Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 18 novembre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2008-11-18-14d4

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
18 novembre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

63 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 18.11.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 07/3335/A Rep. nr. 2008/15819

de heer D'H. B., handelaar, (Ondernemingsnr. …), wonende te …, …,

eiser,

voor wie optreedt Meester W. D., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Gewestelijk Directeur der BTW te Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE, Katelijnestraat 7,

verweerder,

voor wie is opgetreden Meester F. H. (balie Brugge) loco Meester F. W.,·advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift de dato 6 november 2007.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 21 oktober 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge zijn activiteit van het invriezen en opslaan van voedingswaren. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 7 september 2004 werd door ambtenaren van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1.01.2001 tot 31.12.2002.

Op 22.11.2004 werd een correctieopgave over het jaar 2001 ondertekend voor een bedrag aan BTW van 69.854,31 EUR en een boete van 6.980,00 EUR, meer de interesten vanaf 21 december 2004.

Op 20.09.2005 werd een correctieopgave over het jaar 2002 ondertekend voor een bedrag aan BTW van 184.806,60 EUR en een boete van 18.480,00 EUR, meer de interesten vanaf 21 januari 2003.

Op 9.11.2005 en 1.06.2006 worden verzoekschriften ingediend waarin onder meer de kwijtschelding van voormelde nalatigheidsinteresten wordt gevraagd.

Op 21 juni 2006 beslist de gewestelijke directeur om geen kwijtschelding van interesten toe te staan.

Op 29 augustus 2006 werd door ambtenaren van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1.01.2003 tot 31.12.2003.

Op 22.11.2006 werd een correctieopgave over het jaar 2003 ondertekend voor een bedrag aan BTW van 73.575,09 EUR en een boete van 7.350,00 EUR, meer de interesten vanaf 21 januari 2005.

Op 2 juli 2007 wordt opnieuw een verzoekschrift ingediend waarin onder meer de kwijtschelding van voormelde nalatigheidsinteresten wordt gevraagd.

Bij beslissing van 7 augustus 2007 weigert de gewestelijke directeur van de BTW-directie te Brugge de vrijstelling van interesten te verlenen.

Bij verzoekschrift van 6 november 2007 tekent eiser verhaal aan tegen de administratieve beslissingen van 21 juni 2006 en 7 augustus 2007.

2.2. Eiser vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond worden verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de bestreden beslissingen nietig zijn en dat hij dienvolgens recht heeft op de kwijtschelding van de interesten vanaf de aanvraag, minstens op de omkering van de aanrekeningregels. In ondergeschikte orde wordt gevraagd dat er een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in zijn hoofde begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding ad. 1.200,00 EUR. In ondergeschikte orde vraagt eiser dat de door verweerder gevraagde rechtsplegingsvergoeding zou herleid worden tot het minimumbedrag van 75,00 EUR dan wel 1.000,00 EUR.

2.3. Verweerder vordert dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding (zijnde 5.000,00 EUR).

III. BEOORDELING

3.1. nopens de bevoegdheid

Er kan geen discussie bestaan over het feit dat de fiscale rechter bevoegd is om kennis te nemen van een betwisting i.v.m. een beslissing van de gewestelijke directeur aangaande de (al dan niet) kwijtschelding van nalatigheidsinteresten.

Artikel 569, eerste lid, 32° Ger.W. bepaalt dat de fiscale rechter bevoegd is om kennis te riemen over 'alle geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet'. In de memorie van toelichting bij de wet van 23 maart 1999 worden betwistingen aangaande de vrijstelling van nalatigheidinteresten bovendien uitdrukkelijk als voorbeeld aangehaald van een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet (Par, St. Kamer 1997-98, nrs. 1341/1-1342/1).

3.2. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.3. nopens de grond

3.3.1. Welk is de omvang van de rechtsmacht van de fiscale rechter ? Heeft hij volheid van bevoegdheid wanneer een geschil over het al dan niet verlenen van een vrijstelling van nalatigheidinteresten bij hem aanhangig wordt gemaakt of zijn er perken aan zijn rechtsmacht ?

Vrij recent sprak het Hof van Beroep te Gent zich uit over de kwestie van de nalatigheidsinteresten (Gent 12 september 2006, T.F.R., nr. 315, 109 met noot J. Speecke). Het Hof besliste dat er geen subjectief recht om vrijstelling van nalatigheidsinteresten te bekomen bestaat maar dat de mogelijkheid om kwijtschelding van nalatigheidsinteresten te bekomen integendeel een gunstmaatregel is die enkel door de gewestelijke directeur kan worden verleend. De bevoegdheid van de fiscale rechter, nog steeds aldus het Hof, omvat enkel een wettigheidstoezicht in die zin dat de fiscale rechter moet nagaan of de motiveringsplicht werd nageleefd door de gewestelijke directeur maar laat geenszins toe dat het Hof of de rechtbank zich in de plaats van de directeur zouden stellen.

De rechtbank kan zich aansluiten bij deze visie.

3.3.2. In de aangevochten beslissing van 21 juni 2006 vermeldt de gewestelijke directeur het volgende : "In uw verzoekschrift haalt U aan dat een belastingplichtige in een moeilijke situatie kan verkeren die aan een oorzaak buiten zijn wil is te wijten. Het betreft hier wel een zaak waarbij betrokkene toegeeft dat hij fictieve BTW-aftrek heeft genoten. In uw verzoekschrift haalt u geen bijzondere omstandigheden aan (zoals beoogd in art. 84bis W.BTW) die een eventuele (gedeeltelijke) vrijstelling van de aangerekende verwijlsinteresten verantwoorden behalve de kennelijk financiële onmogelijkheid om de schuld snel terug te betalen. Maar om humanitaire redenen en om belastingplichtige toch enig uitzicht op aflossing van zijn schuld te bieden heb ik op grond van artikel 84bis W.BTW beslist om de wettelijk voorziene toerekeningsvolgorde van de betalingen te wijzigen zodat elke betaling vanaf 20 juli 2006 eerst op de verschuldigde BTW wordt toegerekend zodat de intereststijging in de toekomst beperkt wordt".

In casu blijkt dat de gewestelijke directeur de door eiser aangehaald bijzondere omstandigheden, zijnde de moeilijke financiële situatie waardoor hij niet snel de schulden kan afbetalen, op afdoende wijze heeft weerlegd. De gewestelijke directeur heeft immers de juridische "en feitelijke" overwegingen vermeld die zij weigeringsbeslissing schragen.

In de aangevochten beslissing van 7 augustus 2007 staat het volgende te lezen : "In het verzoekschrift van uw raadsman wordt verwezen naar artikel 84bis van het BTW-wetboek, deze impliceert dat van de vordering van de interesten in principe kan worden afgeweken wanneer de belastingplichtige in een moeilijke financiële situatie verkeert die aan een oorzaak buiten zijn wil is te wijten. Mag ik U erop wijzen dat een controle die aanving d.d. 7 september 2004 over het jaar 2002 identieke inbreuken aan het licht bracht. U gaf zelf toe dat u fictieve BTW-aftrek heeft genoten. Hier kan nog onmogelijk sprake zijn van een oorzaak die buiten uw wil te wijten is. Bovendien is hier sprake van recidivisme : naar aanleiding van voormelde controle over het jaar 2002 had u een spontane rechtzetting kunnen verrichten over het jaar 2003. Opnieuw dienden deze inbreuken door de administratie rechtgezet te worden. Omwille van voormelde redenen kan eveneens de omkering van de aanrekeningsregels op grond van artikel 19 van het KB nr. 24 van 29 december 1992 ter uitvoering van de artikelen 52, 53, 53ter, 530cties, 54, 58, 70 en 91 van het BTW-wetboek niet toegestaan worden.

Ook deze beslissing is volgens de rechtbank afdoende gemotiveerd. De gewestelijke directeur heeft geantwoord op de door eiser aangehaalde bijzondere omstandigheden, zijnde het feit dat hij ter goeder trouw was en dat het niet evident was om de BTW-schuld ineens te vereffenen.

De door de gewestelijke directeur genomen beslissingen van 21 juni 2006 en 7 augustus 2007 berusten op exacte, pertinente en in rechte toelaatbare motieven die niet manifest onredelijk zijn.

3.3.3. De rechtbank kan verder niet akkoord gaan met eiser wanneer hij stelt dat er een ongelijke behandeling is aangezien belastingschuldigen inzake directe belastingen altijd, ongeacht of ze al dan niet beroepshalve nog actief zijn, kunnen genieten van een onbeperkt uitstel van invordering. Het is normaal dat de voorwaarde, inzake stopzetting van de belastbare activiteit, niet wordt gesteld voor de directe belastingen en wel inzake BTW. Inzake directe belastingen is iedereen immers gans zijn leven belastingplichtige, ook indien hij geen economische activiteit uitoefent. Inzake directe belastingen bestaat er dus in principe geen stopzetting, alleen in geval van overlijden.

Alle verdere argumentatie is niet langer dienend. De vordering dient als ongegrond te worden afgewezen.

3.4. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. Aangezien de waarde van de zaak is gelegen in de schijf van 60.000,01 EUR tot 100.000,00 EUR, wordt de rechtsplegingsvergoeding op 3.000,00 EUR (basisbedrag) vastgesteld.

Met betrekking tot de financiële draagkracht van eiser stelt de rechtbank vast dat uit het doorgevoerde vermogensonderzoek blijkt dat op naam van eiser 3 voertuigen waren ingeschreven nl. een chereau oplegger van het jaar 2001, een BMW 320 Cl van het jaar 2001 en een tweede BMW 530i van het jaar 2003. Verder heeft dit onderzoek aangetoond dat hij eigenaar was van een aantal onroerende goederen (huis, tuin, koelinrichting) en dat zijn aangifte inzake directe belastingen een netto-belastbaar inkomen vertoond van 98.518,99 EUR. Daarenboven werd de activiteit verdergezet, waardoor ook hieruit verder inkomsten werden verworven. Er is dan ook geen wettige reden om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verminderen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 3.000,00 EUR rechtplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag achttien november tweeduizend en acht.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. N. H.

Textes cités

2
AR no 24 art. 191 occurrence
CTVA art. 84bis1 occurrence

Décisions similaires

8