Exonération, autre exemption · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 17 novembre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, autre exemptionTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-autre-exemption-tribunal-gand-2009-11-17-b3af

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
17 novembre 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

63 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 17.11.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 NOVEMBER 2009

AR nr. 07/1334/A

In de zaak van :

BVBA K & S C., met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

eiseres,

hebbende als raad Mter F. V., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12.

DE BELGISCHE STAAT, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de BTW Registratie en Domeinen Sint-Niklaas, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2

verweerder,

hebbende als raad Mter E. V. A., advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift de dato 2 april 2007 waarbij de zaak werd ingeleid voor deze rechtbank en kamer d.d. 09 mei 2007.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 20 oktober 2009, waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … voor de activiteit van uitzend kok en verzorgen van feesten. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 8 mei 2006 werd door W. V., fiscaal deskundige bij de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit verbonden aan het Controlecentrum Sint-Niklaas, een toezicht uitgevoerd bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit voor de periode van 01.01.2003 tot 31.12.2004.

Op 5 oktober 2006 werd door voormelde ambtenaar een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 27 februari 2007 werd op basis van voormeld proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van de BTW een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 2 maart 2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur van het BTW-Controlekantoor Beveren, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW Antwerpen en op 14 maart 2007 werd voornoemd dwangbevel aan eiseres betekend.

Bij verzoekschrift van 30 maart 2007 tekende eiseres verzet aan tegen voornoemd dwangbevel.

2.2. Eiseres vraagt dat: akte verleend wordt aan haar dat zij bij huidig verzoekschrift een vordering instelt tot vernietiging van het kwestieuze dwangbevel, dat de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dat dienvolgens het bestreden dwangbevel vernietigd wordt en dat teruggave bevolen wordt van de bedragen die door eiseres ten onrechte zouden zijn betaald en/of ten onrechte lastens haar zouden zijn ingehouden meer de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf de datum der betaling of inhouding en dat verweerder verwezen wordt in de gerechtskosten.

2.3. Verweerder vraagt dat: de vordering van eiseres gedeeltelijk afgewezen wordt als ongegrond : met name het verzet tegen het dwangbevel ongegrond te verklaren in de mate dat het dwangbevel het bedrag van 3.278.58 EUR BTW en 372,86 boete niet overschrijdt en dat eiseres gedeeltelijk veroordeeld wordt tot de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid. die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Door eiseres werd in de loop van het jaar 2000 de BTW, die werd betaald voor de aankoop en voor bijkomende inrichtingswerken van een gebouw voor 50 % in aftrek gebracht wegens gebruik van dat gebouw tot beloop van 50 % voor de activiteiten als uitzend kok en het verzorgen van feesten (catering).

Verweerder stelt dat eiseres in de loop van het jaar 2004 deze activiteit heeft stopgezet en dat na het beëindigen van deze activiteit de door eiseres gedane gewijzigde activiteiten ofwel waren vrijgesteld bij toepassing van artikel 44 BTW-wetboek (onroerende verhuur, prestaties als verpleegkundige) ofwel dat de in 2000 gedane investeringen niet voor die activiteit werden gebruikt (verhuur van een voertuig, consulting). Deze prestaties verleenden, volgens verweerder, geen enkel recht op aftrek ten aanzien van de gedane investeringen.

In de door de administratie neergelegde syntheseconclusie d.d. 11 juni 2009 (stuk 13 - rechtsplegingsdossier) stelt de administratie dat het bestaan van de activiteit van verkoop van juwelen niet kan worden betwist. en dat indien ze vandaag bij eiseres op controle zou gaan een herziening zou worden verricht op grond van KB nr. 3, artikel 10, 2° en artikel 11, § 2 (i.p.v. op grond van KB 3, artikel 10, 5°) ieder jaar tot beloop van 1/15 ingevolge de wijzigingen in de factoren die aan de berekening van de aftrek ten grondslag hebben gelegen, zodat de herziening als volgt zou zijn vastgesteld : jaar 2004 : 1.639,29 EUR, jaar 2005 : 1.639,29 EUR en 10 % boete : 327,86 EUR.

Verweerder ziet af van haar vordering in de mate dat ze voormelde bedragen overschrijdt.

Eiseres stelt dat de activiteit van catering door eiseres in de loop van 2004 niet beëindigd was en dat de feitelijkheden aantonen dat aan de bestemming van het onroerend goed in 2004 of 2005 geen einde gekomen is, zodat er geen sprake kan zijn van een rechtsgeldige herziening van de BTW. Eiseres voert aan dat de motivering van het dwangbevel door de administratie gewijzigd werd met de nietigheid van het dwangbevel tot gevolg.

In casu stelt de rechtbank vast dat uit de overlegde stukken blijkt dat eiseres in 2004 nog caterings activiteiten heeft uitgeoefend en gefactureerd (stuk 7 - verweerder), dat eiseres in 2005 verschillende offertes voor catering voor potentiële klanten heeft geredigeerd (stuk 2 - eiseres) en dat zij na 2004 nog de beschikking had over al de toestellen noodzakelijk voor het vervullen van de caterings activiteit (stuk 1 - eiseres).

Het feit dat kwestieuze activiteit van eiseres in de periode 2005 lager lag dan voorheen wordt door eiseres aanneembaar verklaard door ziekte van de ouders van de zaakvoerder gepaard gaande met de nazorg, wat bevestigd wordt door het medisch attest van Dr. V. (stuk 3 - eiseres). Uit de stukken blijkt dat eiseres in het jaar 2005 naar potentiële klanten offertes heeft gezonden.

Het feit dat de offertes door eiseres werden opgesteld en aldus uitgaan van eiseres zelf ontneemt hun bewijswaarde niet. Het is immers vanzelfsprekend dat offertes naar potentiële klanten uitgaan van eiseres zelf. Verweerder toont niet aan dat de kwestieuze stukken niet waarheidsgetrouw werden geredigeerd.

Het feit dat de kwestieuze offertes niet resulteerden in nieuwe bestellingen voor 2005 kan op zich niet aangemerkt worden als een beëindiging van de caterings activiteit evenmin als het feit dat eiseres ook een vrijgestelde activiteit uitoefende.

De intentie van de belastingplichtige om goederen en diensten aan te wenden voor het stellen van belastbare handelingen volstaat om het recht van aftrek van BTW te bekomen (H.v.J. 14 februari 1985, "Rompelman" BTW-Revue 1994, nr. 109, 735).

De administratie heeft aldus ten onrechte aangenomen dat de cateringactiviteit van eiseres in de jaren 2004 en 2005 werd stopgezet. Evenmin blijkt uit voormelde feitelijkheden dat aan de bestemming van het onroerend goed in 2004 of 2005 een einde gekomen is daar de factoren die destijds aan het recht op aftrek ten grondslag lagen anno 2004 en 2005 identiek zijn.

De door de administratie doorgevoerde herziening voor de jaren 2004 en 2005 mist grondslag.

De fiscale vordering van eiseres is gegrond.

Gelet op het gegrond verklaren van de vordering van eiseres is het onderzoek van de overige door eiseres ingeroepen middelen niet opportuun daar ze geen ruimer gelijk kan verkrijgen.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1e lid Ger. W. dient hij de gerechtskosten te dragen.

De gerechtskosten bedragen het basisbedrag voor een niet in geld waardeerbare vordering zijnde 1.200,00 EUR, zoals gevorderd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet ter zake dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het bestreden dwangbevel uitgevaardigd op 27 februari 2007 door D. D. B., rekenplichtige van het BTW-0ntvangkantoor Sint-Niklaas, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. V., Gewestelijk Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen op 2 maart 2007.

Beveelt de teruggave van de bedragen die door eiseres ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden ten gevolge van de vernietiging van voormeld dwangbevel, vermeerderd met de moratoire intrest vanaf de inning ervan tot de volledige terugbetaling.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag zeventien november tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :

mevrouw A. H., rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. H.

Textes cités

1
CTVA art. 441 occurrence

Décisions similaires

8