Gestion normale du patrimoine privé, opérations immobilières · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour de cassation 1er février 1996

Rechercher
Texte en néerlandais

Gestion normale du patrimoine privé, opérations immobilièresgestion normale du patrimoine privé - opérations immobilières

https://juriel.be/fr/jurisprudence/gestion-normale-patrimoine-prive-operations-cassation-bruxelles-1996-02-01-dcf2

Juridiction
Cour de cassation
Date
1er février 1996

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

41 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour de Cassation dd. 01.02.1996

FJF 96/63

Gestion normale du patrimoine privé

Opérations immobilières

Résumé

Lorsqu'il apparaît qu'un père et son fils ont exercé en société de fait une activité d'entreprise de construction, il ne peut être déduit du fait que le père a transféré à son fils une partie de terrains lotis par donation et qu'ensuite le fils au décès de son père a d'une autre partie du lotissement, que les plus-values réalisées sur les terrains constitueraient des plus-values du patrimoine privée non imposables comme bénéfices professionnels.

Texte intégral

Corps de la décision

1e Kamer

Voorzitter: mevrouw Baeté-Swinnen

Raadsheren: de heren Verougstraete, Forrier, Waûters, Bourgeois

O.M.: de heer Goeminne

Advocaten: mr. De Sutter, mr. Claeys Bouuaert

Partijen: M.L., vennote, R.A., vennoot, tegen de Belgische Staat

HET HOF,

Gehoord het verslag van raadsheer Forrier en op de conclusie van advocaatgeneraal Goeminne;

Gelet op het bestreden arrest, op 22 april 1993 gewezen door het Hof van Beroep te Gent;

Gelet op het verzoekschrift tot cassatie, dat aan dit arrest is gehecht en daarvan deel uitmaakt;

Over het middel :

Wat het eerste onderdeel betreft :

Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het aanvoert dat de beslissing op een "niet-dienend feitelijk gegeven" steunt, opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechters;

Overwegende dat het onderdeel niet aangeeft hoe en waardoor de bestreden beslissing tegenstrijdig of dubbelzinnig is;

Overwegende dat een "gebrek aan interne logica" geen schending van artikel 97 (oud) van de Grondwet oplevert;

Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;

Wat het tweede onderdeel betreft :

Overwegende dat het arrest vaststelt :

1. dat "uit de stukken van het dossier blijkt dat R.L. oorspronkelijk met zijn vader een feitelijke vereniging vormde, namelijk de F.V. H., aannemers van openbare werken, en dit tot het overlijden van zijn vader (9 januari 1975); dat hij dan alleen de bedrijfsaktiviteiten van deze feitelijke vereniging heeft verdergezet";

2. dat, "na de schenking" van de verkavelde gronden te Gijzegem door zijn vader, R.L. "zelf aktief optrad"; 3. dat R.L. de twee verkavelingen te Lede na het overlijden van zijn vader heeft geërfd, samen met zijn moeder, met wie hij een feitelijke vereniging vormde, "met als bedrijfsactiviteit de verkoop van bouwgronden";

Overwegende dat de appelrechters oordelen dat "R.L. de bedrijfsactiviteiten van zijn vader heeft voortgezet en dit zowel na de schenking van 1 juli 1971 als na het overlijden van zijn vader op 9 januari 1975", zodat er "geen sprake kan zijn van een normaal beheer van een privaat vermogen; dat het feit dat de onroerende goederen werden verkregen door schenking en erfenis niet de vrijstelling van de door R.L. verwezenlijkte winsten op die gronden medebrengt gezien het geheel der verrichtingen aangevat in 1965, een beroepsmatig karakter had en dit door R.L. werd verder gezet";

Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters hun oordeel enkel baseren op de onroerende verrichtingen door de vader van R.L. en niet op de verrichtingen die hijzelf heeft gedaan; dat het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest;

Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;

Wat het derde onderdeel betreft :

Overwegende dat de appelrechters op grond van de in het antwoord op het tweede onderdeel vermelde feitelijke vaststellingen, zonder schending van artikel 67, 1o, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (1964), hebben kunnen beslissen dat de verkoop van de gronden door R.L. geen normale verrichtingen van beheer van een privé vermogen bestaande uit onroerende goederen was;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

Wat het vierde onderdeel betreft :

Overwegende dat het onderdeel opkomt tegen de feitelijke beoordeling van de appelrechters met betrekking tot het al dan niet bestaan van een feitelijke vereniging van R.L. en zijn moeder;

Overwegende voor het overige dat het onderdeel niet aangeeft op welk verweer of exceptie het arrest niet antwoordt;

Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;

Dispositif

OM DIE REDENEN,

Verwerpt de voorziening;

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Gezegde kosten begroot op de som van driehonderd negenenzestig frank door de eisers betaald.

Jurisprudence

3

Belgique

3

Cour de cassationF.06.0062.F30.11.2007

Déduction de la taxe, Location de voitures automobiles

Tribunal de première instance de Gand29.04.2008

Droit à déduction de l’impôt

Voir les 3 documents