Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 19 juin 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-amende-tribunal-bruges-2013-06-19-a7a9

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
19 juin 2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

62 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 19.06.2013

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 10/1775/A Rep. nr. 2013/12902

de heer H. M., (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,

eiser,

voor wie is opgetreden Meester S. V. loco Meester M. M., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Gewestelijk Directeur der directe belastingen te Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt de heer D. D., adjunct fiscaal deskundige bij een fiscaal bestuur,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het gedinginleidend verzoekschrift de dato 3 juni 2010.

Gelet op het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de dato 12 oktober 2011.

Gelet op het arrest uitgesproken door het Grondwettelijk Hof de dato 10 oktober 2012.

De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier der rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen ter openbare terechtzitting de dato 22 mei 2013.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

Desaangaande verwijst de rechtbank naar de uiteenzetting gegevens in het tussenvonnis de dato 12 oktober 2011, die hier als volledig hernomen beschouwd wordt.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de toepassing van de BTW-regeling medecontractant voor werken in onroerende staat

Eiser stelt dat de administratie zich ten onrechte beroept op de bepalingen van artikel 20 van het BTW-KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde om te stellen dat in casu eiser als medecontractant van werken in onroerende staat de BTW aan de fiscus diende af te dragen en meent dat deze regeling ingaat tegen het fiscaal legaliteitsbeginsel zoals omschreven in artikel 170 Ger. W.

Volgens eiser behoort het vastleggen van de subjectieve voldoeningsplicht van de belastingschuld tot de essentie zelf van de belastingheffing en dient aldus exclusief door de wetgever geregeld te worden.

De rechtbank stelde desaangaande bij tussenvonnis de dato 12 oktober 2011 een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Bij arrest de dato 12 oktober 2012 statueert het Grondwettelijk Hof dat artikel 51, § 4 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in samenhang gelezen met artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet niet schendt.

Aldus mist de stelling van eiser, gelet op het tussengekomen voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof, dat er in casu sprake zou zijn van bevoegdheidsoverschrijding door uitvoeringsmaatregelen aan de Koning toe te vertrouwen, grondslag.

3.2. nopens de voorwaarde van artikel 20 van het BTW-KB nr. 1

Eiser voert aan dat de toestemmingsvoorwaarden van artikel 20 van het BTW-KB nr. 1 in casu niet verenigd zijn.

Volgens eiser kunnen de werkzaamheden die V. heeft uitgeoefend geen werkzaamheden betreffen in onroerende staat.

Het feit dat de hoofding van de facturen van G. V. onder zijn werkzaamheden onder andere aanleg en onderhoud van grasvelden vermelden, voldoet niet aan de op de administratie rustende bewijslast gelet op het feit dat deze facturen tevens vermelden dat de economische activiteit ook handel in diversen behelst.

Uit het administratief dossier (bijlagen gevoegd aan het proces-verbaal) blijkt dat zowel G. V. als A.W.T. & P. LTD op hun facturen dezelfde economische activiteit vermelden die zonder onderscheid, op de handel in diversen na, behoren tot de werkzaamheden die betrekking hebben op het verrichten van werk in onroerende staat.

Voor wat de toepassing van artikel 20 BTW-KB nr. 1 van 29 december 1992 is de hoedanigheid van de medecontractant en de aard van de gepresteerde diensten, namelijk het in § 2 van dit artikel bedoelde werk in onroerende staat bepalend.

Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat de handel in diversen in casu onmogelijk als een dienstprestatie kan beschouwd worden en niet te rijmen valt met de omschrijving van de facturen zelf die, zij het in algemene bewoordingen, uitsluitend betrekking hebben op diensten gezien de formulering ervan "geleverde prestaties volgens instructies" soms aangevuld met de woorden "met eigen materiaal".

Het middel mist grondslag.

3.3. nopens de opgelegde sanctionering

Eiser stelt dat de bij toepassing van artikel 70, § 1bis W.BTW opgelegde boete van 10 % nietig is wegens schending van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen en de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formule motivering van bestuurshandelingen.

Een boete van 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter.

Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen.

Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Bij arrest van 8 oktober 2001 statueert het Hof van Cassatie dat telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt waarbij van hem een belastingverhoging wordt gevorderd, dat bericht de feiten moet vermelden die de overtreding opleveren alsook de verwijzing naar de toegepaste wets- of verordeningsteksten, en het de motieven moet opgeven die gediend hebben om het bedrag van de belastingverhoging vast te stellen (Cass. 8 oktober 2001, FJF 2001, 885).

In casu werd de belastingplichtige middels het proces-verbaal de dato 2 december 2009 wat betreft de opgelegde sanctie in kennis gesteld van de aard van de overtredingen die hem ten laste worden gelegd, van de wettelijke bepalingen die aan de grondslag liggen van de kwestieuze boete, van het uitvoeringsbesluit dat de bedragen vaststelt en van het uiteindelijk vastgesteld bedrag.

In het proces-verbaal wordt desaangaande vermeld dat de proportionele fiscale geldboete wordt opgelegd wegens het ten onrechte aftrekken van de BTW.

Aldus werd, naar het oordeel van de rechtbank de belastingplichtige op grond van de motivering in staat gesteld om na te gaan wat de redenen zijn die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de sanctie.

Het middel mist grondslag.

3.4. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld en dient overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W de gerechtskosten te dragen.

Nu verweerder niet is bijgestaan door een advocaat heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in zijn hoofde onbestaande.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet terzake dienend.

Het vonnis de dato 12 oktober 2011 van deze rechtbank en kamer verder uitwerkende.

Verklaart de fiscale vordering ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 0,00 euro.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag negentien juni tweeduizend en dertien.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. A. H.

Textes cités

2
AR no 1 art. 205 occurrences
CTVA art. 511 occurrence

Décisions similaires

8