Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 24.09.2003
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, - Aanvullende kamer 1 S, (wet van 9 juli 1997),
na beraad spreekt het volgend arrest uit :
A.R. Nr. 1996/AR/2195
IN ZAKE VAN :
S. H. S. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het H.R. te Leuven onder nr. …,
appellante,
vertegenwoordigd door Meester T., loco Meester H. V., advocaat, kantoor houdende te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van de Ontvanger van het BTWOntvangkantoor te Leuven, met kantoren te 3001 Leuven, Philipssite SA bus 2,
vertegenwoordigd door Meester N. D., advocaat, kantoor houdende te …, …,
geïntimeerde,
Gelet op de procedurestukken, inzonderheid :
• het bestreden vonnis dat op 21/6/1996 werd uitgesproken door de 5e Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven (A.R. nr. 58807), waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd en waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift dat op 5/7/1996 werd neergelegd ter griffie van het Hof;
• de conclusies van appellante neergelegd ter griffie op 28/7/1997 en de vervangende conclusies van appellante neergelegd ter griffie op 26/4/1999;
• de beroepsbesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 8/11/1996;
Gehoord de advocaten in hun pleidooien ter zitting van 26/3/2003, datum waarop de zaak in beraad werd genomen.
I. OORSPRONKELIJKE VORDERING
Overwegende dat de oorspronkelijke vordering van appellante ertoe strekte het dwangbevel, uitgevaardigd te haren laste door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Leuven op 24/10/1994, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder D. op 26/1111994, te horen vernietigen en de vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren.
Overwegende dat daarenboven de terugbetaling werd gevraagd van alle bedragen die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd, verhoogd met de intresten sedert de datum van betaling.
Dat tenslotte de veroordeling werd gevraagd van geïntimeerde tot betaling van de kosten van het geding.
ll. BESTREDEN VONNIS
Overwegende dat de eerste rechter de vorderingen van appellante ontvankelijk doch ongegrond heeft verklaard.
III. STANDPUNTEN IN HOGER BEROEP
Overwegende dat appellante voor het hof de oorspronkelijke vorderingen herneemt.
Overwegende dat geïntimeerde concludeert tot bevestiging van het bestreden vonnis.
IV. M.B.T. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
Overwegende dat het hoger beroep ontvankelijk is, waarover trouwens geen betwisting bestaat.
V. DE FEITEN
Overwegende dat appellante actief is als groot- en kleinhandel in frituurbenodigdheden, bijhorende sausen, kruiden en dranken.
Overwegende dat appellante zowel aan horecazaken als aan particulieren verkoopt.
Overwegende dat op 18/4/1991, 2/5/1991, 13/6/1991 en 25/8/1991 een controle inzake BTW-wetgeving werd uitgevoerd bij appellante mb.t de periode van 1/1/1988 tot 31/12/1990.
Overwegende dat deze controle aanleiding heeft gegeven tot het opstellen van een proces-verbaal van 23/9/1992 en aanvullend proces-verbaal van 12/4/1994.
Overwegende dat in de processen-verbaal en bijlagen het volgende wordt gesteld :
o Dat de zaakvoerder van appellante diverse toelichtingen heeft verstrekt over de werkwijze bij de bestelling en levering aan de klanten (zie bijlage 2 aan bewijsstuk nr. 1 geïntimeerde).
o Dat de bestelbons/magazijnnota's en de dubbels der oude boekjes niet zijn bewaard.
o Dat de beroepslokalen ook tijdens een vorige controle bezocht werden en dat de beschrijving van deze lokalen werd weergegeven in een proces-verbaal van vaststelling opgemaakt op 2/5/1991 door A. D. en F. D. K., beiden ambtenaren van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de 2° BBI te Leuven (bijlage 1 aan bewijsstuk nr. 1 geïntimeerde).
Overwegende dat naar aanleiding van deze vaststellingen de lastens appellante weerhouden overtredingen werden geacteerd in het proces-verbaal van 23/9/1993 (bewijsstuk nr. 1 geïntimeerde) waarbij onmiddellijk de gevorderde boeten werden gepreciseerd :
1. Het niet uitreiken van facturen wordt beboet overeenkomstig artikel 70, § 2 BTW-wetboek.
2. Wegens het niet bewaren van stukken, zijnde bestelbons, magazijnnota's en leveringsnota's, bestellijsten en kasstroken wordt een boete opgelegd overeenkomstig artikel 60 BTW-wetboek.
Overwegende dat ter vrijwaring van de rechten van de schatkist op 26/12/1994 aan appellante een dwangbevel werd betekend ter invordering van volgende sommen :
o Geldboete ingevolge artikel 70, § 2 BTW-wetboek : … Fr. (€ …).
o Geldboete ingevolge artikelen 60 en 70, § 4 BTW-wetboek : … Fr. (€ …).
o lntresten en kosten : p.m.
Overwegende dat blijkt dat partijen daarna onderhandelingen hebben gevoerd, waarbij de gewestelijke directeur van de BBI te Antwerpen bij beslissing van 12/9/1994 de boete had verminderd tot … Fr. (€ …) mits naleving van de erin vermelde voorwaarden (zie bewijsstuk nr. 3 dossier geïntimeerde).
Overwegende dat de genomen beslissing tot vermindering van de oorspronkelijke boete nooit wordt gerealiseerd, waar de raadsman van appellante bij schrijven van 11/10/1994 heeft gemeld dat dit voorstel nooit zou kunnen worden gehonoreerd (bewijsstuk nr. 3 geïntimeerde).
Overwegende dat appellante alsdan verzet heeft aangetekend tegen het c:lwangbevel d.d. 24/10/1994, betekend op 26/12/1994 en dit bij akte van verzet met dagvaarding d.d. 10/4/1995.
Overwegende dat de eerste rechter de vordering van appellante als ongegrond heeft afgewezen.
Vl. M.B.T. DE GROND VAN DE ZAAK
Overwegende dat appellante in conclusies argumenteert dat de boete krachtens artikel 70, § 2 BTW-wetboek niet verschuldigd zou zijn, onwettelijk zou zijn en het evenredigheidsbeginsel zou schenden.
Overwegende dat de raadsman van appellante ter zitting stelt dat hij zich gedraagt naar de wijsheid m.b.t. het feit dat zijn cliënte zich niet zou hebben gehouden aan de factureringsplicht.
Overwegende dat het hof vaststelt dat manifest is bewezen dat appellante niet heeft voldaan aan verplichtingen zoals het uitreiken van facturen aan de medecontractanten (zij heeft er zich toe beperkt de bedragen van de nietgefactureerde leveringen wekelijks te globaliseren in één verantwoordingsstuk : de zogenaamde globale verkoopfactuur).
Overwegende dat, zoals geïntimeerde terecht stelt, op basis van artikel 8, 1° lid en 2° lid van het K. B. nr. 1 appellante geenszins ontheven was van de factureringsplicht.
Overwegende dat geïntimeerde terecht stelt dat appellante in de regel al haar handelingen moet factureren overeenkomstig artikel 50, § 1, 2e BTW-wetboek en de artikelen 1, 1e alinea, en 2 van het K.B. nr. 1 van 23/7/1969.
Overwegende dat tevens evenmin ernstig kan worden betwist dat appellante niet beschikte over een inrichting die in het bijzonder is ingericht voor de verkoop in het klein.
Overwegende dat de door haar aangeboden goederen kennelijk zijn bestemd voor handels- of beroepsgebruik (zie o.m. vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, 2e Kamer, d.d. 11/9/1989 - stuk 1 appellante).
Overwegende dat appellante subsidiair in conclusies vordert dat de opgelegde boete op grond van artikel 70, § 1 BTW-wetboek zou worden kwijtgescholden, minstens ernstig zou worden herleid.
Overwegende dat geïntimeerde stelt dat het hof geen bevoegdheid heeft wat dit punt betreft en namelijk dat de rechterlijke macht de bevoegdheid werd ontnomen om tussen te komen bij de bepaling van het bedrag van de administratieve boete. Volgens appellante zou de rechter ook niet gerechtigd zijn na te gaan of er al dan niet bedrieglijk inzicht bestaat, noch of de gepleegde inbreuk de schatkist al dan niet nadeel berokkent.
Overwegende dat tenslotte wordt gesteld dat de rechter evenmin bevoegdheid zou hebben kwijtschelding of vermindering van de fiscale boete toe te staan.
Overwegende echter dat het hof zich er niet dient toe te beperken te controleren of de administratie haar bevoegdheid redelijk en proportioneel heeft uitgevoerd, maar het zelf kan overgaan tot appreciatie ten gronde binnen de perken van de wet (zie in dit verband o.m. Arbitragehof 12 juni 2002 (98/2002)).
Overwegende dat bij bepaling van de hoegrootheid van de oplegde boete in casu moet worden benadrukt dat appellante n.a.v. controles in 1986 voor identieke feiten werd beboet en veroordeeld door de Rechtbanken.
Overwegende dat aldus blijkt en is bewezen dat er geenszins van goede trouw kan worden gesproken in hoofde van appellante.
Overwegende dat het hof dan ook meent dat de door geïntimeerde gevorderde bedragen, zoals wordt toegekend door de eerste rechter, wettelijk en correct zijn.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in rechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch integraal ongegrond.
Veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep, begroot in haren hoofde op … euro (… + …) en in hoofde van geïntimeerde op … euro.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de Kamer·1 S van het hof van beroep te Brussel op 24-09-2003
waar aanwezig waren :
De heer L. V. O., plaatsvervangend raadsheer, d.d. voorzitter,
De heer J. O., plaatsvervangend magistraat,
De heer Th. T., plaatsvervangend raadsheer,
De heer Th. G., adjunct-griffier.
Th. G. Th. T. J. O. L. V. O.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.