Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 07.02.2005
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 99/1914/A Rep.nr.2005/1785
de BVBA D. B., (HR. Brugge nr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester P. S., advocaat met kantoor te …, …,
TEGEN
De F.O.D. FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van de BTW Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie is opgetreden Meester I. G., advocaat te Brugge, loco Meester J. V. D. P., advocaat met kantoor te …, …,
EN
In de zaak 01/1437/A
de BVBA D. B., (H.R. Brugge nr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester P. S., advocaat met kantoor te …, …,
TEGEN
De F.0.D. FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van de BTW Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie is opgetreden Meester I. G., advocaat te …, loco Meester J. V. D. P., advocaat met kantoor te …,
EN
In de zaak 02/2418/A
de BVBA D. B., (H.R. Brugge nr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester P. S., advocaat met kantoor te …, …,
TEGEN
De F.0.D. FINANCIEN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van de BTW Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie is opgetreden Meester I. G., advocaat te …, loco Meester J. V. D. P., advocaat met kantoor te …,
I. RECHTSPLEGING
1.1. In de zaak met rolnummer 99/1914/A
Gelet op het inleidend verzoekschrift houdende verzet de dato 12 juli 1999.
Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 27.02.2001, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 10 januari 2005.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
1.2. In de zaak met rolnummer 01/1437/A
Gelet op het proces-verbaal van vrijwillige verschijning de dato 14 mei 2001.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 10 januari 2005.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
1.3. In de zaak met rolnummer 02/2418/A
Gelet op de dagvaarding houdende verzet de dato 8 juli 2002.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 10 januari 2005.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer …, ingevolge haar geregelde activiteit van kleinhandel in textielwaren. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
2.2. Op 9 juli 1998 werd door H. L., eerstaanwezend inspecteur diensthoofd bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 1994 tot 31 december 1996.
Op 16 maart 1999 werd door voornoemde een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 26 maart 1999 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ontvanger van de BTW, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 29 maart 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door A. T. ea. Inspecteur ai. daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 13 april 1999 door de heer ontvanger bij deurwaardersexploot, op grond van artikel 85, § 3 W.BTW, betekend aan eiseres.
Met een tegensprekelijk verzoekschrift de dato 12 juli 1999 en een proces-verbaal van vrijwillige verschijning de dato 14 mei 2001 stelt eiseres haar vordering in (zaak gekend onder AR nrs. 99/1914/A en 01/1437/A).
2.3. Op 24 april 2001 werd door F. D., verificateur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1999.
Op 19 oktober 2001 werd door voornoemde een proces-verbaal opgesteld met de door eiseres begane overtredingen en de verschuldigde rechten en boeten.
Eiseres heeft die verschuldigde sommen op 29 oktober 2001 onder alle voorbehoud betaald.
Via het vak 62 van de aangifte m.b.t. de handelingen van de maand januari 2002 werden de betaalde sommen teruggevorderd.
Bij schrijven van 20 februari 2002 werd aan eiseres medegedeeld dat niet akkoord kon gegaan worden met de opgenomen terugvordering ten bedrage van … EUR.
Bij dagvaarding de dato 8 juli 2002 stelt eiseres haar vordering in (zaak gekend onder AR nr. 02/2418/A).
2.4. Eiseres vraagt dat de zaken met rolnummers 99/1914/A, 01/1437/A en 02/2418/A worden samengevoegd, dat de vorderingen ontvankelijk en gegrond worden verklaard en dat verweerder dienvolgens wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiseres van de door haar vereffende sommen en kosten ingevolge het op 26 maart 1999 uitgevaardigde dwangbevel en de op 29 oktober 2001 uitgevaardigde vordering met correctieopgave, en dit meer de gerechtelijke en moratoire interesten. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van … EUR en tot de kosten van het geding.
2.5. Verweerder vraagt eveneens de samenvoeging van de zaken met rolnummers 99/1914/A, 01/1437/A en 02/2418/A. Verder vordert hij dat de vorderingen ontvankelijk en ongegrond worden verklaard, mits rekening wordt gehouden met een vermindering van de vordering met … EUR aan BTW en … EUR aan proportionele geldboete ingevolge een vermindering van het omzettekort met … EUR m.b.t. het jaar 1994. Tenslotte vraagt verweerder nog dat eiseres wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in zijn hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de samenvoeging
De drie zaken betreffen gelijkaardige betwistingen met betrekking tot de bewijskracht van de boekhouding van eiseres.
Aangezien de drie zaken onderling zo nauw verbonden zijn, is het wenselijk om de zaken samen te behandelen en te berechten om oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn.
Op vraag van beide partijen kunnen de drie zaken dan ook worden samengevoegd.
3.2. nopens de ontvankelijkheid
3.2.1. van de zaak met rolnummer 99/1914/A
3.2.1.1. De rechtbank stelt vast dat huidige vordering tegen de belastingadministratie werd ingesteld bij tegensprekelijk verzoekschrift de dato 12 juli 1999.
3.2.1.2. Het artikel 89, 2° lid W.BTW, in voege voor de wetten van 15 en 23 maart 1999 m.b.t. de beslechting en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij een door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.
3.2.1.3. Artikel 59 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat artikel 89, 2° lid W.BTW wordt vervangen door de volgende bepaling : "de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte".
Met betrekking tot de inwerkingtreding van de procedureregels stelt artikel 97 derde lid van voormelde wet van 15 maart 1999 dat voormeld artikel 59 van toepassing is op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.
3.2.1.4. De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (in werking getreden op 6 april 1999) stelt in artikel 9 het volgende : "In boek IV van het vierde deel van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen 1385decies en 1385undecies ingevoegd, luidend als volgt : Hoofdstuk XXIV - geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Artikel 1385decies - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak".
In voormelde wet van 23 maart 1999 wordt de overgangsbepaling van artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 niet afgeschaft.
3.2.1.5. Het is duidelijk dat het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385decies en artikel 1385undecies van het gerechtelijk wetboek, zoals ingevoerd door de wet van 23 maart 1999) maar van toepassing is in zoverre er hierop geen uitzonderingen zijn voorzien in het bijzonder fiscaal procesrecht (Lex specialis derogat legi generali).
In casu is het duidelijk dat artikel 89, tweede lid W.BTW en de artikelen 59 en 97 derde lid van de wet van 15 maart 1999 uitzonderingsbepalingen vormen op het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (art. 1385decies en undecies van het gerechtelijk wetboek).
3.2.1.6. Gelet op het voorgaande dient te worden besloten dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het fiscaal geding wordt ingeleid (verzoekschrift in plaats van dagvaarding) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan.
De twaalfde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent kwam in haar vonnis de dato 9 november 2000 in de zaak C. CORMIER vs. BELGISCHE STAAT tot dezelfde conclusie.
3.2.1.7. Uit de door partijen voorgelegde stukken blijkt dat de oorzaak van opeisbaarheid van de hier betwiste sommen zich heeft voorgedaan voor 1 januari 1999, zodat het verzet ten onrechte werd ingeleid bij verzoekschrift. De wet (cf. supra) voorziet in onderhavig geval dat de gedinginleiding dient te geschieden bij dagvaarding.
Aangezien voormelde regels met betrekking tot de rechtsingang ressorteren onder de rechterlijke organisatie houdt de miskenning ervan zonder meer de onontvankelijkheid van de vordering in (Cass. 27 mei 1994, RW 1994-1995, p. 1017).
3.2.2. van de zaken met rolnummers 01/1437/A en 02/2418/A
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, zijn de vorderingen ontvankelijk.
3.3. nopens de grond
3.3.1. nopens de bewijskracht van de boekhouding
3.3.1.1. Eiseres is van oordeel dat haar boekhouding geen enkele onregelmatigheid vertoont, een samenhangend en nauwkeurig geheel vormt en derhalve perfect controleerbaar is.
3.3.1.2. Verweerder stelt daarentegen dat eisers boekhouding niet regelmatig en niet controleerbaar is en derhalve ook niet bewijskrachtig. De elementen waarop verweerder zich steunt worden vermeld in de processen-verbaal van 16 maart 1999 en van 19 oktober 2001.
3.3.1.3. Artikel 14, § 1 van het KB. nr. 1 van 29 december 1992 bepaalt het volgende : "De belastingplichtigen moeten een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen toepassen en controleren. Artikel 15, § 2 van datzelfde KB stelt dat de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard.
Voor iedere boeking in de boekhouding moet derhalve een verantwoordingsstuk bestaan. De wetgever laat de belastingplichtige echter vrij in het bepalen van de vorm en soort van de verantwoordingsstukken en laat haar zelf bepalen hoe zij de stukken aan haar beroepsactiviteit zal aanpassen.
Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 19 april 1990 gesteld dat het Hof van Beroep op rechtsgeldige wijze heeft kunnen besluiten dat de boekhouding van een belastingplichtige kapper niet bewijskrachtig was omdat de individuele fiches die op naam van elke cliënt werden gehouden, vernietigd werden naargelang hun inschrijvingen in het ontvangstenboek en omdat het kasboek, dat het enig boekhoudkundig document uitmaakte, slechts het globale bedrag van de dagelijkse ontvangst vermeldde, zonder dat het minste bewijskrachtige gegeven aanwezig was m.b.t. de aard en de belangrijkheid van de geleverde dienst.
De boekhouding moet derhalve een geheel vormen van samenhangende, nauwkeurige en controleerbare gegevens. De boekhouding die niet de nodige verantwoordingsstukken bevat om een precieze, objectieve en controleerbare boekhouding te zijn (die verweerder toelaat om de binnenkomende en uitgaande goederen te vergelijken en de aard en de belangrijkheid van de verkochte goederen en diensten vast te stellen), heeft zodoende ook geen enkele bewijskracht.
Met betrekking tot kortingen is het eiseres die het bestaan en de omvang van de kortingen moet bewijzen. Aangezien de toegestane kortingen de winstmarges en de omzet van de belastingplichtige en daarmee de verschuldigde BTW aanzienlijk kunnen beïnvloeden, is het zeer belangrijk dat de controlerende ambtenaar stukken in de boekhouding terugvindt waaruit kan afgeleid worden dat de kortingen effectief werden toegestaan.
Aan de hand van de voorgelegde klantenkaarten kan eiseres noch het juiste bedrag, noch het effectief bestaan van de kortingen aantonen aangezien de verleende kortingen nergens afzonderlijk worden vermeld. Aangezien de datum van de diverse aankopen, opgenomen op de klantenkaarten, niet vermeld wordt, kan verweerder evenmin nagaan of deze verkopen ook werkelijk opgenomen zijn in het dagboek van ontvangsten.
Zonder enig verantwoordingsstuk bedragen aftrekken van de omzet en achteraf verklaren dat het kortingen betreft ingevolge de verkoop in de solden periode, getuigt evenmin van een bewijskrachtige boekhouding.
Verder stelt de rechtbank samen met verweerder vast dat de dagontvangsten op losse bladen werden opgeschreven en dat deze losse bladen dan worden gebruikt als stavingstukken voor de inschrijvingen in het dagontvangstenboek. Op die losse bladen worden de data en een vage omschrijving van de verkochte goederen vermeld. Deze niet genummerde lossen bladen met een vage omschrijving van de verkochte goederen en zonder vermelding van de toegestane kortingen of van de verrekening met klantenkaarten, leiden er toe dat de goederenstroom niet kan gecontroleerd worden en laten aan verweerder niet toe de omzet te controleren.
Tenslotte blijkt uit de voorgelegde stukken dat voor de verkopen van stuk ken waarvan de waarde … EUR (… Fr.) overschrijdt slechts een vage omschrijving wordt aangebracht i.p.v. de gedetailleerde vermelding die op grond van artikel 15, § 4, 3e lid KB nr. 1 vereist is.
Het is derhalve duidelijk dat de door eiseres gevoerde boekhouding verweerder niet in staat stelt om de omzet te controleren op haar juistheid en getrouwheid. Ze heeft dan ook geen enkele bewijskracht.
3.3.2. nopens de omzetberekening
Bij het niet bewijskrachtig zijn van de boekhouding mag verweerder zich baseren op de forfaitaire regeling voor kleinhandelaars in textiel om de omzet van eiseres te gaan bepalen.
De bewering van eiseres dat de hierbij toegepaste kortingspercentages te laag zouden zijn wordt niet gestaafd.
Met betrekking tot 1994 merkt eiseres wel terecht op dat er geen kortingen in rekening werden gebracht. Verweerder erkent deze misslag in zijn berekening en verminderd dan ook terecht het omzettekort met … Fr. tot … Fr. De verschuldigde BTW voor het jaar 1994 bedraagt dan ook … Fr. i.p.v. … Fr.
3.4. nopens de kosten
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten zij elk hun eigen kosten dragen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend, minstens voorlopig onverlet latend.
Voegt de drie zaken met rolnummers 99/1914/A, 01/1437/A en 02/2418/A samen.
Verklaart de vordering in de zaak met AR nr. 99/1914/A onontvankelijk.
Verklaart de vordering in de zaak met AR Nr. 02/2418/A ontvankelijk, doch ongegrond.
Verklaart de vordering in de zaak met AR nr. 01/1437/A ontvankelijk, en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
Zegt dienvolgens voor recht dat het op 26 maart 1999 uitgevaardigde dwangbevel slechts gegrond is voor wat betreft … EUR (… Fr.) BTW en … EUR (… Fr.) geldboete.
Veroordeelt dienvolgens verweerder tot terugbetaling van het eventueel teveel geïnde bedrag, vermeerderd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot op datum van volledige terugbetaling.
Wijst eiseres van het overige af.
Verwijst elk der partijen in hun eigen gerechtskosten, in welk geval die kosten door de rechtbank niet moeten begroot worden.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op zeven februari tweeduizend en vijf.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. N. A.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.