april 2000.

Wijst het meergevorderde af.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met dien verstande dat de wederzijds gevorderde rechtsplegingsvergoedingen worden omgeslagen.

De kosten van het geding worden begroot in hoofde van eisers sub 1.2,3 en 5 elk op 1/5 der dagvaardingskosten (dagvaardingskosten = … euro in totaal) en de rechtsplegingsvergoeding van … euro en in hoofde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding van … euro.

Houdt de kosten wat de vordering van eiseres sub 4 betreft aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 21 juni 2002.

Waar aanwezig waren en zitting namen ;

de heer V., alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw V., griffier

V. V.

Textes cités

4
AR no 3 art. 42 occurrences
AR no 41 art. 32 occurrences
AR no 4 art. 142 occurrences
8e directive 79/1072 art. 71 occurrence