Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement de la tribunal de première instance de Bruxelles du 15.09.2025
[ Infavorable ]
TVA – Holding – Projet de construction – Infraction à l’article 45 du Code de la TVA – Frais de parrainage
Texte intégral:
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.
Corps de la décision
Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 15.09.2025
(2023/2012/A)
In de zaak van:
X., met zetel te …, met ondernemingsnummer …,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. B.V. en mr. E.V., advocaten
met kantoor te …
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, KBO 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Brussel Expertise 1, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3404,
verweerder,
voor wie optreedt de heer N.M., attaché,
(kmo.brutexpertisel.pme@minfin.fed.be).
In deze zaak, in beraad genomen op 1 september 2025,
spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:
I. PROCEDURE
De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:
•het verzoekschrift, elektronisch neergelegd op 3 juli 2023,
•de beschikking conform artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 6 oktober 2023,
•de syntheseconclusie voor eiseres, elektronisch neergelegd op 26 februari 2025,
•de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 26 juni 2025,
•de stukken van de partijen.
De raadslieden van eiseres en de heer N.M. zijn gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 1 september 2025. Vervolgens zijn de debatten gesloten en is de zaak in beraad genomen.
II. FEITEN
De X., eiseres, is sinds 1 januari 2011 geregistreerd als belastingplichtige onder het btw-identificatienummer BE …, onder meer voor de activiteiten van holdings en de ontwikkeling van residentiele en niet-residentiele bouwprojecten.
Op 1 december 2021 stelt verweerder een proces-verbaal van regularisatie op voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2019. Er wordt in het proces-verbaal overwogen dat eiseres een inbreuk heeft begaan op artikel 45 van het Btw-wetboek. De volgende vaststellingen worden gedaan:
"De factuur afkomstig van J.I. omvat de doorfacturatie van sponseringskosten. In de sponsoringsovereenkomsten staat vermeld dat er reclame diende gemaakt te worden voor J.I. via het aanbrengen van hun logo op truitjes, briefpapier, ledverlichting. Verder staat eveneens vermeld dat het logo van Mercure Hotel en Holiday Suites dient te worden aangebracht op de startpagina van de website.
Echter, nergens staat in de sponseringsovereenkomst iets vermeld over de vennootschap X.. Nergens staat vermeld dat er reclame zou gemaakt worden voor X., De belastingplichtige heeft dan ook niet kunnen aantonen dat de gedane kosten de directe verkoop beogen of worden gemaakt met het oog op de publiciteit voor welbepaalde producten zoals bepaald door het Hof van Cassatie zoals hierboven vermeld."
Er is sprake van 86.743,52 euro nagevorderde btw, een (verminderde) proportionele geldboete van 8.670,00 euro en nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2020.
Op 20 januari 2022 stuurt verweerder een innings- en invorderingsbericht met nummer 500248997053 naar eiseres.
Op 7 maart 2022 dient eiseres een bezwaar in.
Bij directoriale beslissing van 8 september 2022 verwerpt verweerder het bezwaar als onontvankelijk omdat er een probleem zou zijn met de verleende volmacht.
Op 3 juli 2023 stelt eiseres een vordering in bij deze rechtbank.
III. VORDERING
Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:
"De vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Het Proces-Verbaal van regularisatie inzake BTW opgesteld op 2 december 2021 (...) geheel te horen vernietigen dan wel van nul en generlei waarde te horen verklaren;
Het Innings- en Invorderingsbericht BTW nr. 500248997053 (...) geheel te horen vernietigen, ook wat betreft de verschuldigde nalatigheidsinteresten;
Te horen zeggen voor recht dat eiseres de middels voormeld Proces-Verbaal en Innings- en lnvorderingsbericht gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan eiseres terug te betalen, vermeerderd met de moratoriuminteresten;
In ondergeschikte orde, wanneer Uw zetel van oordeel is dat de gemaakte sponsoringkosten van 413.064,38 EUR (+ 21% BTW ten bedrage van 86.749,52 EUR) Been recht op aftrek van BTW geven cf. artikel 45, §1 W.BTW., slechts een bedrag van 21.685,88 EUR aan BTW bijkomend kan worden verworpen vermits reeds aan bedrag van 65.057,64 EUR door eiseres zelf werd verworpen.
En tot slot, de Belgische Staat te veroordelen tot betaling van alle kosten van het geding, daarin begrepen de betaalde bijdrage van 24 EUR aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsplegingsvergoeding zoals thans begroot op 7.500,00 EUR (...)."
Verweerder vraagt de vordering of te wijzen als ongegrond, en eiseres te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal van regularisatie.
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Er is geen betwisting (meer) over de ontvankelijkheid van de vordering. De rechtbank ontwaart geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid.
De partijen gaan in conclusies nog in op de problematiek van de volmacht bij het bezwaarschrift, waarbij verweerder thans aanvaardt dat "(...) het bezwaarschrift/verzoekschrift als ontvankelijk (moet worden] beschouwd". Evenwel merkt de rechtbank — voor zover als nodig — op dat artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek in beginsel niet van toepassing is op deze (btw-)zaak en, wat betreft de vordering in rechte, rekening moet worden gehouden met artikel 440, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist. De wet vereist in dit geval geen bijzondere lastgeving zodat de discussie tussen de partijen in wezen irrelevant is (geworden).
De vordering is ontvankelijk.
Ten gronde
Algemeen
Het geschil heeft betrekking op de aftrek van btw, met name btw die eiseres heeft betaald in het kader van sponsoringskosten voor 4 seizoenen van basketbalclub Oostende (20162020). Deze kosten zijn aanvankelijk (periode 2016-2019) door de basketbalclub gefactureerd aan de NV J.I. en vervolgens door deze laatste aan eiseres doorgefactureerd middels een factuur van 23 december 2019. De maatstaf van de heffing op deze factuur bedraagt 413.064,38 euro en de btw (21 %) 86.743,52 euro (totaal bedrag van 499.807,90 euro).
Artikel 45 §1 Btw-Wetboek bepaalt:
"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:
1° belaste handelingen;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° andere handelingen dan die welke zijn vrijgesteld krachtens artikel 284 van Richtlijn 2006/112/EG, verricht buiten België en waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in België zouden zijn verricht;
4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;
5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen."
Uit artikel 45, § 1 Btw-wetboek volgt onder meer dat de belastingplichtige het bewijs moet leveren dat het recht op aftrek bestaat, dat wil zeggen dat de door hem ontvangen leveringen en diensten gebruikt werden voor het verrichten van handelingen die een recht op aftrek verlenen. Als de zaak naar haar aard zowel voor economische doeleinden als voor privédoeleinden kan worden gebruikt, moeten alle exploitatieomstandigheden worden onderzocht, om uit te maken of zij werkelijk wordt gebruikt om belastbare handelingen te stellen.
Eerste middel — 'Kosten betreffen geen goederen of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit en betreffen geen kosten van onthaal'
Zoals hiervoor aangegeven heeft de discussie betrekking op een factuur van 23 december 2019 waarbij er sprake is van 86.743,52 euro btw die eiseres volgens verweerder ten onrechte in aftrek heeft gebracht (zie stuk 5 van verweerder).
Eiseres voert, na een uitgebreide uiteenzetting over het verschil tussen kosten van onthaal en publiciteitskosten, onder meer aan dat:
- zij een holdingvennootschap is met meerdere dochtervennootschappen, en zij middels het dragen van de kosten van sponsoring de merknamen/logo's van de groep (Mercure Hotel en Holiday Suites) in een positief daglicht kan stellen, verschillende samenwerkingsovereenkomsten zijn afgesloten binnen de groep, waaronder een overeenkomst tussen eiseres en J.I. op 17 december 2008,
zij vruchtgebruiker is van een aantal toeristische logies en vakantiesuites uitgebaat door haar dochterondernemingen Mercure Hotel (sinds 2013) en Holiday Suites (sinds 2021),
- uit de samenwerkingsovereenkomsten tussen J.I. en de basketbalclub
Oostende blijkt dat het gaat over het creëren van naambekendheid, waarbij de raadslieden van eiseres ter zitting aangeven dat het wel degelijk gaat over publiciteit voor Mercure Hotel en Holiday Suites — logo's en merknamen die eigendom zijn van de franchisegevers Accor en Holiday Suites -, exploitatiemerken van het vastgoed dat de groep rond eiseres verkoopt, en de publiciteit leidt tot inkomsten voor de gehele groep en eiseres hier baat bij heeft,
zij dus wel degelijk recht heeft op aftrek van de btw.
De realiteit van de handelingen waarvan sprake in de aanvankelijke facturen, de overeenkomsten en vervolgens in de doorfacturatie, met name het promoten of publiciteit maken tijdens basketbalwedstrijden, staat niet ter betwisting, zij het dat verweerder de mening is toegedaan dat de NV J.I. de werkelijke sponsor is en de publiciteit voor deze vennootschap en enkele andere merknamen (Mercure Hotel en Holiday Suites) wordt gemaakt, en dus niet voor eiseres.
Eiseres geeft in haar conclusie en ter zitting wel aan dat de betwisting in wezen enkel nog draait om een bedrag van 21.865,88 euro aangezien eiseres als gemengde belastingplichtige (ad 75 %) zelf een bedrag van 65.057,64 euro heeft verworpen in haar btw-aangifte 12/2019. Verweerder stelt in zijn conclusie dat hij op basis van de voorgelegde gegevens niet kan nagaan of een correctie is uitgevoerd op de aftrekbare btw. Ter zitting geeft verweerder aan dat inderdaad blijkt dat eiseres de door haar aangevoerde correctie heeft uitgevoerd, doch dat dit niets afdoet aan het feit dat de doorgevoerde aftrek niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 45 van het Btw-wetboek.
De factuur van 23 december 2019 betreft een zogenaamde doorfacturatie van J.I. aan eiseres van sponsoringskosten voor de basketbalclub Oostende voor de seizoenen 2016-2017, 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020. Klaarblijkelijk liggen er vier facturen ten grondslag aan deze doorfacturatie ten bedrage van (telkens) 100.000,00 euro (excl. btw) van de basketbalclub Oostende gericht aan J.I. (deze facturen worden niet voorgelegd door de partijen). Aan deze facturen liggen twee overeenkomsten ten grondslag tussen de basketbalclub en J.I. voor de seizoenen die lopen vanaf 2015 tot en met seizoen 2020-2021 (zie de stukken 6 en 7 van verweerder). De facturen zijn betaald door J.I., wat niet ter betwisting staat.
Eiseres stelt dat kosten verbonden aan de factuur van 23 december 2019 aanvankelijk ten onrechte zijn ingebracht bij de NV J.I. en derhalve einde 2019 zijn doorgefactureerd aan eiseres, reden waarom zij recht zou hebben op de aftrek van de btw verbonden aan deze factuur (zij het dat deze ondertussen verminderd is tot 21.865,88 euro, zie hierboven).
Uit de uiteenzetting van de partijen, de voorgelegde gegevens en uit publiek raadpleegbare gegevens (zie onder meer de jaarrekening van eiseres voor het boekjaar 2019, beschikbaar in de kruispuntbank van ondernemingen, en in het bijzonder de bladzijden 17-18) blijkt dat eiseres een holdingvennootschap is met grote participaties in andere (dochter)vennootschappen, waaronder de NV J.I. (participatie van 99,56 % einde 2018) en de NV Exploitatiemaatschappij Mercure Oostende (participatie van 80,01 % einde 2018). Dit wordt in wezen niet betwist door verweerder.
Daarnaast blijkt dat eiseres en J.I. in 2008 een overeenkomst hebben afgesloten om samen te werken in het kader van vastgoedprojecten (bouw van appartementen) en J.I. hiertoe een jaarlijkse vergoeding betaalt aan eiseres.
Uit de samenwerkingsovereenkomsten die de basketbalclub heeft afgesloten met J.I. blijkt voort afdoende dat het gaat over het publiciteit voeren voor de merknamen Mercure Hotel en Holiday Suites. Verweerder vertrekt wat betreft de draagwijdte van deze sponsoring van het verkeerde uitgangspunt dat de publiciteit (vooral) betrekking zou hebben op (de naam, het logo, etc... van) J.I..
Hieruit kan op voldoende wijze worden afgeleid dat eiseres en J.I. innig verweven zijn, zowel op vennootschapsrechtelijk als op contractueel vlak, en dat eiseres, zoals zij terecht stelt, een economisch belang heeft bij de sponsoring van de basketbalclub Oostende, in het bijzonder om in het licht van het groepsbelang en de overkoepelde rol die zij uitoefent de merken Mercure Hotel en Holiday Suites te promoten.
Het blijkt dan ook afdoende dat de door eiseres ontvangen diensten (publiciteit voor de merknamen Mercure en Holiday Suites) gebruikt worden voor het verrichten van handelingen die voor haar een recht op aftrek verlenen.
In tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt, is het in die omstandigheden niet vereist dat eiseres bewijzen voorlegt van de inkomsten die zij aanhaalt, zoals inkomsten uit vruchtgebruik van bepaalde onroerende goederen of dividenden die zij zou hebben ontvangen van J.I..
Het middel is in die mate gegrond.
Rekening houdend met het feit dat eiseres principieel recht heeft op de door haar aangevoerde aftrek van btw — thans verminderd tot 21.865,88 euro als gemengd belastingplichtige — worden zowel het proces-verbaal als het innings- en invorderingsbericht vernietigd, en dit voor de nagevorderde btw en de aanhorigheden (btw en intrest).
De vordering is in die mate gegrond.
V. KOSTEN
Beide partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld zodat de kosten worden omgeslagen, zoals hierna bepaald.
Het betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van art. 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt II Circ. nr. 2019/C/26 van 15/02/2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).
Dispositif
VI. BESLISSING
De rechtbank,
Rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
In eerste aanleg en op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond,
Vernietigt het innings- en invorderingsbericht met nummer … (periode 2018-2019) en het hieraan ten grondslag liggende 'proces-verbaal van regularisatie inzake btw' van 2 december 2021,
Veroordeelt verweerder tot de terugbetaling aan eiseres van alle op grond van voormeld invorderingsbericht desgevallend teveel uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van btw, boeten of intrest,
Veroordeelt elke partij tot de eigen kosten.
Deze beslissing is uitgesproken op de open bare terechtzitting van de re kamer van de
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 15 september 2025,
waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer F. V.: rechter,
Mevrouw E. A.: griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.