Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 18 janvier 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, disposition pénale, amende administrativeBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-intracommunautaire-tribunal-gand-2001-01-18-7c47

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
18 janvier 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

133 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 18.01.2001

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DERDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 JANUARI 2001

94/2763/A - In de zaak :

BVBA A. N., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het H.R. te Gent onder nr. …,

eiseres,

hebbende als raadsman Mter G. V., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Indirecte Belastingen, vertegenwoordigd door de Heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, met kantoor gevestigd te 9000 Gent, Ramen 1,

verweerder,

hebbende als raadsman Mter C. D., advocaat te …, …;

EN :

95/194/A - In de zaak :

BVBA A. N., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het H.R. te Gent onder nr. …,

eiseres,

hebbende als raadsman Mter G. V., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, met kantoor gevestigd te 9000 Gent, Ramen 1,

verweerder,

hebbende als raadsman Mter C. D., advocaat te …, …;

EN :

95/1440/A - In de zaak :

NV D., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het H.R. te Gent onder nr. …,

eiseres,

hebbende als raadsman Mter G. V., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Gent 1, wiens kantoren zijn gelegen te 9000 Gent, Ramen 1,

verweerder,

hebbende als raadsman Mter C. D., advocaat te …, …, vonnist de rechtbank als volgt :

1. PROCEDURE

1.1. Partijen werden bij monde van hun raadslieden gehoord op de openbare terechtzitting van deze rechtbank en kamer van 23 september 1999, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen na schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie neergelegd ter terechtzitting van 29 juni 2000 (95/194/A), 12 oktober 2000 (95/1440/A) en 7 december 2000 (94/2763/A).

1.2. De respectieve dossiers van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder :

1.2.1. In de zaak 94/2763/A

- de gedinginleidende dagvaarding (betekend op 29 augustus 1994);

- de "eerste besluiten" (neergelegd op 9 februari 1995), de "tweede besluiten" (neergelegd op 16 juni 1997), de "tweede aanvullende conclusies" (neergelegd op 24 augustus 1998) en de "derde besluiten" (neergelegd op 6 november 1998) voor de BELGISCHE STAAT.

1.2.2. In de zaak 95/1440/A

- de gedinginleidende dagvaarding (betekend op 14 april 1994);

- de "eerste besluiten" (neergelegd op 29 augustus 1995), de "tweede besluiten" (neergelegd op 16 juni 1997), de "tweede aanvullende conclusies" (neergelegd op 22 juli 1998) en de "derde besluiten" (neergelegd op 6 november 1998) voor de BELGISCHE STAAT;

- de "besluiten" (neergelegd op 12 maart 1996) en de "aanvullende besluiten” (neergelegd op 30 april 1998) voor eiseres.

1.2.3. In de zaak 95/194/A

- de gedinginleidende dagvaarding (betekend op 6 januari 1995);

- de "conclusie" (neergelegd op 17 juli 1996), de "tweede besluiten" (neergelegd op 16 juni 1997) en de "derde besluiten" (neergelegd op 6 november 1998) voor de BELGISCHE STAAT;

- de "besluiten" (neergelegd op 14 maart 1997) voor eiseres.

1.2.4. De respectieve dossiers van partijen, neergelegd ter zitting van 23 september 1999;

1.2.5. De respectieve adviezen van het Openbaar Ministerie.

2. DE VORDERINGEN

2.1. Bij dagvaarding in de procedure 94/2763/A tekent de BVBA A. N. verzet aan tegen het dwangbevel op 8 juli 1994 uitgevaardigd door de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, te Gent en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer A. D. R., gedelegeerd adjunct-directeur van de Administratie van de belasting over de Toegevoegde Waarde, registratie en domeinen te Gent op 12 juli 1994, betekend bij exploot van 10 augustus 1994, en vordert zij meer bepaald :

"- Huidig verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- Er vervolgens te horen zeggen voor recht dat onderhavig dwangbevel nietig is, onwettelijk en ongegrond en minstens zonder uitvoering moet blijven;

- gedaagde te horen veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding; ...".

2.2. Bij dagvaarding in de procedure 95/1440/A tekent de NV D. verzet aan tegen het dwangbevel op 24 februari 1995 uitgevaardigd door de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, te Gent en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer G. V. D. H., gedelegeerd adjunct-directeur van de Administratie van de belasting over de Toegevoegde Waarde, registratie en domeinen te Gent op 28 februari 1995, betekend bij exploot van 14 maart 1995, en vordert zij meer bepaald :

"- Gedaagde dit verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;

- Gedaagde vervolgens te horen zeggen voor recht dat voormeld dwangbevel nietig is, onwettelijk en ongegrond en minstens zonder uitvoering moet blijven;

- gedaagde er zich te horen veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen de wettelijk geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ; ...”.

In besluiten vordert de NV D. de samenvoeging wegens samenhang van haar procedure met deze betreffende de BVBA A. N. evenals de overlegging van bijkomende stukken door de BELGISCHE STAAT, waarbij ondergeschikt wordt volhard in het dispositief van de dagvaarding.

2.3. Bij dagvaarding in de procedure 95/194/A tekent de BVBA A. N. verzet aan tegen het dwangbevel op 19 oktober 1994 uitgevaardigd door de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, te Gent en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer J. S., Hoofdcontroleur a.i. van de Administratie van de belasting over de Toegevoegde Waarde te Gent IV op 25 oktober 1994, betekend bij exploot van 8 november 1994, en vordert zij meer bepaald :

“- Gedaagde dit verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;

- Gedaagde vervolgens te horen zeggen voor recht dat onderhavig dwangbevel nietig is, onwettelijk en ongegrond en minstens zonder uitvoering moet blijven;

- Gedaagde er zich te horen veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen de wettelijk geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ; ...”.

In besluiten vordert de BVBA A. N. de samenvoeging wegens samenhang van haar onderhavige procedure met haar zaak gekend onder 94/2763/A en met deze betreffende de NV D..

3. BESPREKING

3.1. Voorafgaand

Gelet op hun samenhang komt het passend voor de zaken gekend onder resp. 94/2763/A, 95/1440/A en 95/194/A samen te voegen.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht op grond van de haar door partij en ter beschikking gestelde gegevens. Op de vraag van de NV D. tot het opeisen van bijkomende stukken van de Administratie van de Belgische Staat dient dan ook niet te worden ingegaan.

3.2. Ten gronde

3.2.1. De zaak gekend onder 94/2763/A

De kern van de zaak betreft de aftrek van BTW die door de Administratie wordt geweigerd voor een aantal facturen die in de loop van de jaren 1991 en 1992 werden uitgeschreven door de BVBA A. aan de BVBA A. N. (eiseres in casu).

De reden van deze weigering van de aftrek is dat onderzoek heeft uitgewezen dat de BVBA A. N. een schakel is in een frauduleuze BTW-carroussel.

Bij proces-verbaal d.d. 17 december 1993 wordt de aldus voor de bedoelde door de administratie onderzochte transacties ontdoken BTW geraamd op … BEF, tevens wordt de fiscale boete op grond van art. 70, par. 1bis van het BTW-Wetboek bepaald op … BEF en wordt bepaald dat als intresten van rechtswege verschuldigd zijn op grond van art. 91, par. 1 van het BTW-Wetboek 0,8 % per maand te rekenen vanaf 21/1/1993 over … BEF.'

Voormelde bedragen worden omgezet in een dwangbevel d.d. 8 juli 1994, uitvoerbaar verklaard op 12 juli 1994 en betekend op 10 augustus 1994, waartegen de BVBA A. N. in verzet komt bij dagvaarding d.d. 29 augustus 1994 (zie hoger : de vorderingen, meer bepaald randnummer 2.1).

Essentieel bij de beslechting van onderhavig geschil is dat de bewijslast van het bestaan van het recht op aftrek berust bij de belastingplichtige. Hij moet daarbij bewijzen dat de BTW-aftrek betrekking heeft op goederen of diensten die werkelijk werden ontvangen én die gebruikt worden voor zijn belaste activiteit. Wanneer geen twijfel bestaat over het gebruik voor beroepsdoeleinden, neemt de administratie naar eigen zeggen genoegen met de voorlegging van de regelmatig in de boekhouding opgenomen inkomende, regelmatige facturen, als bewijs van de werkelijkheid en van het bedrag van een uitgave (Fiscale documentatie VAN DEWINCKELE, XIV, 45/127, nr. 45/53.4). Een naar vorm regelmatige factuur is echter slechts een bewijselement. Zij vormt op zich geen voldoende bewijs dat de wettelijke voorwaarden voor het bestaan van het recht op aftrek vervuld zijn. Wanneer de administratie twijfels heeft over de gegrondheid van het beweerde aftrekrecht , dan kan zij de aftrek weigeren, tenzij de belastingplichtige erin slaagt aan te tonen dat de facturatie overeenstemt met werkelijke leveringen of diensten die hij gebruikt (heeft) voor het verrichten van effectief belastbare handelingen (zie ook : Gent, 24 juni 1988, BTW-revue, 1989, nr. 84, p. 39 en Fisc. Koer., 88/517) (Luk VANDENBERGHE, Aftrek en teruggaaf van BTW, Intersentia, Antwerpen, 1998, p. 350 randnr. 439).

In casu heeft de administratie vastgesteld dat de BVBA A. N. meedraaide in een BTW-carroussel.

De BVBA A. N. levert allerminst het hogervermelde noodzakelijke bewijs van effectieve leveringen die recht geven op een recht op aftrek.

De eigen verklaring van de zaakvoerder van de BVBA A. N., de heer R. D. G., in het proces-verbaal van 17 december 1993 spreekt terzake boekdelen :

“…

Op onze vraag hoe de aankoop bij de BVBA A. tot stand komt, antwoordde de heer R. D. G. ons :

“Het is steeds de heer M. E., handelend voor rekening van de BVBA A., die de eerste stap zet en met mij contact opneemt. De heer M. vertelt mij dat hij een partij goederen wenst te verkopen. Hij stuurt mij een factuur en trekt op mij een wisselbrief met een termijn van 3 maanden. Zelf zie ik de goederen niet. Voor een klant zorgen hoef ik ook niet : dit gebeurt door de heer M.. Hij zelf voert de goederen naar “mijn klant” Ingeval van uitvoer naar Luxemburg bezorgt de heer M. mij nadien de uitvoerbewijzen B. 50. Het geld van mijn klant ontvang ik ook in kontanten uit de handen van de heer M. …”.

…"

Uit voormelde verklaring, tevens samen met de andere elementen in het dossier van de administratie, blijkt ten overvloede dat de BVBA A. N. meedraaide in een BTW-carroussel en wel in een mate dat de BVBA A. N. niet kan gewag maken van "goede trouw" en/of niet kan voorhouden onwetend te zijn nopens wat er gaande was.

De door de administratie gevorderde BTW is dan ook verschuldigd.

De door de administratie gevorderde boete is zeer terecht.

De vordering van de BVBA A. N. dient dan ook te worden afgewezen.

3.2.2. De zaak gekend onder 95/1440/A

In de besluiten voor de NV D. wordt de samenhang geargumenteerd tussen onderhavige zaak en hogervermeld dossier 94/2763/A (BVBA A. N./BELGISCHE STAAT) "gelet op het feit dat huidige problematiek identiek is aan deze betreffende de zaak A. N. ...".

Nog volgens de eigen besluiten van de NV D. zijn de aandeelhouders van de NV D. nauw verwant met de aandeelhouders van de vennootschap BVBA A. N..

Uit het Proces-Verbaal d.d. 23 augustus 1994 blijkt dat de heer A. D. G. niet alleen de echtgenoot is van de bestuurster van de NV D., mevrouw N. K., maar tevens de broer van de zaakvoerder van de voormelde BVBA A. N., de heer R. D. G..

De kern van de zaak in onderhavig aspect van de betwisting betreft de aftrek van BTW die door de Administratie wordt geweigerd voor· een aantal facturen die in de loop van de jaren 1991 en 1992 werden uitgeschreven door de BVBA A. aan de NV D. (eiseres in casu).

De reden van deze weigering van de aftrek is dat onderzoek heeft uitgewezen dat de NV D. een schakel is in een frauduleuze BTW-carroussel.

Bij proces-verbaal d.d. 23 augustus 1994 wordt de aldus voor de bedoelde door de administratie onderzochte transacties ontdoken BTW geraamd op … BEF, tevens wordt de fiscale boete op grond van art. 70, par. 1bis van het BTW-Wetboek bepaald op … BEF en wordt bepaald dat als intresten van rechtswege verschuldigd zijn op grond van art. 91, par. 1 van het BTW-Wetboek 0,8 % per maand te rekenen vanaf 21/1/1993 over … BEF.

Voormelde bedragen worden omgezet in een dwangbevel d.d. 24 februari 1995, uitvoerbaar verklaard op 28 februari 1995 en betekend op 14 maart 1995, waartegen de NV D. in verzet komt bij dagvaarding d.d. 14 april 1995 (zie hoger : de vorderingen, meer bepaald randnummer 2.2).

Essentieel bij de beslechting van onderhavig geschil is dat de bewijslast van het bestaan van het recht op aftrek berust bij de belastingplichtige, zoals hoger reeds ten overvloede aangehaald.

Het weze herhaald dat de belastingplichtige daarbij moet bewijzen dat de BTW-aftrek betrekking heeft op goederen of diensten die werkelijk werden ontvangen én die gebruikt worden voor zijn belaste activiteit. Wanneer geen twijfel bestaat over het gebruik voor beroepsdoeleinden, neemt de administratie naar eigen zeggen genoegen met de voorlegging van de regelmatig in de boekhouding opgenomen inkomende, regelmatige facturen, als bewijs van de werkelijkheid en van het bedrag van een uitgave (Fiscale documentatie VANDEWINCKELE, XIV, 45/127, nr. 45/53.4). Een naar vorm regelmatige factuur is echter slechts een bewijselement. Zij vormt op zich geen voldoende bewijs dat de wettelijke voorwaarden voor het bestaan van het recht op aftrek vervuld zijn. Wanneer de administratie twijfels heeft over de gegrondheid van het beweerde aftrekrecht, dan kan zij de aftrek weigeren, tenzij de belastingplichtige erin slaagt aan te tonen dat de facturatie overeenstemt met werkelijke leveringen of diensten die hij gebruikt (heeft) voor het verrichten van effectief belastbare handelingen (zie ook : Gent, 24 juni 1988, BTW-revue, 1989, nr. 84, p. 39 en Fisc. Koer., 88/517) (Luk VANDENBERGHE, Aftrek en teruggaaf van BTW, Intersentia, Antwerpen, 1998, p. 350 randnr. 439).

In casu heeft de administratie vastgesteld dat de NV D. (zoals de BVBA A. N., het is daarom zeer pertinent dat eiseres in besluiten de samenhang van beide zaken argumenteerde omdat de problematiek naar haar eigen zeggen "identiek" is) meedraaide in een BTW-carroussel.

De BVBA A. N. levert allerminst het hogervermelde noodzakelijke bewijs van effectieve leveringen die recht geven op een recht op aftrek.

A. D. G., echtgenoot van bestuurster en klaarblijkelijk tevens woordvoerder van de NV D., verklaart in het proces-verbaal van 24 augustus 1994 dat niet hij doch wél zijn broer R. D. G. (hogervermelde zaakvoerder van de hogervermelde BVBA A. N.) "de kontakten verzorgde met de firma A." ....

In het proces-verbaal van 24 augustus 1994 herhaalt laatstgenoemde zaakvoerder van de BVBA A. N., de heer R. D. G., wat hij reeds voordien stelde in het proces-verbaal van 17 december 1993, nl. dat het steeds de heer M. E. was, handelend voor rekening van de BVBA A., die de eerste stap zette om met hem contact op te nemen. De heer M. vertelde hem alsdan dat hij een partij goederen wenste te verkopen, hij stuurde hem een factuur en trok op hem een wisselbrief met een termijn van 3 maanden. Zelf zag de heer D. G. naar eigen zeggen de goederen niet. Voor een klant zorgen hoefde hij ook niet : dit gebeurde door de heer M., welke zelf de goederen voerde naar "zijn klant". Ingeval van uitvoer naar Luxemburg bezorgde de heer M. hem nadien de uitvoerbewijzen B. 50. Het geld van de klant werd alsdan in kontanten uit de handen van de heer M. ontvangen.

Dat de vaststellingen in het proces-verbaal van 24 augustus 1994 door eiseres in casu niet ernstig kunnen in twijfel worden getrokken, meer bepaald m.b.t. de opname van de bewoordingen van de verklaring van de heer R. D. G. in dezelfde bewoordingen als in het proces-verbaal van 17 december 1993. Indien de heer R. D. G. immers inhoudelijk hetzelfde verklaart, mag de verbalisant deze verklaring op een identieke manier libelleren als hij dit de eerste maal deed : M.a.w. is het niet om de geloofwaardigheid van het tweede proces-verbaal kracht bij te zetten, dat de verbalisant de moeite moet doen om een identieke verklaring met andere woorden neer te pennen zoals eiseres klaarblijkelijk verwacht.

De geloofwaardigheid van de NV D. is ver te zoeken, zeker wanneer zij stelt te goeder trouw te zijn en zij toch niet de plicht heeft om de goede trouw van haar medecontractanten (leveranciers en afnemers) te onderzoeken alvorens te kontrakteren ... Waar dit principieel juist is, is in casu de NV D. zeer slecht geplaatst dit standpunt te poneren, nu de administratie aantoont dat de medecontractanten van de NV D., zowel leverancier als afnemers, nu juist allen "besmet" zijn met BTW-fraude :

- de Luxemburgse SARL T. L. is een Luxemburgse brievenbusvennootschap, zonder eigen bedrijfsruimte - hoe en waar kan zij aldus een lading vrachtwagenbanden in ontvangst nemen en stockeren ? het adres op het door eiseres voorgelegde B. 50 document betreft een kantoorruimte en bovendien de oude maatschappelijke zetel van kwestige vennootschap ... -, het BTW-nummer van de voornoemde SARL T. L. vermeld op het door eiseres voorgelegde B. 50-document is een BTW-nummer dat in 1988 reeds werd ingetrokken.

- de BVBA J.F.V. bestelt nog op 16 december 1991 banden bij de NV D. gewag makend van haar "vrijstelling van BTW op grond van haar vergunning als bedoeld in artikel 43 BTW-Wetboek" (volgens de tekst die gold tot 31/12/1992), terwijl deze vergunning reeds in maart 1991 werd ingetrokken, wegens vastgestelde misbruiken, waarbij de kwestige vennootschap in 1991 geen enkele BTW-aangifte indiende en in april 1992 in faling ging ....

- de SPRL G. I. – E. is tevens een vennootschap met fictieve zetel, waarvan de zaakvoerder in een BBl-onderzoek toegeeft dat hij de naam van zijn firma liet misbruiken.

De administratie weerlegt bovendien afdoende de "papieren bewijzen" die de NV D. poogt aan te halen ten bewijze van de "realiteit" van haar transacties : zoals hoger reeds aangehaald : o.m. hoe kan een lading vrachtwagenbanden gestockeerd worden in een Luxemburgse brievenbus ? ... o.m. is de aan- en verkoop van vrachtwagenbanden buiten het maatschappelijk doel van de NV D..

Uit voormelde elementen blijkt ten overvloede dat de NV D. meedraaide in een BTW-carroussel en wel in een mate dat de NV D. allerminst kan gewag maken van "goede trouw" en/of niet kan voorhouden onwetend te zijn nopens wat er gaande was.

De door de administratie gevorderde BTW is dan ook verschuldigd.

De door de administratie gevorderde boete is zeer terecht.

De vordering van de NV DELTA dient dan ook te worden afgewezen.

3.2.3. De zaak gekend onder 95/194/A

Bij dagvaarding d.d. 6 januari 1995 tekende de BVBA A. N. verzet aan tegen het dwangbevel d.d. 19 oktober 1994 uitgevaardigd door de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, te Gent en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer J. S., Hoofdcontroleur a. i. van de Administratie van de belasting over de Toegevoegde Waarde te Gent IV op 25 oktober 1994, betekend bij exploot van 8 november 1994.

3.2.3.1. Ten onrechte roept eiseres op dat dit dwangbevel formeel zou nietig zijn omdat zij kennis had van de voormelde "aanwijzing” van de heer S., Hoofdcontroleur a.i. van de administratie van de BTW te Gent IV.

Verweerster legt kwestige delegatie neer, niettegenstaande dit aan geen enkele vormvoorwaarde is onderworpen en eraan herinnerend dat dergelijke delegatie gericht is aan de functie en niet aan de persoon zodat de aanstelling van een interimaris in geen geval de rechtsgeldigheid van een door die ambtenaar genomen beslissing ontkracht (Gent, 18 oktober 1994, RW, 1995-96, p. 46-48).

3.2.3.2. Ten gronde verliest onderhavige betwisting grotendeels haar zin, door de afwijzing van de vordering van de BVBA A. N. inzake 94/2763/A.

De administratie eist volledig rechtsgeldig deze bedragen op en de inhouding en blokkering van deze bedragen bij middel van een bewarend beslag onder derden als bedoeld in art. 8, par. 1, 3° van het KB nr. 4 van 29 december 1969, is dan ook niet meer voor betwisting vatbaar.

Het dwangbevel d.d. 19 oktober 1994, dat het voorwerp uitmaakt van de procedure gekend onder 95/194/A, heeft betrekking op bedragen verschuldigde BTW, die blijken uit de door de BVBA A. N. zelf ingediende aangiften m.b.t. de maanden januari tot april 1994.

Thans is het duidelijk dat de in uitvoering van het dwangbevel, dat het voorwerp uitmaakte van de procedure 94/2763/A, reeds geblokkeerde bedragen, in geen geval kunnen dienen om de sommen te betalen die verschuldigd zijn krachtens het dwangbevel dat het voorwerp uitmaakt van onderhavige procedure (nl. het dwangbevel ingeleid bij dagvaarding d.d. 6 januari 1995, in de procedure gekend onder 95/194/A houdende verzet tegen het dwangbevel d.d. 19 oktober 1994).

Gelet op de wijze waarop de BVBA A. N. zelf betrokken was in de voormelde BTW-carroussel, moest de BVBA A. N. dit weten.

Om dezelfde reden is de boete geheven bij dwangbevel d.d. 19 oktober 1994 zeer zeker gegrond.

Het verzet van de BVBA A. N. tegen het dwangbevel d.d. 19 oktober 1994 dient dan ook te worden afgewezen.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op TEGENSPRAAK,

Gelet op de artikelen 2, 24, 34, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;

Alle andersluidende conclusies van de hand wijzend;

Voegt de zaken gekend onder respectievelijk 94/2763/A, 95/1440/A en 95/194/A samen.

Verklaart de vorderingen ontvankelijk, doch wijst ze af als niet gegrond.

Veroordeelt de eiseressen in de kosten van het geding, tot dusver begroot als volgt :

- in hoofde van de BVBA A. N. op resp. … BEF + … BEF (dagvaardingskosten) + … BEF (rechtsplegingsvergoeding );

- in hoofde van de NV D. op … BEF (dagvaardingskosten) + … BEF (rechtsplegingsvergoeding) ;

- in hoofde van de Belgische Staat op … BEF (rechtsplegingsvergoeding) .

Aldus, in tegenwoordigheid van N. V. A., eerste substituut-procureur des Konings, gewezen en uitgesproken door de derde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in openbare terechtzitting op 18 januari 2001, waar aanwezig waren :

R. T., ondervoorzitter, alleenzetelend rechter,

R. D., griffier.

R. D. R. T.

Textes cités

1
CTVA art. 431 occurrence

Décisions similaires

8