Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 21.10.2009
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op éénentwintig oktober tweeduizend en negen in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
P. W., enig rechter,
N. D., griffier.
In zake : A.R. Nr. 06/7987/A
PSM NV,
ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
EISENDE PARTIJ
- verschijnende bij meester K. H., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
VERWERENDE PARTIJ
- verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 december 2006,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 23 september 2009.
De vordering strekt ertoe te zeggen voor recht dat eiseres de sommen die gevorderd worden in het dwangbevel Reg. 127/5280, uitgevaardigd op en uitvoerbaar verklaard op 19 december 2006, niet verschuldigd is, het bestreden dwangbevel te vernietigen, minstens dit onwettig te verklaren en de uitvoering ervan te verbieden, de terugbetaling te bevelen van de ingehouden BTW-tegoeden ten bedrage van … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de data waarop deze BTW-tegoeden werden ingehouden en met de kosten van het geding.
Beoordeling
Betreffende de verlegging van de heffing bij werk in onroerende staat
Bij werk in onroerende staat moet de medecontractant van de belastingplichtige de belasting die over die handeling verschuldigd is voldoen, wanneer die medecontractant een belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van periodieke BTW-aangiften (artikel 51 §4 W.BTW en artikel 20 §1 KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW).
De belastingplichtige moet dan aan zijn medecontractant een factuur uitreiken waarop :
- hij noch het BTW-tarief noch het bedrag van de verschuldigde belasting vermeldt;
- hij de volgende vermelding plaatst: "Belasting te voldoen door de medecontractant KB nr. 1 artikel 20;
de medecontractant is alsdan zelf gehouden tot de voldoening van de belasting.
Te dezen heeft eiseres werk in onroerende staat uitgevoerd voor de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie en hef staat ontegensprekelijk vast dat zij op de facturen voor dit werk in onroerende staat ten onrechte artikel 20 van voornoemd KB nr. 1 heeft toegepast gezien FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie weliswaar een BTW-nummer heeft, doch niet gehouden is tot het indienen van periodieke BTW-aangiften.
Eiseres, die toepassing maakte van artikel 20 van voornoemd KB nr. 1, moest niet alleen nagaan of haar medecontractant, zijnde FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, belastingplichtige was, maar moest ook nagaan of deze gehouden was tot het indienen van periodieke BTW-aangiften, hetgeen zij echter niet deed.
Eiseres is dan ook nalatig geweest door niet te hebben nagegaan of de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie gehouden was tot het indienen van periodieke BTW- aangiften en moet dan ook de gevolgen dragen van haar eigen nalatigheid.
Het loutere feit, dat de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie zijn BTW nummer zou hebben medegedeeld aan eiseres en nooit enige opmerking zou hebben gemaakt omtrent de facturen, kan bij eiseres geenszins de gewettigde verwachtingen hebben gewekt dat artikel 20 van voornoemd KB nr. 1 correct werd toegepast en dat de BTW-administratie deze onterechte toepassing zou aanvaarden·.
Bovendien kan eiseres niet voorhouden dat zij - uit het loutere feit dat de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie een BTW nummer heeft - er rechtmatig kon van uitgaan dat artikel 20 van voornoemd KB nr. 1 van toepassing was nu voor deze regeling niet enkel vereist is dat de medecontractant een belastingplichtige is, maar ook uitdrukkelijk vereist is dat deze belastingplichtige gehouden is tot het indienen van periodieke BTW-aangiften.
Er is dan ook geen sprake van dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en/of het vertrouwensbeginsel werden geschonden.
Eiseres kan zich evenmin beroepen op onoverwinnelijke dwaling nu zij heeft nagelaten na te gaan of voldaan werd aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 20 van voornoemd KB nr. 1 en het dan ook bewezen is dat zij bij het opstellen van de facturen onvoorzichtig is geweest.
Betreffende de boete
De boete is wettelijk, voldoende gemotiveerd en de rechtbank is van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.
Betreffende de rechtsplegingsvergoeding
Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft strekt de vordering ertoe
- enerzijds het bestreden dwangbevel te vernietigen, minstens dit onwettig te verklaren en de uitvoering ervan te verbieden, zodat aldus wordt gevorderd om te zeggen voor recht dat de sommen van dit dwangbevel niet verschuldigd zijn, zijnde - zoals hierna omschreven - een vordering die niet in geld waardeerbaar is;
- anderzijds de terugbetaling te bevelen van de ingehouden BTW-tegoeden ten bedrage van … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de data waarop deze BTW-tegoeden werden ingehouden, zijnde een vordering die wel in geld waardeerbaar is.
Om de waarde van de vordering te bepalen kunnen er immers drie mogelijkheden zich voordoen, namelijk :
- eis is in geld uitgedrukt (artikelen 557 tot 562 Ger.W.);
- eis is niet in geld uitgedrukt, maar wel in geld waardeerbaar (artikel 592 Ger.W.);
- eis is zelfs niet in geld waardeerbaar.
Niettegenstaande het bestreden dwangbevel een som geld tot voorwerp heeft, wordt te dezen gevorderd om het bestreden dwangbevel te vernietigen en om te zeggen voor recht dat de sommen van dit dwangbevel niet verschuldigd zijn zodat er aldus geen som geld wordt geëist.
Bijgevolg is de vordering tot vernietiging van het bestreden dwangbevel overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. niet in geld uitgedrukt.
Artikel 2 KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger.W. bepaalt uitdrukkelijk dat voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg; hieruit volgt dat voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger.W., zijnde een eis die niet in geld is uitgedrukt maar wel in geld waardeerbaar is.
Aangezien de vordering tot vernietiging van het bestreden dwangbevel overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger.W. niet in geld is uitgedrukt en aangezien - zoals hoger vermeld - voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger.W., staat het vast dat deze vordering voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betrekking heeft op een niet in geld waardeerbare vordering.
Bijgevolg betreft de vordering tot vernietiging van het bestreden dwangbevel en tot terugbetaling van de ingehouden BTW-tegoeden ten bedrage van … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de data waarop deze BTW-tegoeden werden ingehouden, een gemengde vordering (enerzijds niet in geld waardeerbaar en anderzijds wel in geld waardeerbaar).
Voor deze gemengde vordering dienen de tarieven van de hoogste rechtsplegingsvergoeding te worden toegepast, zijnde te dezen de tarieven van de niet in geld waardeerbare vordering waarvoor het basisbedrag … EUR bedraagt, het minimumbedrag … EUR en het maximumbedrag … EUR.
Geen van de partijen heeft verzocht het basisbedrag te verminderen of te verhogen zodat de rechtbank dit basisbedrag van … EUR moet toekennen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
N. D. P. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.