Droit à déduction de l’impôt, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 9 janvier 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-poursuite-instance-tribunal-anvers-2006-01-09-2d6c

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
9 janvier 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

52 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 09.01.2006

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negen januari tweeduizend en zes in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR Nr. 04/3153/A

NV C.-C., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester E. D. B. loco meester F. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Eerstaanwezend Inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 14 mei 2004,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 17 juni 2005,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 12 december 2005.


Een bevoegd ambtenaar heeft in juli 2003 ter zetel van eiseres aangekondigde BTW-controle doorgevoerd over periode 1 januari 2000 tot 31 december 2001.

Hij heeft bepaalde kosten als niet aftrekbaar bestempeld onder artikel 45, § 3, 3° en 4° Wetboek BTW, bij wijze van kosten van logies, spijzen en dranken en kosten van onthaal.

Daarvan heeft hij op 28 november 2003 proces-verbaal opgemaakt en de ontvanger vaardigde op 1 december 2003 dwangbevel op dat op 8 december 2003 uitvoerbaar is verklaard en dat met aangetekende brief van 10 december 2003 ter kennis aan eiseres werd gegeven.

Haar raadsman legde op 14 mei 2004 ter griffie verzoekschrift op tegenspraak met aangehecht afschrift van vermeld dwangbevel plus vermelde brief neer.

Toelaatbaarheid der rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

Ten gronde zetten partijen uiteen dat eiseres, als ontwerpster van zwangerschapskledij, twee maal per jaar modeshows organiseert ten behoeve van uitsluitend haar franchisenemers, zulks ter presentatie van haar nieuwste reeksen.

De organisatie gaat door in een horecazaak en biedt aperitief plus volledige maaltijd inclusief dranken aan, waarna de show aanvat.

Bij de laatste organisaties, in 2001, kregen enkele franchisenemers ook overnachting in hotel aangeboden, naar voorkomt uit oorzaak van hun verwijderde woonplaats.

De fiscale vordering werd begroot op 4.690,64 EUR plus conform KB nr. 41 tot 10 % herleide boete, plus wettelijke intrest krachtens art. 91, § 1 en 91, § 4 Wetboek, plus vervolgingskosten.

De discussie draait rond de vraag of die kosten onder het vermelde artikel 45, § 3, 3° en 4° van het Wetboek van BTW vallen, dan wel of het gaat om aftrekbare reclamekosten.

Zulks vormt bij uitstek een feitenbeoordeling, zoals beklemtoond in Cass. 8 april 2005, rol nr. C020419N.

Uit de te dezen voorliggende gegevens blijkt dat eiseres haar intentie het de franchisenemers zo aangenaam mogelijk te maken rechtstreeks heeft gekoppeld aan haar maatschappelijke en aldus haar onmiddellijke commerciële verkoopsdoel.

In die zin hebben de horecakosten niet zomaar tot doel het de afnemers aangenaam te maken, wel tot doel om in zulk kaderde, weliswaar zekere, afnemers, want erkende franchisenemers, aan te zetten tot een zo hoog mogelijke afname in hoeveelheden en bedragen.

Met andere woorden hadden deze kosten een rechtstreeks verkoop bevorderend doel, zodat ze te dezen niet kunnen worden bestempeld als louter vallend onder art. 45, § 3, 3° en 4° Wetboek BTW, met uitzondering weliswaar van de kosten van 'logies' die dit kader te buiten gaan, en waarover eiseres overigens zeer karig is met informatie ter zake de precieze omstandigheden.

Het is aldus niet bewezen dat het verschafte logies als verrichting te dezen onlosmakelijk deel vormde van het verkoop bevorderende commerciële doel, en stukken liggen hierover evenmin voor.

Het valt ten overvloede op dat logieskosten hoe dan ook pas voor het eerst opduiken als door eiseres gekleefd aan de derde en de vierde van controle deel vormende presentatie, aldus pas voor het jaar 2001, een gegeven waaraan door eiseres geen uitleg wordt besteed.

Per slotsom werden de kosten van logies terecht opgenomen in de fiscale vordering als zijnde niet aftrekbaar (1.912 BEF BTW, lees nu 47,38 EUR, resp.2.353 BEF BTW, lees nu 58,33 EUR, samen 105,71 EUR).

Voor het overige werden de horecakosten te dezen onterecht als niet aftrekbaar bestempeld in en binnen het hogerop geschetste kader der halfjaarlijkse presentaties.

Eiseres dient 1/10 der kosten te dragen, en verweerder 9/10, in verhouding.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, en grotendeels gegrond als volgt,

Verklaart het dwangbevel van de ontvanger der BTW Antwerpen 2, referte Reg. … plus RCIV … uitgevaardigd op 1 december 2003, uitvoerbaar verklaard op 8 december 2003, en aan eiseres ter kennis gegeven met aangetekende brief van 10 december 2003, onwettig in de mate waarin het meer vordert dan 105,71 EUR BTW in hoofdsom, deze som verhoogd met 10 % boete en intrest op deze beide en vervolgingskosten, en verbiedt er in gezegde meerdere mate de uitvoering van,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van elke in uitvoering van het onwettig verklaarde gedeelte van het dwangbevel onterecht ingehouden dan wel betaalde som, zulks meer wettelijke intrest overeenkomstig art. 91, § 4 Wetboek BTW,

Veroordeelt eiseres tot 1/10 der kosten en verweerder tot 9/10 der kosten, deze aan elke zijde begroot in de respectieve conclusies, en door de rechtbank in hun geheel vereffend op 178,48 EUR aan elk zijde,

Stelt vast dat art. 92bis Wetboek BTW de rechtbank beoordeling ontzegt over de door eiseres gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad van het vonnis,

Wijst eiseres af van het meer en van het anders gevorderde.

N. D. L. B.

Textes cités

3
CTVA art. 453 occurrences
CTVA art. 913 occurrences
CTVA art. 92bis1 occurrence

Décisions similaires

8