Établissement de la taxe, assujettissement, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 14 décembre 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Établissement de la taxe, assujettissement, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/etablissement-taxe-assujettissement-preuve-mesure-tribunal-bruges-2004-12-14-d37f

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
14 décembre 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

151 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 14.12.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND

in de zaak van : AR nr. 02/2373/A :

de NV C., meubelfabrikant, met maatschappelijke zetel te …, … nr. 40, H.R. te … nr. …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meester F. V., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Gewestelijk Directeur der directe belastingen te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester B. H., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 16 november 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de geding inleidende dagvaarding van 28 juni 2002 met verzet tegen het dwangbevel dat op 19 december 2001 is uitgevaardigd;

2. de conclusie voor verweerder van 23 september 2003;

3. de conclusie voor eiseres van 17 februari 2004;

4. de conclusie voor verweerder van 22 februari 2004;

5. de conclusie voor eiseres van 29 juni 2004 en

6. de conclusie voor verweerder van 28 september 2004.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is als BTW-plichtige geregistreerd voor de fabricatie en verkoop van zitmeubels.

Ze heeft twee dochterbedrijven : de NV C. in Vlaanderen en de NV F. in Wallonië.

Uit een BTW-controle voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1998 vloeide een correctieopgave voort die op 20 november 2000 aan eiseres werd opgestuurd. Er bleven uiteindelijk twee punten van betwisting over. Voor de andere punten die niet langer betwist werden, maakte verweerder een nieuwe, vervangende correctieopgave op die door de partijen voor akkoord werd ondertekend.

Wat de overgebleven betwistingen aangaat, maakte verweerder op 18 december 2001 een proces-verbaal op dat op 19 december 2001 per aangetekende brief aan eiseres werd opgestuurd. Tegelijk op 19 december 2001 stelde verweerder een dwangbevel op dat op 20 december 2001 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 21 december 2001 aan eiseres werd betekend per aangetekende brief.

De overblijvende betwistingen hebben betrekking op enerzijds de niet aangegeven omzet van aangekochte (en vermoed doorverkochte) dranken in 1996, 1997 en 1998 en anderzijds het omzettekort op zetelmeubilair dat blijkt uit de vergelijking met de inventarisbewegingen in 1997 en 1998.

Voor de dranken werd een niet aangegeven omzet van … frank (… euro) exclusief BTW in aanmerking genomen waarvoor een bedrag van … frank (… euro) BTW werd verschuldigd verklaard.

Voor het zetelmeubilair ging verweerder uit van een omzettekort van … frank of … euro, waarop … frank (… euro) BTW verschuldigd werd geacht.

Aldus werd ten nadele van eiseres een schuldvordering geformuleerd van … frank of … euro BTW, meer … frank of … euro proportionele boete, meer … frank of … euro niet-proportionele boete en meer de wettelijke interest op de verschuldigde belasting vanaf 21 januari 1999.

Met een dagvaarding van 28 juni 2002 stelde eiseres haar huidige vordering in.

2. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank het bestreden dwangbevel nietig, minstens onwettig en/of ongegrond zou verklaren en dat verweerder zou veroordeeld worden tot terugbetaling van alle onverschuldigde sommen, vermeerderd met de wettelijke interest vanaf datum van betaling.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BESPREKING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

De rechtbank overloopt hierna de diverse argumenten die eiseres aanbrengt.

2.1. Wat de leveringen van dranken aangaat

2.1. Motivering van het dwangbevel

Eiseres voert aan dat uit het proces-verbaal en het dwangbevel niet kan achterhaald worden op welke manier verweerder de beweerde omzet van dranken berekend heeft omdat niet verduidelijkt zou zijn hoe verweerder aan de vermelde 'aankoophoeveelheid' is gekomen. In het bijzonder hekelt eiseres dat verweerder in zijn conclusie van 22 april 2004 schrijft dat met een factuur van drankenleverancier R. zelfs geen rekening werd gehouden. Eiseres voert aan dat zij op die manier volledig in het duister tast omdat iedere informatie over de belastbare basis ontbreekt.

Nalezing van het proces-verbaal van 18 december 2001 waar het bestreden dwangbevel naar verwijst, leert dat verweerder uitdrukkelijk vermeldt dat de omzetverhoging met betrekking tot dranken uitsluitend verband houdt met blikjes en flessen die via drankautomaten ter beschikking worden gesteld. Dat is van belang omdat er ook dranken geconsumeerd werden in een restauratieruimte van de toonzaal van eiseres, waarover in het proces-verbaal gemeld wordt dat één en ander gepaard kan gaan met gratis consumptie voor de klanten.

Verweerder wijst er terecht op dat het proces-verbaal de cijfers overneemt uit de aanvankelijke correctieopgave van 20 oktober 2000 waarin de meeromzet op gedetailleerde wijze becijferd en dit door alleen rekening te houden met de flesjes die in de drankenautomaat werden aangeboden.

De verwijzing van verweerder naar facturen van bierhandelaar R. heeft betrekking op andere leveringen dan deze voor drankautomaten (waaronder bieren). Ook de facturen van bierhandelaar V. (leverancier van de drank voor de automaten) die andere dranken dan deze voor de automaten betreffen, werden in de correctieopgave en dus in het proces-verbaal van 18 december 2001 niet in aanmerking genomen. De argumentatie van eiseres omtrent de motiveringsplicht is dus misleidend.

Het staat voor de rechtbank vast dat in het proces-verbaal van 18 december 2001 duidelijk is aangegeven dat verweerder het omzettekort voor de dranken afleidt uit de geboekte aankopen van blikjes en flesjes voor de drankautomaten (zoals uit de betreffende facturen kan worden afgeleid) Dat is een voldoende verduidelijking die toelaat te achterhalen hoe verweerder het omzettekort berekend heeft. De verwijzing in het bestreden dwangbevel naar dat proces-verbaal brengt mee dat het dwangbevel op dat punt afdoende gemotiveerd is.

Overigens sluit een correcte toepassing van de motiveringsplicht (zoals vastgelegd in de wet van 29 juli 1991) niet uit dat de motivering uiteindelijk ten gronde niet gevolgd kan worden, in het bijzonder omdat de feiten eventueel verkeerd zijn weergegeven of geïnterpreteerd, wat een vraag ten gronde is.

2.1.2. Belastingplicht van eiseres ten aanzien van de verkoop van dranken

Eiseres roept in dat het verkopen van dranken niet een van haar economische activiteiten is. Daarom zou verweerder er ten onrechte van uitgaan dat die verkopen gesteld zijn door een in artikel 4 W.BTW bedoelde belastingplichtige. Dat zou volgens eiseres veronderstellen dat verrichte leveringen kaderen in haar geregelde en zelfstandige economische activiteit van verkoper van dranken, wat zij betwist.

Gelet op het feit dat eiseres de verkoop van dranken weI boekte onder haar opbrengstenrekening …, maar voor de BTW niet in aanmerking nam, benadrukt eiseres dat zij voor die dranken als een eindconsument moet worden beschouwd. Anders had zij een recht van aftrek uitgeoefend.

Verweerder laat terecht gelden dat het niet relevant is of eiseres als BTW­plichtige geregistreerd staat als verkoper van drank en of die verkoop tot haar eigenlijke economische activiteit behoort. Het volstaat inderdaad vast te stellen - wat niet betwist is - dat eiseres BTW-belastingplichtige is. Vanaf dat moment geldt artikel 2 W.BTW dat als volgt luidt :

De leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, zijn aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.

Verder kan niet ontkend worden dat de drankautomaten door eiseres worden opgesteld in het kader van haar handelingen als belastingplichtige, namelijk als fabrikant en verkoper van zetelmeubilair. Uit het stuk 9.2 van eiseres, namelijk een document van C. E. B. van 8 mei 2001 blijkt dat er bij eiseres 12 drankautomaten stonden voor een afnemerspubliek van 480 personen. De drankautomaten werden door eiseres geplaatst ten behoeve van haar werknemers, zodat de band met haar handelingen als belastingplichtige bewezen is.

Er is dus wel degelijke principieel BTW verschuldigd door eiseres op de omzet van de dranken die zij via de drankautomaten verkocht.

2.1.3. Schending van artikel 64, § 1 W.BTW - de boekhouding werd niet voorafgaandelijk als onbewijskrachtig verworpen voor de jaren 1997 en 1998

Eiseres voert aan dat het niet mogelijk is dat de belastingadministratie eerst artikel 64, § 1 W.BTW toepast door een vergelijking te maken tussen wat op basis van de geboekte aankopen zou moeten omgezet zijn enerzijds en de geboekte verkopen (omzet) anderzijds om vervolgens te besluiten dat de boekhouding moet verworpen worden, waardoor de bewijslast bij de belastingplichtige komt te liggen. Volgens eiseres stelt verweerder in deze procedure ten onrechte dat de boekhouding eerst als onbewijskrachtig zou zijn verworpen wat de dranken aangaat. Als dat al zou zijn gebeurd, blijkt volgens eiseres uit het proces-verbaal van 18 december 2001 dat die verwerping in elk geval niet gebeurd is voorafgaand aan de toepassing van artikel 64, § 1 W.BTW.

Volgens eiseres wordt dat meer dan ooit bevestigd omdat voor het jaar 1996 wel aanvaard werd dat de geboekte omzet op de opbrengstenrekening beantwoordde aan de werkelijke omzet, terwijl aan de hand van de facturen ook een hogere omzet werd bereikt.

Verweerder betwist dat aan de toepassing van artikel 64, § 1 W.BTW de verwerping van de boekhouding zou moeten voorafgaan.

Hij stelt ook dat de verwerping van de boekhouding met betrekking tot de dranken niet werd afgeleid uit de wanverhouding tussen de aankopen en de geboekte verkopen maar op zich al het gevolg is van het feit dat eiseres nagelaten heeft om een dagontvangstenboek bij te houden, zoals voorgeschreven door artikel 14, § 2, 3 KB nr. 1 van 29 december 1992.

Verweerder stelt dat hij gewoon heeft vastgesteld dat er op verschillende plaatsen in het bedrijf van eiseres drankautomaten waren opgesteld die tegen betaling dranken ter beschikking stelden van personeelsleden en bezoekers, waarvan ontvangsten werden geboekt op rekening … maar zonder opname van die verkoop in de BTW-aangiften. Omdat hij voor 1996 slechts een gering verschil aan tussen wat in de boekhouding was genoteerd en wat hij op basis van de prijzen die hem zouden zijn opgegeven berekende (nl. … frank of … euro) terwijl er voor 1997 en 1998 grotere verschillen waren, heeft verweerder geoordeeld dat er voor die laatste twee jaren geen genoegen kon genomen worden met de cijfers op de rekening …. Verweerder meent dat hij artikel 64, § 1 W.BTW in dat geval kon toepassen.

Verweerder laat met reden gelden dat er geen algemeen beginsel bestaat als zou aan de toepassing van artikel 64, § 1 W.BTW steeds een uitdrukkelijke beslissing tot verwerping van de boekhouding moeten voorafgaan. Artikel 64, § 1 W.BTW is een wettelijk vermoeden op zich. De toepassing ervan veronderstelt niets meer dan dat bewezen is dat een BTW-belastingplichtige bepaalde goederen produceert of verkrijgt.

In het onderhavig geval heeft verweerder aan de hand van de facturen die hij bij eiseres heeft aangetroffen en waarvan de detaillering toelaat te besluiten dat ze op flesjes en blikjes slaan die voor de bevoorrading van de drankautomaten gediend hebben, het wettelijk vermoeden toegepast dat die goederen door eiseres verkocht (geleverd) zijn onder voorwaarden die de BTW opeisbaar maakt.

Het feit dat verweerder dat wettelijk vermoeden hanteerde, vloeit uiteraard mede voort uit het feit dat de boekhouding van eiseres op het punt van de verkoop van flesjes en blikjes (dranken in het algemeen) niet toeliet om na te gaan (te controleren) op welke manier ze door eiseres zijn geleverd of op enige andere manier genuttigd. In dat verband laat verweerder terecht gelden dat eiseres alvast het bewijs had kunnen leveren door een dagontvangstenboek bij te houden.

Ook deze grief van eiseres is dus ongegrond.

2.1.4. Willekeur bij het bepalen van de maatstaf van heffing voor de jaren 1997 en 1998

Volgens eiseres is de maatstaf van heffing willekeurig bepaald, ten eerste doordat ten onrechte zou verondersteld worden dat alle dranken verkocht werden (tegen betaling); een deel van de aangekochte dranken zou immers gratis ter beschikking zijn gesteld zowel aan klanten als bedienden. Zij wijst in het bijzonder op het feit dat zij heel wat klanten ontvangt. Daarom zou de omzet van de BTW hoogstens kunnen berekend worden op basis van wat eiseres zelf in haar boekhouding opnam.

Ten tweede zou er willekeurig zijn tewerk gegaan bij het bepalen van de maatstaf van heffing voor de jaren 1997 en 1998 vermits voor die jaren wel en voor het jaar 1996 niet werd uitgegaan van een discripantie tussen de geboekte verkopen enerzijds en de aankopen op basis van de aangekochte flesjes en ·blikjes.

Terecht laat verweerder gelden dat alleen dranken bestemd voor de drankautomaten werden in aanmerking genomen. Er blijkt uit het gevoerde onderzoek en de voorgelegde facturatie dat er ook nog vele andere dranken door eiseres werden aangekocht. Met reden roept verweerder daarom in dat het in die omstandigheden onwaarschijnlijk is dat eiseres van de drankautomaten zou gebruik gemaakt hebben om gratis drank ter beschikking te stellen van wie dan ook.

Evenzeer sluit de rechtbank zich aan bij de stelling van verweerder dat er nog geen sprake is van een willekeurige vaststelling van de maatstaf van heffing wanneer nu door eiseres wordt aangetoond dat de controleambtenaar niet met alle facturen van flesjes en blikjes in 1996 die voor de drankautomaten bestemd waren, heeft rekening gehouden en daarom het bedrag dat op rekening … geboekt - gelet op het geringe verschil - als aannemelijk aanvaardde. Vermits duidelijk is dat de controleambtenaar ervan overtuigd was dat er in 1996 niet meer blikjes waren aangekocht, heeft hij nooit de bedoeling gehad een andere methode aan te wenden : hij baseerde zich steeds op wat hij als aangekochte blikjes en flesjes uit de facturatie heeft afgeleid.

De maatstaf van heffing werd dus niet willekeurig bepaald.

2.1.5. Subsidiair : lagere verkoopprijs per flesje

Eiseres voert aan dat bij het bepalen van de maatstaf van heffing ten onrechte is uitgegaan van een verkoopprijs voor flesjes van … frank (… euro), terwijl de prijs in 2001, blijkens een contract met C. E. B. NV, nog maar op … frank of … euro bepaald werd. Eiseres legt in dat verband ook enkele verklaringen van werknemers voor.

Verweerder benadrukt dat hij zich gebaseerd heeft op de verklaringen van de bevoegde medewerkers van eiseres en dat eiseres in verband met de prijs voor de flesjes pas op 17 november 2000 een opmerking heeft gemaakt. Van de verklaringen van werknemers van eiseres gaat volgens verweerder onvoldoende bewijskracht uit.

De rechtbank stelt vast dat voor het eerst in 1998 door eiseres flesjes zijn aangekocht in plaats van blikjes. Het gaat om PET-flesjes van 50 cl. Aan de hand van de facturen en de overeenkomst uit 2001 met de NV C. E. B., aangevuld met de verklaringen van enkele van haar werknemers, maakt eiseres voldoende aannemelijk en bewezen dat de prijs voor de flesjes ook in 1998 beperkt zal geweest zijn tot … frank (… euro). Immers aanvaardt verweerder dat er voor een blikje van 33 cl. slechts een prijs van … frank gevraagd werd. Verder stelt de rechtbank vast dat de aankoopprijs voor een PET-flesjes CocaCola zelfs in verhouding later is dan die voor de prijs van een blikje CocaCola. Het is dus weinig waarschijnlijk dat eiseres voor een PET-flesje dat slechts anderhalve keer het volume van een blikje bevat, het dubbele van de prijs zou aangerekend hebben. Zowel blikjes als PET-flesjes hebben een verloren verpakking zodat er geen verlies kan ontstaan door het niet terugbrengen van leeggoed.

Bovendien moet er worden van uitgegaan dat het een prijs was voor de personeelsleden (hoofdzakelijk) en de klanten, zodat het niet de bedoeling was belangrijke winsten uit de verkoop te halen. Tenslotte zou ook moeilijk te begrijpen vallen dat er in 2001, toch 3 jaar later, een verlaging van de prijs van … naar … frank zou zijn doorgevoerd.

Vermits verweerder zich bij het opstellen van haar correctieaangifte, van het proces-verbaal en dus van het dwangbevel kon baseren op de verklaringen van de personen die eiseres hadden vertegenwoordigd bij de BTW-controle, terwijl er toen nog geen stukken die op lagere prijzen wezen, waren overgelegd, is er geen sprake van een willekeurige belastingheffing. De gedane vaststellingen leidt slechts tot vermindering van de maatstaf van heffing en dus van de berekening van de BTW (en proportionele boete).

Concreet betekent dit dat de maatstaf van heffing voor 16.560 flesjes in 1998 niet aan … frank, maar aan … frank per stuk moet worden gerekend zodat hij niet op … frank (… euro), maar op … frank (… euro) had moeten zijn bepaald. Samen met deze van de blikjes, kon de verkoopprijs van de betreffende dranken in 1998 dus bepaald worden op (… + … =) … frank in plaats van … frank. Zonder BTW vertegenwoordigt dit een omzet van (… frank x .100/121 =) … frank of … euro (i.p.v. … frank of … euro).

Bijgevolg moet de BTW op de dranken voor de drankautomaten in 1998 bepaald worden op (… frank x 21 % =) … frank (… euro) in plaats van … frank (… euro).

Dat geeft een verschil aan BTW in min van … frank of … euro.

2.1.6. Neutraliteitsbeginsel: recht op aftrek van BTW op aankopen van de betreffende dranken

Eiseres heeft op de aftrek van de voorbelasting die ze betaald heeft bij de aankoop van de dranken, voor het eerst aanspraak gemaakt in haar dagvaarding van 28 juni 2002. Gelet op de herzieningstermijn van 5 jaar, bestaat er een recht op (herziening van de) aftrek voor de facturen die dateren van na 28 juni 1997.

De partijen zijn het erover eens dat er aldus nog recht op aftrek aan eiseres kan toegestaan worden voor … frank (… euro) met betrekking tot 1997 en voor … frank (… euro) met betrekking tot 1998.

Met eiseres moet worden aanvaard dat zij haar recht op aftrek niet moest uitoefenen in de BTW-aangifte, maar dat recht in de gegeven omstandigheden kon uitoefenen door het in rechte (in de dagvaarding) op te eisen. Zodra een belastingheffing het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke betwisting, maakt de vordering in rechte de vormvereisten ondergeschikt. De rechtsvordering maakt immers het geheel van rechtsgevolgen die aan de belasting­ heffing verbonden zijn tot voorwerp van het geschil.

De vordering van eiseres is op dat punt dan ook gegrond in zoverre haar een bijkomend recht op aftrek kan worden toegestaan voor een bedrag van (… + … =) … euro.

2.2. Wat het zetelmeubilair aangaat

2.2.1.Schending van artikel 64, § 1 W.BTW

Ook hier roept eiseres in dat verweerder eerst haar boekhouding had moeten verwerpen alvorens te kunnen beroep doen op artikel 64, § 1 W.BTW.

De rechtbank verwijst naar de uiteenzetting hierboven onder randnummer 2.1.3.

Bovendien geldt ook hier dat in het proces-verbaal van 18 december 2001 duidelijk is weergegeven dat de wijze waarop eiseres haar boekhouding bijhield, niet in overeenstemming was met de wettelijke voorschriften. Er kan gewezen worden op de globale facturen zonder detaillering van de verkochte goederen, zelfs zonder vermelding van de concrete (particuliere) kopers, zonder toevoeging van bestel- of leveringsbonnen (hoewel die werden uitgeschreven!) en ook op het ontbreken van een dagontvangstenboek. Het spreekt voor zich dat het tegen deze achtergrond is dat verweerder zich verplicht zag een controle uit te oefenen aan de hand van de vaststaande gegevens om vervolgens het vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW toe te passen. Die vaststaande gegevens heeft verweerder met recht gehaald uit de inventarisbeweging tussen het begin en het einde van 1997 en 1998.

Deze grief is ongegrond.

2.2.2.Tegenbewijs m.b.t. de vermeende niet aangegeven omzet

Eiseres voert aan dat zij vooralsnog het vereiste bewijs voorlegt dat de meubels (toonzaalmodellen) waarvan verweerder aangenomen heeft dat ze de ondernemingen moeten verlaten hebben zonder daarvoor een factuur zou zijn uitgereikt, wel degelijk het voorwerp zijn geweest van een factuur en dus van de heffing van BTW.

Ter verantwoording van de facturen die aan 'particulieren' waren gericht, legt eiseres een aantal leveringsbonnen voor waarop naam en adres van levering staan met aanduiding van de goederen. Zij benadrukt dat verweerder aan de hand van die stukken wel degelijk een controle heeft kunnen uitvoeren vermits hij vragen om inlichtingen heeft gestuurd aan de klanten.

Wat de facturen aan de NV C. en de NV F. aangaat, brengt eiseres een stuk in het debat waarin - blijkens de uitleg verschaft op de openbare terechtzitting van 16 november 2004 - de interne boekhouder van eiseres zijn speurwerk heeft weergegeven (stuk 10 eiseres). Dat stuk vertrekt van de lijst van verweerder waarin de ontbrekende goederen zijn vermeld, aangevuld met een verwijzing per verkochte zaak naar enerzijds een factuur aan dochterondernemingen C. of F., en anderzijds een benaming van de verkochte zaken op een detail dat aan elk van die facturen is bevestigd. Er is een 'handleiding' bijgevoegd.

Volgens eiseres blijkt uit de brief van verweerder aan eiseres van 14 december 2001 (stuk 10.28 van eiseres) dat bij de controle die details van de facturen ter inzage werden gegeven.

Verweerder stelt dat de voorgelegde bewijsstukken nog steeds niet toelaten om een objectieve controle uit te voeren.

Specifiek met betrekking tot de facturatie door eiseres aan C. en F. voert verweerder aan dat de details bij de facturen aan C. en F. slechts melding maken van een type, sporadisch van een opstelling maar nooit van de kleur of bekleding noch van het aantal stuks waaruit een salon bestaat. Verweerder voegt eraan toe dat op de achteraf voorgelegde lijstjes voor 1998, van de 63 modellen er slechts 4 modellen ook voorkomen op de lijst die hij zelf heeft opgesteld, met name de opsomming van de meubels die volgens de inventarisvergelijking als verkocht moeten worden beschouwd. Volgens verweerder bestaat er zelfs geen overeenstemming tussen de facturen enerzijds en de details ervan anderzijds; in het bijzonder zouden de aantallen niet kloppen en ook de omschrijving van de soort meubels. Bovendien toont een onderzoek van de facturatie van de meubels die via C. zouden verkocht zijn, aan dat zij vaak maanden later pas door C. zouden zijn verkocht (geleverd), terwijl eiseres tijdens de controle had voorgehouden dat het om meubels gaat die door particulieren in de toonzaal van eiseres werden gekocht, maar om commerciële redenen niet met een vrachtwagen van eiseres zelf konden worden geleverd en daarom door C. werden geleverd en daarom eerst aan C. verkocht.

Wat de facturatie aan 'particulieren' aangaat, benadrukt verweerder dat eiseres zich niet kon vergenoegen met het opstellen van niet-gedetailleerde facturen, zonder dagontvangstenboek, waardoor geen controle mogelijk is. Het lijstje met detail van de goederen die in 1997 aan particulieren zouden zijn verkocht (laatste blad bijlage 5 bij het p.v.) is, nu het niet gedateerd is en geen namen of adressen van de particulieren bevat en niet gesteund is op enig boekhoudkundig stuk, volgens verweerder geen geldig bewijs.

Met betrekking tot de voorgelegde leveringsbonnen voor het jaar 1998, laat verweerder gelden dat op basis van de verklaringen die door eiseres tijdens de controle werden gedaan, moet betwijfeld worden of ze betrekking hebben op verkopen aan particulieren van de toonzaal- en opruimingsmodellen waarvan verweerder een lijst opmaakte. Verweerder leidt dat af uit het feit dat op de leveringsbonnen sprake is van 'betaling aan de camion' terwijl de betreffende toonzaal- en opruimingsmodellen steeds door de kopers zelf zouden zijn meegenomen vermits deze die niet werden meegenomen, steeds zouden verkocht zijn via C. of F. en dus niet opgenomen werden in een factuur 'particulieren'.

De leveringsbonnen zouden overigens veelal betrekking hebben op verkopen buiten de opruimingsperiode.

Overigens toont verweerder aan dat er een aantal van de voorgelegde documenten geen betrekking hebben op meubels die door verweerder zijn opgenomen in de lijst van ontbrekende goederen.

Beoordeling

Wat de facturatie aan 'particulieren' aangaat, stelt de rechtbank vast dat reeds in de bijlagen van het proces-verbaal van 18 december 2001, bij elk van die facturen leveringsbonnen gevoegd zijn waarop de naam van de particuliere klanten staan. De facturen van 1998 maken - in tegenstelling tot de ene globale factuur van 31 oktober 1997 - melding van de verkochte goederen en er kan gesteld worden dat die vermeldingen overeenstemmen met de betreffende leveringsbonnen. Nochtans kan die vaststelling geen antwoord bieden op de pertinente opmerking van verweerder dat de op die facturen vermelde meubels niet overeenstemmen met de meubels die uit vergelijking van de inventaris kennelijk het bedrijf moeten verlaten hebben (de zgn. 'lijst', nl. bijlage 10 aan het PV.). Eiseres weerlegt immers niet dat, zelfs waar de benamingen soms vergelijkbaar of dezelfde zijn, er andere kenmerken (stof, kleur of prijs) niet corresponderen. Met de globale factuur voor 1997 voldoet eiseres in geen geval aan haar bewijslast vermits daar slechts een blaadje aan toegevoegd is waarop zelfs geen namen van klanten staan; de factuur zelf maakt overigens geen enkele vermelding van een of ander model; er is alleen sprake van verkoop toonzaal : particulieren. Een dergelijk stuk zonder bijgaande detaillering laat geen controle toe.

Voor de rechtbank staat het derhalve vast dat eiseres aan de hand van haar facturen die gericht zijn aan 'particulieren' niet het vereist tegenbewijs wordt geleverd, namelijk dat de goederen die in de 'lijst' (bijlage 10 aan het P.V.) voorkomen toch opgenomen zijn in de BTW-aangifte voor de betreffende periodes in 1997 en 1998. Gelet op de vaststellingen hierna met betrekking tot de facturen aan de NV C. en de NV F., kan dat ook niet verwonderen.

Anders is het nochtans met betrekking tot de facturen die eiseres in 1997 en 1998 uitreikte aan de NV C. en de NV F.. In tegenstelling tot verweerder, is de rechtbank wel van oordeel dat er op voldoende objectieve en controleerbare wijze door eiseres door middel van haar stuk 10 wordt aangetoond welke goederen het voorwerp uitmaken van de betreffende facturen. Terecht laat eiseres gelden dat in de brief van verweerder aan eiseres van 14 december 2001 uitdrukkelijk sprake is van het 'detail aan de desbetreffende verkoopfacturen' (tot tweemaal toe, nl. medio pag. 4 en bovenaan pag. 5 - stuk 10.28 eiseres). Ook het proces-verbaal van 18 december 2001 maakt daarvan melding; medio pagina 9 staat immers Op de door de belastingplichtige aan deze verkoopfacturen gevoegde bijlagen zijn de geleverde salons omschreven naar type of benaming, sporadisch wordt een opstelling vermeld, doch nooit is de kleur of de bekleding van deze zitmeubelen omschreven, noch de toebehoren. Daaruit moet worden afgeleid dat de 'details' die bij elk van de facturen aan C. en F. gevoegd zijn, niet achteraf zijn opgemaakt, maar wel degelijk deel uitmaakten van de boekhouding en van bij aanvang aan de facturen waren gehecht.

Nu kan niet ontkend worden dat die details op het eerste gezicht al te summier zijn om voor een buitenstaander (waaronder de BTW-controleur en de rechtbank) toe te laten een objectieve controle toe te laten (vandaar dat de boekhouding terecht als onvoldoende bewijskrachtig werd beschouwd). Binnen het kader van haar tegenbewijs brengt eiseres evenwel met haar stuk 10 voldoende verduidelijking.

Met betrekking tot het aantal geleverde 'stuks' verduidelijkt eiseres dat in de details alleen melding gemaakt wordt van een opstelling, wanneer ze afweek van de standaardopstelling, nl. één 3-zit + twee 1-zits en dat bijgevolg de vermelding van '1 salon' meteen betekent dat er drie stuks werden geleverd. Eiseres toont op die manier aan dat er steeds overeenstemming is tussen het aantal stuks dat vermeld is op de factuur enerzijds en op het bijgevoegd detail anderzijds.

Voorts heeft eiseres in haar stuk tien bij elk model dat voorkomt in de 'lijst' van verweerder (bijlage 10 aan het P.V.) een verwijzing toegevoegd enerzijds naar een factuur aan de NV C. of de NV F. en anderzijds naar een nummering die zij zelf aan elk van de goederen heeft gegeven op de bijgaande details.

De rechtbank kan slechts vaststellen dat op die manier een volledige verantwoording wordt gegeven door eiseres van wat met de goederen die uit de vergelijking van de inventarissen volgens verweerder uit het bedrijf van eiseres verdwenen waren in 1997 en 1998, is gebeurd: ze werden alle gefactureerd aan de NV C. of de NV F..

De conclusie is derhalve dat in het proces-verbaal van 18 december 2001 ten onrechte er van uitgegaan wordt dat eiseres nagelaten heeft in de periodes van 1997 en 1998 voor een bedrag van … frank (… euro) BTW aan te geven met betrekking tot verkoop van toonzaal- en opruimingsmodellen van zitmeubelen en toebehoren.

Meteen staat vast dat het bestreden dwangbevel ongegrond is voor het gedeelte dat betrekking heeft op dat bedrag van … frank (… euro) BTW, meer interest erop.

2.3. Boetes

2.3.1. Nietigheid van de boete van … frank wegens gebrek aan motivering

Volgens eiseres is noch in het bestreden dwangbevel, noch in het proces­verbaal een motivering opgenomen voor het opleggen van de boete van … frank (… euro), in het bijzonder omdat niet zou zijn meegedeeld welke concrete overtreding aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van die boete.

Voor de boete wordt in het proces-verbaal en het dwangbevel verwezen naar artikel 70, § 4 W.BTW. Dat artikel voorziet de mogelijkheid om een boete op te leggen onder andere wegens overtredingen van (onder andere) de artikelen 52 tot 54bis en 60 tot 63 W.BTW of de uitvoeringsbepalingen van die artikelen. In het proces-verbaal van 18 december 2001, waarnaar het dwangbevel uitdrukkelijk verwijst, is met zoveel woorden gesteld enerzijds dat en waarom eiseres in strijd handelde met de uitvoeringsbepalingen van artikel 54 W.BTW door als fabrikant geen facturen uit te reiken aan de particulieren die bij haar kochten en anderzijds dat eiseres niet voldaan heeft aan de artikelen 60, § 1 en 61, § 1 W.BTW door de dubbels van de uitgereikte bestel- en leveringsbonnen niet te bewaren.

Dat is een concrete aanduiding van de overtreding die aanleiding was tot de boete, zodat deze grief ongegrond is.

2.3.2. Vermindering wegens opportuniteitsredenen

Volgens eiseres moeten de beide opgelegde boetes (… frank of … euro en … frank of … euro) verminderd worden omdat ze niet in verhouding zouden staan tot de begane overtreding.

Wat de boete van … frank betreft wegens het niet bijhouden van de bestelbonnen, is de rechtbank van oordeel dat de stukken afdoende duidelijk maken dat het ontbreken van facturen op naam en adres van de particulieren en van de dubbels van de opgemaakte bestelbonnen, het werk van de BTW-controleur ernstig bemoeilijkt heeft en tot in de gerechtelijke procedure aanleiding heeft gegeven tot betwistingen over het bewijs. De inbreuk is ernstig en de boete werd op een gepaste manier door verweerder vastgesteld op … frank of … euro).

De proportionele boete werd bepaald op 20 % van de verschuldigd verklaarde rechten. De rechtbank acht ook die verhouding uitermate gepast en in verhouding tot de ernst van de overtredingen. In het bijzonder is gebleken dat eiseres wel bijzonder nonchalant was met betrekking tot de belastingplicht aangaande de verkoop van dranken.

2.4. Recapitulatie van de cijfers

2.4.1.De verschuldigde BTW

Het bedrag van de BTW dat ten onrechte door eiseres niet werd aangegeven in haar BTW-aangiften slaat enkel nog op de BTW voor de verkochte dranken via de drankautomaten in 1996, 1997 en 1998, verminderd zoals hierboven onder punt 2.1.5 vastgesteld. Dat betekent dat de BTW waarvoor het dwangbevel rechtsgeldig werd uitgevaardigd, beperkt moet worden tot (… - … =) … frank of … euro.

2.4.2. De proportionele boete

Gelet op het proportioneel karakter van die boete, moet ze verhoudingsgewijs verminderd worden tot beloop van de belasting die nog verschuldigd blijft. De boete van 20 % moet overeenkomstig beperkt worden tot … frank of … euro.

2.4.3. De niet-proportionele boete

Deze blijft behouden op … frank of … euro.

2.4.4. De interest en de vervolgingskosten

Deze blijven behouden zoals omschreven in het dwangbevel. Op dat punt is er ook geen betwisting.

3. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen. De rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd.

Dispositif

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

De rechtbank zegt daarom voor recht dat het dwangbevel dat onder RCIV-nr. … ten nadele van eiseres op 18 december 2001 is uit­ gevaardigd en geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd op 20 december 2001, ongegrond en als onbestaande moet worden beschouwd in zoverre het betrekking heeft op de hogere bedragen dan deze hierna vermeld :

- … frank of … euro aan verschuldigde BTW;

- … frank of … euro aan proportionele boete;

- … frank of … euro aan niet-proportionele boete

- de wettelijke interest op de verschuldigde BTW en de verschuldigde geldboeten zoals omschreven in dat dwangbevel en de vervolgingskosten.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle som­ men die op grond van de het ontheven gedeelte van het dwangbevel zouden geïnd of ingehouden zijn, vermeerderd met de moratoire interest vanaf datum van betaling, daarin begrepen de gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding.

De rechtbank compenseert de rechtsplegingsvergoedingen en verwijst elk van de partijen in hun eigen gerechtskosten, in welk geval die kosten niet moeten worden vastgesteld.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op veertien december tweeduizend en vier.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.

Textes cités

1
AR no 1 art. 141 occurrence

Décisions similaires

8