Droit à restitution, Paiement indu · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 26 juillet 2019

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à restitution, Paiement indu

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-restitution-paiement-indu-prescription-tribunal-hasselt-2019-07-26-b53a

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
26 juillet 2019

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

70 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 26.07.2019

[Défavorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à restitution – Paiement indu – Prescription de l’action en restitution

Dispositions légales

Articles 77, § 1er, et 82bis du Code de la TVA

Article 2262bis (ancien) du Code civil

Résumé non disponible

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk, 11A kamer

Eindvonnis d.d. 26.07.2019

Rol: AR 17/976/A

IN ZAKE:

H. BVBA, ... , BE 0465..... – eiseres - Ter zitting niet verschenen noch vertegenwoordigd, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat, kantoor houdende te ....

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE FISCALITEIT, ADMINISTRATIE KMO, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 106. - verweerder - Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer X, adviseur­ eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, teamchef, verbonden aan de afdeling controle van het KMO-Centrum Hasselt.

VOLGT HET VONNIS

Gelet op:

- de exploten van gedinginleiding van 06.04.2017;

- de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 20.04.2017;

- de eerste conclusie, tweede conclusie, syntheseconclusie, aanvullende conclusie na syntheseconclusie, syntheseconclusie (nieuw) en stukken van verweerder;

- de conclusies, syntheseconclusies, aanvullende conclusies na syntheseconclusies, nieuwe syntheseconclusies en stukken van eiseres.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN:

Eiseres is ingevolge haar economische activiteit van holding sedert 01.05.2006 geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nummer BE 0465.... en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Tijdens een fiscaal onderzoek werd de toepassing van de BTW-wetgeving bij eiseres gecontroleerd m.b.t. de periode 01.01.2014 tot 31.12.2015. De controle had specifiek betrekking de actie 2017-BTW krediet, meerbepaald de inschrijvingen in het rooster 62 van de periodieke BTW-aangifte.

Bij de controle werd vastgesteld dat in de periodieke BTW-aangifte van de handelingen met betrekking tot het vierde kwartaal 2015 de som van 11.515,38 euro werd opgenomen in het rooster 62, regularisatie in het voordeel van de aangever. Dit bedrag was samengesteld uit enerzijds enkele kleine correcties in het voordeel van de Staat en anderzijds een aan eiseres terug te geven BTW van 12.018,32 euro.

Het betrof twee aankoopfacturen waarbij BTW in rekening was gebracht. Deze aangerekende BTW was niet aftrekbaar aangezien de aankopen bestemd waren voor doeleinden van onroerende verhuur.

Eiseres behandelde de facturen in het aankoopdagboek alsof het facturen 'BTW verlegd' waren: over het totale bedrag van de factuur, BTW inbegrepen, werd nog eens 21% BTW berekend en geplaatst in rooster 56 van de BTW-aangifte. De aldus verschuldigd gestelde BTW werd evenmin in aftrek gebracht gelet op de bestemming voor doeleinden van de onroerende verhuur.

De vergissing vond plaats in de BTW-aangifte van de handelingen met betrekking tot het derde kwartaal 2009. De rechtzetting vond weliswaar plaats in de boekhouding in de loop van het vierde kwartaal 2009 maar ze vond niet plaats in de daarmee overeenstemmende BTW-aangifte.

Het recht op teruggaaf, dat volgens de administratie reeds was ontstaan op het einde van het jaar 2009, werd slechts zes jaar later uitgeoefend. De administratie was van oordeel dat op dat ogenblik de verjaring al was ingetreden.

Volgens de administratie heeft eiseres dit bedrag ten onrechte in haar BTW aangifte opgenomen in 2015 aangezien de verjaring reeds zou zijn ingetreden.

Eiseres ging over tot dagvaarding van verweerder bij deurwaardersexploot van 06.04.2017.

De administratie heeft haar vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal van regularisatie van 02.05.2017. Hierin werden de volgende verschuldigde bedragen opgenomen:

- 12.018,32 euro als verschuldigde BTW;

- 1.200,00 euro als verminderde geldboete;

- interesten berekend aan 0,8 pct per maand over de verschuldigde BTW vanaf 21.01.2016 te berekenen over 12.010,00 euro.

II. BEOORDELING:

1. M.b.t. de onverschuldigde betaling:

Eiseres stelt een vordering om de naheffing van een onverschuldigd betaalde som te laten nietig verklaren. De BTW verschuldigd op de twee facturen (stukken 1 en 2) werd reeds betaald door de belastingplichtige die de betreffende facturen heeft uitgereikt. Al de bedragen die na de betaling van de verschuldigde BTW aan de Staat betaald worden, kunnen geen BTW meer zijn omdat de toegevoegde waarde reeds voordien door de belasting getroffen werd.

Eiseres is dan ook van oordeel dat zij een niet bestaande schuld heeft betaald aan de administratie. Deze betaling kan beschouwd worden als een onverschuldigde betaling.

Eiseres beroept zich op de leer van de onverschuldigde betaling waardoor de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 10 jaar van toepassing is.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in toepassing van de art. 1235, lid 1 BW en art. 1376 B.W. de betaalde sommen terugvordert.

Voor de toepassing van de onverschuldigde betaling zijn er twee vereisten nl. een betaling én het onverschuldigd karakter van deze betaling (zie KRUITHOF, R., BOCKEN, H., DE LV, F. en DE TEMMERMAN, B., Overzicht van rechtspraak, Verbintenissenrecht (1981-92), T.P.R., 1994, nr. 314 e.v.).

Een betaling is onverschuldigd wanneer zij zonder oorzaak is.

De oorzaak van betaling volgt hier niet uit de BTW- wetgeving en van de ter uitvoering genomen besluiten zelf.

De artikelen 77 § Ibis WBTW en 1 van het KB nr.4 zijn dus vreemd aan het geschil dat thans beslecht dient te worden aangezien hier geen BTW dient terug gegeven te worden doch een niet verschuldigde betaling.

De aangifte wordt ingediend om te voldoen aan een wettelijke verplichting. Derhalve mogen aan deze formaliteit geen andere civielrechtelijke gevolgen worden gehecht. Het gevolg is onder meer dat de belastingplichtige het recht heeft te bewijzen dat zijn aangifte verkeerd is.

Het nagevorderde bedrag maakt bijgevolg een onverschuldigde betaling uit waarvan de terugbetaling door de Staat niet door het Wetboek van de BTW geregeld is, omdat men niet meteen BTW te maken heeft, maar wel door het gemeen recht (art.1235. 1376 en 1378 van het Burgerlijk Wetboek).

Volgens het gemeen recht (art.1376 van het Burgerlijk Wetboek) moet het bedrag terugbetaald worden aan de persoon die de onverschuldigde betaling uitgevoerd heeft.

De vordering tot teruggave van beweerdelijk ten onrechte gestorte, sommen aan de BTW­ administratie, heeft geen betrekking op vaste uitgaven van de Staat en wordt bijgevolg geviseerd door artikel 100, lid 1, 1° van de Gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991. Dit artikel voorziet een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de vordering is ontstaan, bij gebrek aan een specifieke verjaringstermijn voo(zien door de fiscale wet.

Deze verjaringstermijn geldt inderdaad voor alle vorderingen die geen vaste uitgaven van de Staat betreffen, met uitzondering van vorderingen die onderworpen zijn aan een bijzondere verjaringstermijn krachtens een afwijkende wettelijke bepaling.

De vordering is nog niet verjaard.

De vordering van eiseres, zoals gesteld in haar nieuwe syntheseconclusies, dient op dit punt gegrond verklaard te worden.

2. M.b.t. de kwijtschelding van de geldboete:

Eiseres is van oordeel dat een geldboete van 1.200,00 euro onevenredig is met de beweerde begane overtreding.

Een evenredigheidstoetsing is toegestaan, ook al beschikt de administratie over een gebonden bevoegdheid bij het opleggen van de sanctie. De feitenrechter kan, mits voldoende motivering, een proportionele BTW-boete kan verminderen. De feitenrechter mag binnen het kader van de evenredigheidstoetsing rekening houden met bepaalde omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige.

De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavig geval geen elementen zijn aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig is en niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

De rechtbank bemerkt ook geen concrete redenen om de boete met uitstel op te leggen. De vordering van eiseres is dan ook ongegrond op dit punt.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Stelt dat de in de correctieopgave van 27.02.2017 lastens eiseres opgesteld gevorderde BTW voor een bedrag van 12.018,32 euro in hoofdsom niet verschuldigd is.

Wijst het meer gevorderde af.

Veroordeelt verweerder tot 1/2 van de kosten, begroot in hoofde van eiseres op 1.320,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in buitengewone openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt op 26.07.2019, alwaar zetelden: ...

Ondertekeningen

Textes cités

2
CTVA art. 772 occurrences
CTVA art. 82bis2 occurrences

Décisions similaires

8