Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 13 mars 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-gand-2003-03-13-162a

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
13 mars 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

106 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 13.03.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 MAART 2003

Algemene rol nummer : 2781/88

In de zaak van :

BVBA …, met zetel te …, …

eiseres,

eiseres in gedwongen tussenkomst,

voor wie optreedt mr. E. D., advocaat te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger der Belastingen op de Toegevoegde Waarde , woonstkiezende op zijn kantoor te Gent I, 9000 Gent, Ramen 1,

verweerder,

voor wie optreedt mr. S. V. R.-V. N., advocaat te …, …, mede in zake

optreedt mr. Sas Van

S. A. L., vennootschap naar Frans recht, met maatschappelijke zetel te …, … ingeschreven in het H.R te (F) …, onder nr. …,

verweerster in gedwongen tussenkomst, voor wie optreedt mr. J. V. M., advocaat te …, …,

en

Algemene rol nummer : 1747/88

In de zaak van :

BVBA …, met zetel te …, …

eiseres,

eiseres in gedwongen tussenkomst,

voor wie optreedt mr. E. D., advocaat te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger der Belastingen op de Toegevoegde Waarde, woonst kiezende op zijn kantoor Gent I, 9000 Gent, Ramen 1,

verweerder,

voor wie optreedt mr. S. v. R.-V. N., advocaat te …, …,

mede in zake :

SA L., vennootschap naar Frans recht, met maatschappelijke zetel te F …, …, ingeschreven in het HR te (F) … onder nr. …,

verweerster in gedwongen tussenkomst, voor wie optreedt mr. J. V. M., advocaat te ..., …,

1. RECHTSPLEGING

1.1. AR/2781/88

Gelet op de inleidende dagvaarding voor de Beslagrechter aan verweerder betekend op 22.8.1988, de dagvaarding in gedwongen tussenkomst ten verzoeke van de BVBA …, betekend op 15.6.1993 aan SA L.

1.2. AR/1747/88

Gelet op het dwangbevel d.d. 28.4.1988 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4.5.1988 en aan eiseres ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven d.d. 5.5.1988.

Gelet op de inleidende dagvaarding aan verweerder betekend op 18.5.1988.

Gelet op de dagvaarding in gedwongen tussenkomst ten verzoeke van de BVBA …, betekend op 15.6.1993 aan SA L..

1.3. De rechtbank neemt kennis van het dossier van de rechtspleging, de beschikking van de Beslagrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 13.12.1988 waarbij de zaak in toepassing van art. 88, § 2 Ger. W. verwezen werd naar de Voorzitter van de Rechtbank, het bevelschrift d.d. 23.2.1989 van de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent waarbij de zaak AR 2781/88 werd verwezen naar de burgerlijke kamer van deze rechtbank, de onderscheiden conclusies en stukken van partijen.

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

2. DE VORDERING

2.1. De vordering van eiseres strekt ertoe bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad :

te zeggen dat krachtens het verzet de tenuitvoerlegging van hogervermeld dwangbevel is gestuit; dat alle uitvoeringsdaden die verweerder te rekenen vanaf heden en tot dat er over de hierbij ingestelde vordering definitief uitspraak zal zijn gedaan, zou stellen onwettig zijn en haar tot schadevergoeding zouden blootstellen;

te zeggen dat het dwangbevel nietig is; dat eiseres gerechtigd is op de aftrek van de BTW op de kwestieuze facturen;

verweerder te veroordelen tot betaling aan eiseres van :

het ingehouden bedrag van 107.878 frank meer de wettelijke verwijlintresten sedert 30.4.1988; 1 frank provisioneel voor alle welkdanige schade geleden ingevolge het wederrechtelijk optreden van verweerder.

verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

2.2. De vordering in gedwongen tussenkomst strekt ertoe voorzover de stelling van verweerder wordt gevolgd, SA L. te veroordelen om aan eiseres te betalen de som van 107.878 frank meer de verwijlintresten sedert 30.4.1988 tot op 15.6.1993 en vanaf dan met de gerechtelijke intresten, meer de kosten van het geding.

2.3. Bij conclusie d.d.14.9.1995 stelt SA L. in subsidiaire orde een tusseneis tegen de Belgische Staat ertoe strekkende de Belgische Staat te veroordelen om aan de SA L. alle sommen te betalen waartoe deze t.a.v.de BVBA … in tussenkomst en vrijwaring zou worden veroordeeld te verhogen met de gerechtelijke rente vanaf de dag van de betaling van SA L. aan de BVBA … tot de dag der betaling door de Belgische Staat aan de SA L. meer de kosten van het geding.

3. FEITEN EN GESCHIL

De BVBA … heeft als activiteit het leveren en plaatsen van zonneschermen en is als dusdanig BTW-plichtig.

Bij de Franse vennootschap SA L. werd hiervoor zeildoek aangekocht. Deze vennootschap had in België een aansprakelijk vertegenwoordiger aangesteld de PVBA C..

De SA L. maakte facturen op met vermelding van de Belgische BTW en verstuurde deze facturen naar de PVBA C. (wiens naam vermeld was op de factuur) die de·factuur doorstuurde naar eiseres. Eiseres betaalde de factuur inclusief de BTW aan de PVBA C. die de Belgische BTW doorstortte aan de Belgische Staat.

Naar aanleiding van een BTW-controle bij eiseres op 6.8.1987 m.b.t. de jaren 1983 tot 1985 werd de door eiseres in haar BTW-aangiften uitgevoerde aftrek van BTW verworpen omdat deze aftrek niet verantwoord werd door facturen welke alle wettelijk voorgeschreven vermeldingen bevatten; meer bepaald was niet voldaan aan de vormvoorwaarden van art. 4, §§ 1 & 2 KB nr. 31 d.d. 29.12.1970 nu de Belgische BTW rechtstreeks werd gefactureerd door de SA L. i.p.v. door de PVBA C. (de aansprakelijke vertegenwoordiger).

Aldus was eiseres een bedrag verschuldigd van 83.858 frank vermeerderd met een boete van 6.150 frank.

Aangezien eiseres zich hiermee niet kon verzoenen leidde dit tot de uitvaardiging van het dwangbevel d.d. 28.4.1988 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4.5.1988 en aan eiseres ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven d.d. 5.5.1988.

Bij dagvaarding d.d.18.5.1988 tekende eiseres verzet aan tegen dit dwangbevel.

Door verweerder werd bij brief d.d.20.6.1988 aan eiseres ter kennis gebracht dat een bedrag van 107.878 frank werd ingehouden op het aan eiseres op 30.4.1988 toekomende belastingtegoed.

Eiseres kon zich hiermee niet verzoenen en bracht bij dagvaarding d.d. 22.8.1988 de zaak voor de beslagrechter.

4. BESPREKING

Voorafgaand

Aangezien de zaak gekend onder AR 2781/88 verknocht is met de zaak gekend onder AR 1747/88 komt het passend voor, zoals door partijen gevorderd en teneinde strijdige uitspraken te vermijden, de beide zaken samen te voegen.

Ten gronde

1. Verweerder stelt dat op grond van art. 45, § 1 W.BTW de belastingplichtige de bewijslast draagt inzake het bestaan van het recht op aftrek, dat eiseres ertoe gehouden is aan te tonen dat het recht op aftrek uitgeoefend werd aan de hand van een formeel regelmatige factuur (art. 3 KB nr. 3 van 10 december 1969).

Verweerder laat gelden dat eiseres geen recht op aftrek heeft omdat de kwestieuze facturen die zij aanwendt om haar recht op aftrek uit te oefenen niet voldoen aan de Belgische BTW-reglementering van art. 4, §§ 1 & 2 KB nr. 31, dat deze vormvereisten geenszins in strijd zijn met de bepalingen van de zesde EEG-Richtlijn.

Verweerder verwijst hierbij naar een arrest van het Hof van Cassatie d.d. 13.10.2000 (F.J.F. nr. 2000/297) en leidt hieruit af dat de vermeldingen die de Belgische wetgever oplegt, op zich niet in strijd zijn met het Europees recht; dat het niet relevant is of in een concreet geval de mogelijkheid bestaat voor de Administratie om de BTW te innen of de controle daarop mogelijk te maken. Het louter ontbreken van een of meer wettelijke vermeldingen die in het algemeen noodzakelijk (kunnen) zijn voor de inning of de controle, is voldoende grond voor het weigeren van de aftrek.

2. Dat de genoemde facturen niet voldoen aan de vormvoorwaarden van art. 4, §§ 1 & 2 KB nr. 31 wordt door eiseres niet betwist.

3. Terecht laat eiseres gelden dat het recht op aftrek geregeld is door de zesde EEG-Richtlijn; dat art. 18, § 1 van diezelfde Richtlijn stelt dat de belastingplichtige om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen in het bezit moet zijn van een overeenkomstig art. 22, § 3 opgestelde factuur; dat art. 22, § 3 bepaalt dat in de factuur afzonderlijk moeten zijn vermeld : de prijs exclusief belasting, de belasting volgens elk afzonderlijk tarief, alsook in voorkomend geval de vrijstelling en dat de lidstaten de criteria vastleggen volgens welke een document kan worden geacht dienst te doen als factuur; dat aan het Hof van Justitie in de zaak Jeunehomme de vraag werd voorgelegd of de artt. 18, § 1 a) en 22, § 3 a) en b) de lidstaten toelieten de uitoefening van het recht op aftrek afhankelijk te stellen van de voorlegging van een factuur die welbepaalde vermeldingen bevat; dat het Hof in het arrest Jeunehomme d.d. 14.7.1988, (BTW Revue, 1991, nr. 95, 187) besliste :"

…

16. ...

De lidstaten mogen bij komende vermeldingen verlangen, teneinde de juiste inning van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren.

17. Voor de uitoefening van het recht op aftrek mag evenwel slechts worden vereist dat de factuur nog andere vermeldingen bevat dan die welke in artikel 22, § 3, b) van de richtlijn zijn genoemd, voor zover die bijkomende vermeldingen noodzakelijk zijn om de inning van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren.

…

19. Het staat aan de nationale rechter te oordelen of de door de Belgische regeling verlangde vermeldingen aan genoemde criteria voldoen."

Eiseres stelt dat in casu verweerder ten onrechte de aftrek verwerpt nu de controle en de inning van de BTW mogelijk was en de factuur haar doel heeft bereikt.

4. In casu stelt de rechtbank vast dat de kwestieuze facturen voldoen aan de voorwaarden van art. 22, § 3 b) van de zesde richtlijn, dat de goede trouw van de partijen niet ter discussie staat. De realiteit van de gefactureerde verrichting, de betaling van de BTW en de doorstorting ervan worden niet betwist. In casu zijn de inning en controle verzekerd, zodat de ontbrekende vermeldingen waarop verweerder zich beroept niet noodzakelijk zijn om inning en controle te verwezenlijken.

Het ontbreken van de vermeldingen staat in onderhavig geval de aftrek dan ook niet in de weg.

5. Ten onrechte meent verweerder enig argument te vinden in het cassatiearrest d.d. 13.10.2000 nu het Hof stelt dat het gebrek aan de door het KB nr. 1 d.d. 23.7.1969 vereiste formele vermeldingen aanleiding geeft tot het weigeren van de aftrek van BTW "omdat het bestreden arrest niet vaststelt dat deze vermeldingen niet nodig zijn voor de inning en controle van de BTW". Hiermee wordt impliciet te kennen gegeven dat het KB nr. 1 niet zuiver formalistisch kan worden toegepast.

6. Eiseres maakt niet aannemelijk enige schade te hebben geleden zodat de vordering tot een provisioneel begrote schadevergoeding van € 1 als ongegrond dient te worden afgewezen.

7. Nu de hoofdvordering werd toegekend zijn de vordering in gedwongen tussenkomst en de tegeneis zonder voorwerp.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Voegt de zaak gekend onder AR 2781/88 samen met de zaak gekend onder AR 1747/88;

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond; de vordering in gedwongen tussenkomst en de tegeneis zonder voorwerp;

Vernietigt het dwangbevel;

Veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling van de bedragen die desgevallend inmiddels teveel werden geïnd te vermeerderen met de moratoriumintresten;

Wijst het anders en meer gevorderde af als ongegrond;

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :

aan de zijde van eiseres :

dagvaardingskosten : 3.663 frank en 2.138 frank, omgezet € 90,80 en € 53,00

rechtsplegingsvergoeding : € 334,66

aan de zijde van verweerder :

rechtsplegingsvergoeding : € 334,66

Veroordeelt eiseres in gedwongen tussenkomst tot de kosten van de gedwongen tussenkomst tot dusver begroot als volgt :

aan de zijde van eiseres in gedwongen tussenkomst;

dagvaardingskosten : 6.406 frank en 6.609 frank, omgezet € 158,80 en € 163,83

aan de zijde van verweerster in gedwongen tussenkomst :

rechtsplegingsvergoeding : € 331,66.

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op dertien maart tweeduizend en drie, waar aanwezig waren :

J. D. B., alleenzetelend rechter,

J. D. T., griffier.

J. D. T. J. D. B.

Textes cités

2

Décisions similaires

8