Droit à déduction de l’impôt, paiement de l'impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 8 juin 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, paiement de l'impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-paiement-tribunal-bruges-2004-06-08-fbbc

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
8 juin 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

116 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 08.06.2004

Résume non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

AR nr. 00/0870/A Rep. nr. 2004/7993

In de zaak van :

de BVBA "A.", met als activiteit anodisatie van aluminium, met zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …, met BTW nr. BE …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meester J. S., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat nr. 12, op vervolging en benaarstiging van :

de heer Inspecteur (ontvanger) van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat nr. 30, en de heer Directeur der AOIF, controlecentrum Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 Roeselare; Rondekomstraat nr. 30

verweerders, hiernagenoemd "verweerder",

vertegenwoordigd door meester F. W., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 11 mei 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de geding inleidende dagvaarding van 13 maart 2000;

2. de conclusie voor verweerder van 5 juni 2001;

3. de conclusie voor eiseres van 2 mei 2002;

4. de conclusie voor verweerder van 9 april 2003 en

5. de conclusie voor eiseres van 27 mei 2003.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is een bedrijf dat aluminium anodiseert. De stukken moeten na anodisatie gepolierd worden. Eiseres heeft daarvoor personeel in dienst.

Daarenboven heeft zij in haar boekhouding voor de boekjaren 1995, 1996 en 1997, 1998 en 1999 facturen ingeschreven die uitgaan van een zekere … uit … waarvan de omschrijving van de verstrekte dienst betrekking heeft op het polieren of afwerken van metalen stukken.

Naar aanleiding van een AOIF-controle is door de belastingadministratie op 26 oktober 1999 aangevoerd dat er aanwijzingen waren van fraude. Daartoe werd op de volgende elementen gewezen :

- de facturen, door de vennootschap zelf opgesteld, zijn niet gedetailleerd.

- sommige facturen zijn niet gedateerd.

- in het jaar 1996 werd tweemaal hetzelfde factuurnummer gebruikt.

- de manier van vereffenen (cash) kadert niet in de normale betalingspolitiek van de vennootschap.

- de kontante betaling van de facturen werd in de boekhouding voorgesteld als bankbetalingen.

- het BTW-nummer van … is geschrapt sinds 1991.

- de nummering van de facturen is niet opeenvolgend, alhoewel de vennootschap zelf de facturen opmaakt.

- de bestelde blanco facturen werden door de drukker rechtstreeks afgeleverd bij de BVBA A..

- heeft verklaard dat hij nooit enig polierwerk heeft verricht voor de BVBA A..

… was tot 1991 zelfstandige en polierde als zodanig metalen stukken.

De zaakvoerders van eiseres hebben ingeroepen dat … in het weekend stukken kwam polieren in hun atelier en dat hij ook soms stukken bij hem thuis polierde.

Daarop ondervraagd heeft … steeds gesteld dat hij geen werk verrichte voor eiseres, maar dat hij, tegen ontvangst van het vermelde BTW-bedrag steeds ingegaan is op het verzoek van eiseres om de op zijn naam voorgeschreven facturen te ondertekenen met zijn handtekening.

Behoudens de reeds hoger geciteerde vaststellingen, bevonden de diensten van verweerder ook nog dat … van 22 april 1998 tot 13 juli 1998 gehospitaliseerd was in het Psychiatrisch Centrum O.L. Vrouw van Vrede te …, terwijl er facturen waren die betrekking hadden op (vermeend) polierwerk in de maanden april, mei, juni en juli 1998.

Op 8 februari 2000 hebben de diensten van verweerder een proces-verbaal opgesteld waarin ze voor de jaren 1995, 1996, 1997, 1998 en 1999 geoordeeld hebben (1) dat de inkomende facturen op naam van … (handelsbenaming "V.") geen verband houden met geleverde goederen of verleende diensten die werden gebruikt voor het verrichten van handelingen bedoeld in artikel 45, § 1, 1 W.BTW en (2) dat de facturen niet voldoen aan de voorwaarden gesteld door artikel 3, § 1 KB nr. 3 van 10 december 1969. Op grond daarvan werden in dat proces-verbaal de volgende bedragen verschuldigd verklaard :

- 35.782,84 euro BTW;

- 71.565,67 euro proportionele boete (200 %) en

- de wettelijke interest op de verschuldigd verklaarde BTW.

Na een bericht van 11 februari 2000 waarin eiseres in gebreke gesteld werd om de verschuldigde bedragen te betalen tegen 11 maart 2000, werd op 12 februari 2000 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 14 februari 2000 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd. Op 15 februari 2000 werd dat dwangbevel aan eiseres per aangetekende brief betekend.

Met een dagvaarding van 13 maart 2000 stelde eiseres haar huidige vordering in.

Op 17 april 2000 heeft de sociale inspectie de personeelsleden van eiseres één voor één ondervraagd. Geen van hen kende …. Op één personeelslid na, was er niemand die ooit gezien of gehoord had dat iemand in het weekend kwam werken in het atelier of stukken meenam om thuis te polieren. De persoon die in die periode als werknemer voor eiseres stukken polierde, een zekere …, had van zijn bazen nog gehoord dat er een persoon was die op zaterdag en zondag stukken kwam halen om ze thuis te polieren. Hij had dat zelf nooit gezien en hij kende geen …. Hij stelt dat hij de maandag zag dat er minder stukken aanwezig waren (dan de vrijdagavond), maar hij wist niet waar die naartoe waren.

2. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank het verzet tegen het genoemde dwangbevel ontvankelijk en gegrond zou verklaren, het dwangbevel nietig, minstens onwettig of ongegrond zou verklaren en zou zeggen voor recht dat aan het dwangbevel geen gevolg mag worden gegeven en terugbetaling zou bevelen van alle sommen die werden geïnd, ingehouden of gecompenseerd.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kon gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vor­ering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

De rechtbank overloopt de verschillende argumenten van eiseres.

2.1. Fictief vs. reëel karakter van de facturen - neutraliteit

Eiseres voert aan dat er vooreerst niet kan betwist worden dat het gaat om diensten die voor haar gebruikt werden voor het verrichten van handelingen bedoeld in artikel 45, § 1, 1° W.BTW. De verstrekking van de diensten door … is volgens eiseres reëel en zij erkent dat het aan haar toekomt daarvan het bewijs te leveren. Omdat het bewijs van de verstrekking van diensten niet zo eenvoudig is als dat van de levering van goederen, moet volgens haar het gevraagde bewijs binnen redelijke grenzen blijven. Zij meent dat het hoegenaamd niet mogelijk is om nog te bewijzen dat … al de betreffende stukken gepolierd en/of afgewerkt heeft.

Eiseres betwist de waarachtigheid van de verklaringen van … en benadrukt dat het een psychiatrisch patiënt is die niets anders zou gedaan hebben dan een verklaring af te leggen in zijn eigen voordeel. Eiseres verwijst in dat verband naar artikel 51, § 1, 1° en 3° W.BTW waardoor … zelf ook de BTW verschuldigd is. Hij zou zich met zijn verklaring hebben willen indekken en dit nadat hij door eiseres zou zijn aangesproken nadat zij zelf door de AOIF-administratie berichten van wijziging van de aangifte in de directe belastingen had ontvangen. Volgens eiseres bevatten de verklaringen van … enkele tegenstrijdigheden.

Eiseres legt verder een stuk voor van een vroegere vriendin van … waarin ze verklaart dat … daadwerkelijk polierwerk deed voor eiseres.

Minstens beroept eiseres zich op de twijfel (in dubio contra fiscum).

Ze verwijst ook naar artikel 25, 2° W.Kh. waarin staat dat koop en verkoop kunnen bewezen worden door een aangenomen factuur, terwijl de facturen ontegensprekelijk aanvaard zijn, door de beide contractanten. Dat is volgens eiseres een wettelijk vermoeden dat door de rechtbank zou moeten gerespecteerd worden.

De rechtbank kan eiseres nochtans niet volgen in haar redenering en conclusies.

Er kan immers geen redelijke twijfel over bestaan dat de betreffende facturen fictief zijn. Dat moet worden afgeleid uit de volgende vaststaande feiten :

- … heeft in 1991 zijn BTW-nummer laten schrappen.

- hij had geen eigen factuurpapier in voorraad; alle facturen die op zijn naam waren gedrukt werden rechtstreeks door de drukker aan eiseres geleverd en cash betaald.

- hoewel hij geen andere klanten meer had en in elk geval geen factuurpapier had dat hij daartoe had kunnen gebruiken, dragen de facturen die door de eiseres werden ingeschreven, geen opeenvolgende nummering.

- de factuur die bij eiseres als nummer van de inkomende facturen het nummer 1991 kreeg en als datum 25 april 1996 draagt voor een bedrag van 155.066 frank draagt het factuurnummer …, terwijl er reeds onder nummer … bij eiseres een inkomende factuur was ingeschreven met als datum 29 maart 1996 voor een bedrag van 119.354 frank.

- hoewel de facturen niet via een bankrekening betaald werden, werd in de dagboeken genoteerd dat de betalingen via de rekeningen van de Generale Bank, de Kredietbank of de BBL gebeurden.

- de factuur met nummer … van 2 juni 1998 vermeldt werken in de maanden april en mei; de factuur met nummer … van 16 juli 1998 vermeldt werken in juni en juli; … was nochtans gehospitaliseerd van 22 april 1998 tot 13 juli 1998.

Het is in dat kader zonder belang dat … een onbetrouwbaar persoon zou zijn wiens verklaring betwistbaar zou zijn omdat hij zichzelf moest indekken. Afgezien van het feit dat de bovenstaande feiten op zich volstaan om het fictief karakter van de facturen aan te nemen, kon … in elk geval niet aan vervolging ontsnappen door een verklaring af te leggen die in wezen niets anders doet dan bevestigen dat hij meegewerkt heeft aan een frauduleus systeem. De verklaring van de vroegere vriendin is verder niet van aard om deze van … dus om het hoger weergegeven vermoeden te weerleggen. Die vriendin stelt in wezen slechts dat … in zijn eigen hok polierde en dat … bij eiseres kwam om een envelop te ontvangen nadat hij met de zaakvoerder van eiseres berekeningen had gemaakt. Nergens stelt zij dat zij ooit zou gezien hebben dat … metalen stukken van bij eiseres meebracht en/of naar haar terugbracht. De verklaring dat … tot driemaal per week 's nachts of in het weekend niet thuis was, houdt nog niet in dat hij bij eiseres aan het polieren was. Haar bewering dat … kort voor en kort na zijn opname in het ziekenhuis bijna nooit thuis was, zou zelfs met de beste wil niet kunnen verklaren dat hij in mei en juni 1998 en zelfs tussen 13 en 16 juli 1998 (datum van factuur nr. …) het werk zou gedaan hebben dat in de facturen met nummers … en … vermeld staat.

Het staat dan ook vast dat de facturen waarop het bestreden dwangbevel gebaseerd is, fictief zijn, met name in die zin dat er geen leveringen van goederen of verstrekking van diensten tegenover staan.

2.2. Neutraliteitsbeginsel

2.2.1. In hoofdorde : facturatie van BTW geeft recht op aftrek, ook al zijn de facturen fictief

Op basis van het neutraliteitsbeginsel voert eiseres aan dat alleen ten nadele van … kan overgegaan worden tot recuperatie van de BTW die de Schatkist gederfd heeft (door de aftrek van de BTW die eiseres heeft uitgevoerd, maar die ze ook aan … heeft betaald). Dat vloeit volgens eiseres voort uit het feit dat artikel 45 W.BTW niet alleen de verschuldigde belasting aftrekbaar stelt, maar ook de 'geheven' belasting. Dat de facturen waar mee die belasting 'geheven' werd fictief zijn, zou het recht op aftrek niet verhinderen.

Deze stelling van eiseres miskent de totaliteit van artikel 45, § 1 W.BTW. Een grondvereiste voor het recht op aftrek die in dat artikel is voorzien, is immers dat er aan de ontvanger van de factuur (hier eiseres) daadwerkelijk goederen geleverd zijn of diensten verstrekt zijn. Zoals hoger al aangenomen, is dat hier niet het geval.

2.2.2. Subsidiair - geen invloed van goede of kwade trouw

Eiseres combineert drie arresten van het Hof van Justitie om te concluderen dat het principe dat de lidstaten de neutraliteit van de BTW moeten garanderen, niet kan afhankelijk gesteld worden van de vereiste dat de opsteller van de factuur (hier …) te goeder trouw was (en dus niet wist dat de facturen fictief waren).

De redenering van eiseres gaat als volgt. In het arrest Genius Holding (H.v.J., 13 december 1989) wordt als principe naar voor gebracht dat, gelet op de neutraliteit van het BTW-stelsel, herziening van de BTW die door de opsteller van de BTW werd aangerekend en doorgestort aan de Schatkist, moest mogelijk zijn als die opsteller te goeder trouw was.

Eiseres erkent dat … niet te goeder trouw kon zijn (wanneer de facturen als fictief beschouwd worden, wat het geval is). Nochtans zouden de arresten Schmeink & Cofreth en M. Strobel (H.v.J., 19 september 2000, C-454/98) gesteld hebben dat de herziening van de BTW door de opsteller van de factuur zelfs mogelijk is wanneer deze niet te goeder trouw is (maar hij tijdig voorkomen had dat de Schatkist nadeel ondervond).

In de zaak Schmeink & Cofreth en M. Stobel heeft het Hof van Justitie inderdaad geantwoord op de vraag of voor de herziening van ten onrechte gefactureerde BTW goede trouw van de opsteller van de factuur is vereist. In de eerste plaats moet eraan herinnerd, dat volgens artikel 21, punt 1, sub c, van de Zesde richtlijn ieder die in het binnenlands verkeer BTW vermeldt op een factuur of een als zodanig dienst doend document, die BTW verschuldigd is. In de tweede plaats blijkt dat de Zesde richtlijn geen enkele bepaling bevat over de herziening van ten onrechte gefactureerde BTW door de opsteller van de factuur. In artikel 20 van de Zesde richtlijn wordt alleen bepaald, onder welke voorwaarden de aftrek van de voorbelasting kan worden herzien bij degenen aan wie de goederen zijn geleverd of voor wie de diensten zijn verricht. In die omstandigheden staat het in beginsel aan de Lid-Staten te bepalen onder welke voorwaarden de ten onrechte gefactureerde BTW kan worden herzien. De verwijzende rechter had opgemerkt, dat de opsteller van de factuur volgens het arrest Genius Holding de ten onrechte gefactureerde BTW slechts kan herzien, indien hij zijn goede trouw aantoont. Opgemerkt kan worden dat in de betreffende zaken waarover de verwijzende rechter moest oordelen, anders dan de zaak Genius Holding, het gevaar voor verlies van belastinginkomsten tijdig en volledig was uitgeschakeld doordat de opsteller van de factuur deze opnieuw in handen kreeg en vernietigde vóór de ontvanger ze had gebruikt, of doordat de opsteller van de factuur, die was gebruikt, het op de factuur afzonderlijk vermelde bedrag heelt voldaan.

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat in dergelijke omstandigheden, waarin de opsteller van de factuur het gevaar voor verlies van belastinginkomsten tijdig en volledig heelt uitgeschakeld, het beginsel van de neutraliteit van de BTW verlangt dat de ten onrechte gefactureerde BTW kan worden herzien zonder dat de Lid-Staten deze herziening afhankelijk mogen stellen van de goede trouw van de opsteller van de factuur. Wanneer de opsteller van de factuur het gevaar van verminderde belastinginkomsten tijdig en volledig heeft uitgeschakeld, is het ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude niet noodzakelijk dat hij zijn goede trouw aantoont.

Wanneer daarentegen, zoals in de zaak Genius Holding, het gevaar voor verlies van belastinginkomsten niet volledig is uitgeschakeld, kunnen de Lid­Staten de mogelijkheid om de ten onrechte gefactureerde BTW te herzien, daarentegen afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de opsteller van de factuur zijn goede trouw aantoont. Het Gemeenschapsrecht belet niet dat de Lid-Staten het opstellen van fictieve facturen waarop ten onrechte BTW wordt vermeld, als een poging tot belastingfraude beschouwen en in een dergelijk geval de naar nationaal recht geldende geldboeten of geldstraffen toepassen.

Uit de bovenstaande analyse die men van de rechtspraak waarop eiseres zich beroept, moet maken, blijkt dus dat het Hof van Justitie niet zonder meer gesteld heeft dat het bewijs van goede trouw geen voorwaarde meer is voor een recht op - door de nationale wet nog uit te werken systeem van - herziening van de door de opsteller van de facturen betaalde BTW : de vereiste van het bewijs van goede trouw is alleen dan onbillijk wanneer de neutraliteit van het BTW-systeem al op voorhand gegarandeerd was, namelijk doordat het gevaar voor verlies van belastinginkomsten tijdig en volledig werd uitgeschakeld door die opsteller van de factuur.

In het onderhavig geval was het gevaar voor verlies van belastinginkomsten hoegenaamd niet tijdig en volledig uitgeschakeld door …. In tegendeel : … heeft de BTW nooit afgedragen aan de Schatkist. In die omstandigheden kan hij ook op geen enkele manier aanspraak maken op een “herziening van BTW die hij heeft betaald”.

Zoals hoger al gesteld, verzet het Gemeenschapsrecht er zich niet tegen dat de Lidstaten het gebruik van fictieve facturen als fraude beschouwen en er zich dan ook niet moeten aan storen dat het neutraliteitsprincipe niet gerespecteerd wordt doordat er tegelijk belasting is ontvangen (door de opsteller van de factuur) en geen recht op aftrek wordt toegestaan (in hoofde van de ontvanger van de factuur).

Eiseres kan er zich dan ook niet op beroepen dat … kan worden aangesproken tot betaling van de BTW die op de facturen vermeld stond, om te ontsnappen aan de terugvordering van de BTW die afgetrokken werd op basis van de fictieve facturen.

Wat de BTW (en de interesten erop) betreft, werd het dwangbevel dan ook met reden gevestigd.

2.3. De boete van 200 %

De rechtbank erkent dat de boete in kwestie, gelijk aan 200 % van de verschuldigde BTW een strafrechtelijk karakter heeft en dat dit met zich brengt dat hij 'met volle rechtsmacht' over die boete kan oordelen. Dat omhelst ook de mogelijkheid om de opportuniteit van de boete te beoordelen.

De overweging van eiseres dat een boete niet zou gepast zijn omdat het een principiële juridische kwestie betreft, is misplaatst : het is eiseres die de zaak als zodanig voorstelt.

De rechtbank stelt immers vast dat eiseres moedwillig, volgens een opgezet systeem, fraude heeft gepleegd. Dat ze de BTW die ze aftrok via haar BTW­aangiften ook daadwerkelijk betaalde aan …, doet daaraan niets af vermits het de losprijs was voor haar systeem. Een boete is dus zeker opportuun.

De rechtbank houdt er evenwel rekening mee dat het effect van het opgezette systeem in wezen zich alleen voordoet bij de directe belastingen. Ook daar stelt eiseres zich bloot aan sancties. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank slechts een boete van vijftig (50) % bovenop de BTW gepast.

In de mate de boete in het bestreden dwangbevel het percentage van 50 overstijgt, is het dwangbevel ongegrond. Er kan terugbetaling worden verleend voor dat deel van de bedragen in de mate ze zouden geïnd of ingehouden zijn.

3. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen. De rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen. Aldus geldt het principe van artikel 1333 Ger. Wb. De rechtbank is van oordeel dat het kantonnement (zie verder) voldoende garanties biedt tegen het risico op de onmogelijkheid tot recuperatie. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.

Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden.

Eiseres laat na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de haar toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger. Wb.).

Dispositif

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

De rechtbank zegt daarom voor recht dat het dwangbevel dat ten nadele van eiseres is uitgevaardigd onder RCIV nr. … op 12 februari 2000, geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd op 14 februari 2000 en met aan aangetekende brief van 15 februari 2000 aan eiseres werd betekend ongegrond is, voor het gedeelte van de proportionele boete dat meer bedraagt dan vijftig (50) % van de verschuldigde belasting.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het ongegrond bevonden gedeelte van het genoemde dwangbevel zouden geïnd of ingehouden zijn, vermeerderd met de wettelijke moratoire interest.

De rechtbank compenseert de rechtsplegingsvergoedingen en verwijst elk van de partijen in hun eigen kosten, in welk geval de rechtbank die kosten niet moet vaststellen.

De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar. bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden aangewend en zonder· dat de uitvoering ervan afhankelijk kan gemaakt worden van een borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op acht juni tweeduizend en vier.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter,

A. V., griffier.

A. V. D. V.

Textes cités

4

Décisions similaires

8