Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 27.04.2004
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
in de zaken AR. nrs. 02/2816/A en 0312563/A
van
de BVBA L. P., met zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Oostende onder nummer …,
eiseres,
vertegenwoordigd door meesters P. B. en M. L., advocaten te ….
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvanger te Oostende, wiens kantoor gevestigd is te 8400 Oostende, Administratief Centrum, Vrijhavenstraat nr.1, eerste verdieping,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester J. V. d. P., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 30 maart 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bI1zonder rekening met de volgende documenten :
In de zaak 02/2816/A
1. het geding inleidend verzoekschrift van 7 oktober 2002;
2. de conclusie voor verweerder van 22 januari 2003;
3. de conclusie voor eiseres van 27 juni 2003 en
4. de conclusie voor verweerder van 25 november 2003.
In de zaak 03/2563/A
1. het proces-verbaal van vrijwillige verschijning op de zitting van maandag 1 september 2003;
2. de conclusie voor verweerder van 25 november 2003 en
3. de conclusie voor eiseres van 12 december 2003.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
De aandeelhouders van eiseres, …, waren destijds de eigenaars van een villa aan de … te …. Zij exploiteerden daar een restaurant als zaakvoerders van eiseres.
Op 16 oktober 1996 tekende …namens eiseres een overeenkomst met …., die handelaar is in de sector van het onroerend goed onder de benaming Agence …, om de handelszaak van het genoemde restaurant over te laten voor een vraagprijs van … frank (… euro). De overeenkomst was dat de lasthebber een commissie van 10 procent op de verkoopprijs zou krijgen, te vermeerderen met de BTW.
In de standaard voorgedrukte tekst van de overeenkomst ‘opdracht tot verkoop van een handelsfonds' staat onder punt 3 : De overlater zal aan agence … een copij van de huurovereenkomst en een copij van de inventaris der winkelinrichting bezorgen.
Vermits … zowel eigenaars waren van eiseres als van de villa, werd er kennelijk geen overdracht van de huurovereenkomst (waarover eiseres voor haar exploitatie had kunnen beschikt hebben) gedaan, maar werd met de overnemer van de inrichting een nieuwe huurovereenkomst getekend. Op 20 juni 1997 werd door bemiddeling van Agence … een handelshuurovereenkomst ondertekend tussen als verhuurders en de BVBA ’T S.. Onder de bijkomende voorwaarden van die overeenkomst werd het volgende opgenomen :
De partijen komen overeen dat een vergoeding voor de vaste inrichtingswerken in het pand welke onroerend zijn door hun bestemming, de huurder in handen aan de BVBA L. P., …, … BTW nr. … een bedrag zal betalen ten bedrage van … BEF (zegge : … frank), betaalbaar uiterlijk 31 juli 1997 na voorlegging van een factuur door de verhuurder volgens art. 20 KB nr. 1 BTW-wetgeving medecontractant, vrij van BTW, bedrag welke ten definitieven titel verworven blijft aan de verhuurder.
Er werd ook nog bedongen dat het de huurder was die de bemiddelingsvergoeding aan Agence (… frank of … euro plus BTW) zou betalen.
Op 25 juli 1997 stuurde eiseres aan BVBA ’T S. een factuur (niet genummerd) voor een bedrag van … frank (… euro), met verlegging van de heffing naar de medecontractant onder verwijzing naar artikel 20 van KB nr. 1.
Diezelfde dag maakte Agence … een factuur op aan eiseres voor een bedrag van … frank (… euro) 'commissie' meer … frank (… euro) BTW waarop vermeld staat : Commissieloon voor bemiddeling verhuring villa.
Naar aanleiding van een controle voor de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1999, heelt de controleagent van de BTW geoordeeld dat eiseres het bedrag van … frank betaald aan Agence … niet had mogen aftrekken op grond van artikel 45, § 1 W.BTW. Volgens hem was de BTW-vrijstelling van artikel 44, § 3, 2 W.BTW toepasselijk (verschaffen van het genot van een onroerend goed) en betreft het bedrag van … frank (… euro) BTW die geheven werd op een dienst die betrekking heeft op de verhuur van een onroerend goed.
Op 3 december 2001 werd daarover een proces-verbaal opgesteld waarin naast het BTW-bedrag een verminderde geldboete van … frank (… euro) en de wettelijke interest verschuldigd verklaard werden.
Op 19 maart 2002 werd voor diezelfde bedragen een dwangbevel opgemaakt (RCIV nr. …) dat op 26 maart 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd en op 12 september 2002 aan eiseres werd betekend.
Met een verzoekschrift van 7 oktober 2002 en nadien bij de vrijwillige verschijning op 1 september 2003 stelde eiseres haar huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eiseres vordert dat de rechtbank de twee zaken zou voegen.
Ten gronde vordert zij dat de rechtbank het bestreden dwangbevel zou nietig verklaren of minstens zou zeggen voor recht dat de BTW voor een bedrag van … euro terecht in mindering werd gebracht en dat zodoende de opgevorderde geldboete niet verschuldigd is.
Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.
Verweerder vraagt ook de samenvoeging van de beide zaken en vordert dat de oorspronkelijke vordering van eiseres (zaak 02/2816/A) door de rechtbank zou worden afgewezen als onontvankelijk en dat de vordering in de zaak 03/2563/A als ongegrond zou worden afgewezen en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.
III. BEOORDELING
1. De voeging van de zaken
De twee zaken worden gevoerd tussen dezelfde partijen en betreffen identieke vorderingen. Alleen is de rechtsingang verschillend.
In die omstandigheden is aan de voorwaarden van artikel 30 Ger.W. voldaan. De rechtbank voegt in die omstandigheden de twee zaken.
2. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder laat terecht gelden dat het gaat om een geschil dat betrekking heeft op BTW die reeds vóór 1 januari 1999 verschuldigd was, zodat nog het vroegere artikel 89 W.BTW geldt. Hij beroept zich op rechtspraak om een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering in de zaak 02/2816/A op te werpen.
Eiseres beroept zich op de artikel 860 e.v. Ger.W.
De rechtspraak waarnaar verweerder verwijst gaat ervan uit dat er een schending is van een regel van 'rechterlijke organisatie'. Wat van rechterlijke organisatie is, is van openbare orde, staat buiten de nietigheidsleer en de schending van die principes kan niet gedekt worden. Dat wordt aangenomen met betrekking tot het voorschrift van artikel 700 Ger.W. dat stelt dat de hoofdvorderingen, behoudens uitzonderingen, bij dagvaarding worden ingesteld (Cass. 27 mei 1994, A.C. 1994, p. 535), hoewel hierop kritiek gegeven wordt in bepaalde rechtsleer.
Artikel 89 W.BTW handelt alleen over een vordering die strekt tot stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Waar het oude artikel 89 W.BTW voorzag dat deze stuiting slechts mogelijk was door verzet te doen met een dagvaarding, kan dat slechts betekenen dat het verzuimen van de vormvereiste (dagvaarding) geen stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel zou met zich brengen. Gelet op het specifiek karakter van dat artikel, moet het beperkt worden geïnterpreteerd.
De vorderingen die eiseres instelde (nietigheid van het dwangbevel of onverschuldigd verklaren van de opgevorderde bedragen), zijn niet door artikel 89 W.BTW geviseerd en vallen dus onder de gewone rechtspleging voorzien in het Gerechtelijk Wetboek. De overgangsbepaling uit de Wet van 15 maart 1999 die voorziet dat de wijziging aan artikel geen betrekking heeft op belastingen, interesten en boeten 'waarvan de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 1999', heeft hier dus geen enkel gevolg.
Door de invoering van artikel 1385undecies Ger.W. bij de Wet van 23 maart 1999 (BS 27 maart 1999), geldt als algemene regel dat de vordering tegen de belastingadministratie inzake geschillen die over de toepassing van de belastingwet gaan, ingesteld wordt bij verzoekschrift op tegenspraak. Tien dagen na publicatie, dus vanaf 6 april 1999 is deze regel toepasselijk. Vermits de vorderingen van eiseres wel degelijk over de toepassing van de belastingwet gaan en zijn ingesteld na 5 april 1999, was daartoe geen dagvaarding vereist. De exceptie van onontvankelijkheid is dus ongegrond.
Wat de tweede vordering betreft, geldt dat een vrijwillige verschijning steeds geldig een inleiding bij dagvaarding of verzoekschrift op tegenspraak kan vervangen.
Verweerder voert verder geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, zijn de vorderingen ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Stelling van eiseres
Eiseres stelt dat de factuur van Agence … uitgereikt is wegens de tussenkomst van dat immobiliënagentschap naar aanleiding van de overdracht van de handelszaak van eiseres aan de BVBA ’T S.. Volgens haar vloeit uit de samenlezing van alle stukken voort dat de overnamesom van … frank voor de 'vaste inrichtingswerken' precies de vergoeding is voor de handelszaak waarover een bemiddelingscontract was gemaakt met Agence …. Volgens haar was het akkoord over de overnamesom een voorwaarde om met de kandidaat-overnemer een huurovereenkomst af te sluiten.
Er zou dus geen sprake zijn van een dienstverlening die betrekking heeft op de verhuring van een onroerend goed maar op de overlating van een handelszaak.
2.2. Stelling van verweerder
Verweerder begrijpt de stukken anders en verschilt daarin met eiseres hoofdzakelijk van mening doordat hij er van uitgaat dat er nooit een overdracht van handelshuurovereenkomst is gebeurd. Het feit dat gefactureerd werd met verlegging van de heffing onder het regime van artikel 20 van KB nr. 1 van 29 december 1992 bevestigt volgens hem dat het ging om werken in onroerende staat en niet om een handelszaak.
De tussenkomst van Agence … zou alleen betrekking hebben op de verhuring van de villa, wat van BTW is vrijgesteld en de BTW op de aangerekende commissie In dat verband zou bijgevolg krachtens artikel 45, § 1 W.BTW niet aftrekbaar zijn.
2.3. Beoordeling
Er kan verwezen worden naar het hoger weergegeven feitenrelaas. In de aanvullende verklaring die … heeft afgelegd op verzoek van verweerder mag dan wel staan dat hij tussenkwam met betrekking tot de verhuring en dat zijn factuur op die tussenkomst betrekking had, toch verwijst hij in dat verband uitdrukkelijk naar de overdracht van de inrichtingswerken.
Deze benaderingswijze is logisch vermits dat zelfs letterlijk zo in de handelshuurovereenkomst staat.
Verweerder kan evenwel niet de werkelijkheid ontkennen : deze bestaat erin dat er voordien in de verhuurde villa een restaurant werd geëxploiteerd en dat de BVBA ’t S. ook een restaurant zou exploiteren; er was een overeenkomst tot overdracht van de handelszaak van eiseres waarin sprake was van een commissieloon van 10 procent; naar aanleiding van de verhuring door … aan de BVBA ’t S., werd ten behoeve van een derde, namelijk eiseres, een overnamesom bedongen met betrekking tot de inrichtingswerken; de som bedroeg … frank en dat bedrag werd op 25 juli 1997 door eiseres aan de BVBA ’t S. gefactureerd; diezelfde dag wordt door Agence … een factuur uitgereikt voor 10 procent van de overnamesom.
Het is mogelijk dat de overdracht waarvoor ’t S. bereid was te betalen door de contractanten niet langer als een 'handelszaak' te beschouwen was (bijv. omdat eiseres een Chinees restaurant uitbaatte en dus een eigen specifiek clientèle heeft dat voor de BVBA ’t S. geen waarde had; ook de handelsbenaming en het uithangbord (traditionele elementen van de handelszaak) zullen voor de overnemer geen waarde hebben gehad. Toch betekent dat niet dat de overname een deel van de verhuring van de villa zou geweest zijn. Deze stellingname van verweerder miskent vooreerst de juridische realiteit dat de verhuurders … waren, terwijl de overdrager van de vaste inrichtingswerken eiseres was. Bovendien is de overdracht van de inrichtingswerken een verkoop en geen verhuring. Verder is ook niet te verklaren dat Agence … in de handelshuurovereenkomst uitdrukkelijk voorziet dat het de huurder (BVBA ’t S.) is die … frank + BTW als bemiddelingscommissie moet betalen en dat eiseres daarnaast - nog steeds voor de bemiddeling in de verhuring zoals verweerder stelt - nog eens … frank + BTW moet betalen. Verweerder kan al evenmin ontkennen dat het bedrag van … frank exact 10 procent is van de overnamesom die aan eiseres werd betaald door de BVBA ’t S..
In die omstandigheden houdt de dienst die … (Agence …) aan eiseres verleend heeft geen verband met de verhuring van een onroerend goed maar met de overdracht van de inrichting in een onroerend goed. Een dergelijke overdracht is niet vrijgesteld van BTW - wat verweerder trouwens niet beweert. De commissie die voortvloeit uit de bemiddeling bij die overdracht is dus evenzeer aan BTW onderhevig en kon door eiseres volledig worden afgetrokken vermits het ging om de overdracht van een deel van de inrichting die eiseres gebruikte voor haar BTW-plichtige handelsactiviteit.
Het bestreden dwangbevel is bijgevolg integraal nietig en mag geen enkel rechtsgevolg krijgen.
3. De gerechtskosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.
Dispositif
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
De rechtbank voegt de zaken die gekend staan onder de nummers 02/2816/A en 03/2563/A van de Algemene Rol.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vorderingen ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank vernietigt daarom het dwangbevel van 19 maart 2002 (RCIV nr. …) dat op 26 maart 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd en op 12 september 2002 aan eiseres werd betekend en zegt voor recht dat het betreffende dwangbevel geen enkel rechtsgevolg mag hebben.
De rechtbank verwijst verweerder in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :
aan de zijde van eiseres :
- rechtsplegingsvergoeding : … euro
terwijl de kosten aan de zijde van verweerder niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op zevenentwintig april tweeduizend en vier.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier
A. V. D. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.