Droit à déduction de l’impôt, paiement de l'impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 24 juin 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, paiement de l'impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-paiement-tribunal-anvers-2009-06-24-169a

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
24 juin 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

69 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 24.06.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vierentwintig juni tweeduizend en negen in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., griffier.

In zake : A.R. Nr. 08/2494/A

J. W., makelaar, geboren op …, wonende te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester J. P., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolgingen benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester L. A. advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 april 2008,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek op 23 mei 2008,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 10 juni 2009.


Gewone commanditaire vennootschap (GCV) 'OAC H. & B.' werd op 1 april 2005 opgericht met als doel het verstrekken van lichaamsverzorging (BTW BE …).

Zij vertoonde in 2007 een BTW-krediet van … Euro, dit uit oorzaak van aftrek in rooster 59 in de aangifte van januari 2007 over het vierde kwartaal van 2006.

Een ter zake BTW bevoegd ambtenaar vroeg in mei 2007 om verantwoordingsstukken.

Daarop werd een notarisakte van 18 december 2006 van aankoop van onroerend goed (hotel te …) voorgelegd, naast een inkomende factuur van 15 december2006 voor aankoop 'van de opstallen van dit gebouw' (dit hotel).

Verkoper en koper hadden hun zetel op hetzelfde kantorenadres te Antwerpen, en ze werden bij de notaris akte vertegenwoordigd door dezelfde persoon als bedrijfsleider, huidig eiser.

De verkoper, NV G. V. H. (BTW BE …) werd bij vonnis van 9 augustus 2007 op dagvaarding failliet verklaard door de rechtbank van koophandel te Antwerpen.

Zij had de op de verkoop verschuldigde BTW niet afgedragen aan de Schatkist.

Zij bleek tussen oprichting en faillietverklaring geen bedrijfsomzet te hebben gehad.

Vermelde ambtenaar stelde op 11 februari 2008 proces-verbaal op ten aanzien van eiseres.

Zij formuleerde daarin navordering op grond van art.51bis, § 4 Wetboek BTW.

Dit wetsartikel gaat als volgt :

"Elke belastingplichtige is hoofdelijk gehouden de belasting te voldoen met de persoon die er krachtens artikel 51, §§ 1 en 2, schuldenaar van is, als hij op het tijdstip waarop hij een handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de betaling van de belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd gedaan of zal worden gedaan met de bedoeling de belasting te ontduiken".

Zij formuleerde in het PV eveneens navordering op grond van art. 45, § 1 Wetboek BTW, dit wegens gebrek aan bewezen gebruik voor een der in dit wetsartikel omschreven doeleinden.

Zij formuleerde hierop ondergeschikt ook nog navordering bij gebrek aan afdoend document, meer bepaald wegens onjuist BTW-nummer van de verkoper door de verkoper op de factuur.

De alzo geformuleerde navordering behelst rechten, wettelijke boete gelijk aan tweemaal de rechten, intrest met ingang van 21 januari 2007 over de rechten.

Dezelfde dag als het proces-verbaal zou de Ontvanger zowel GCV OGC "H. & B." en of huidig eiser hebben uitgenodigd tot betaling van de navordering.

Op 14 maart 2008 vaardigde de Ontvanger dwangschrift uit dat dan op 19 maart uitvoerbaar werd verklaard, en op 26 maart werd exploot van betekening met dwangbevel uitgebracht.

Het dwangschrift is gericht aan de GCV "en samen met haar hoofdelijk en ondeelbaar" ook huidig eiser.

De betekening met dwangbevel is afzonderlijk gedaan aan de GCV en aan huidig eiser.

Raadsman voor eiser legde op 15 april 2008 ter griffie verzoekschrift op tegenspraak neer.

Middels de aldus ingeleide rechtsvordering wordt de fiscale vordering betwist (dit weliswaar met een uiterst vreemde formulering, nu de rechtbank wordt gevraagd 'de nietigverklaring te bevelen' van het dwangbevel).

Middels laatste conclusie doet eiser ook eisuitbreiding tot schadevergoeding.

Ter zitting pleitte verweerder dat deze uitbreiding alvast niet ontvankelijk kan zijn, want als gemeenrechtelijke vordering niet ingeleid middels dagvaarding.

Verweerder dient daarin te worden bijgetreden.

Artikel 700 Gerechtelijk Wetboek gebiedt voor gemeenrechtelijke vorderingen inleiding bij dagvaarding.

De in dit wetsartikel bepaalde nietigheid is te dezen zonder voorwerp nu het niet gaat om de vraag naar al of niet nietigheid van wijze van inleiding, wel vraag naar ontvankelijkheid van een zonder meer niet ingeleide gemeenrechtelijke rechtsvordering.

Bovendien vormt de vordering tot schadevergoeding alhier geen accessorium (vgl. Cass. 8 jan. 2004, R.W. 2004-05, 64) op de hoofdvordering maar wel een nevengeschikte vordering zodat ze noodzakelijkerwijs had moeten zijn ingeleid middels dagvaarding, daarom onontvankelijk dient verklaard (Cass. 27 mei 1994, R.W. 1994-95, 1017 (1022-23)) vaststelling die overigens de Grondwet niet schendt (Arbitragehof, nu Grondwettelijk Hof, nr. 101/06 van 21 juni 2006, B.S. 23 augustus 2006).

Ten gronde - betwisting van de fiscale vordering

De rechtsgrond tot de fiscale vordering blijkt in hoofdorde gelegen in toepassing van het reeds hogerop voluit geciteerde artikel 51bis, § 4 Wetboek BTW.

Dit wetsartikel is te dezen voldaan in hoofde van GCV "OGC H. & B.".

Eiser stelt geen vennoot te zijn van deze GCV.

Verweerder stelt dat eiser onbeperkt aansprakelijk is als zaakvoerder.

Door het feit zelf van zijn, door hem vrijwillig aanvaarde, aanstelling als zaakvoerder (stuk 5 verweerder) blijkt eiser, krachtens art. 202 Wetboek van Vennootschappen, beherend vennoot te zijn geworden nu de GCV immers, vanuit haar essentie, uitsluitend beherende vennoten en stille vennoten kent.

Het anders stellen, zoals bepaalde rechtsleer dat doet, miskent de essentie van deze vennootschapsvorm die een band schept waarbij enkel vennoten kunnen worden gecommanditeerd, en waarbij extern zaakvoerderschap uitgesloten is door de commanditaire aard zelf van (het vermogen van) deze vennootschap.

Dit wetsartikel brengt de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser in die hoedanigheid mee, en uit de feiten blijkt duidelijk het gebrek aan goede trouw in zijn hoger uiteengezet optreden.

Voorts is artikel 203 Wetboek van Vennootschappen te dezen voldaan gelet op het definitieve vonnis van kamer 1F van deze rechtbank van 6 januari 2009 (stuk 7 verweerder).

De verwijzing door eiser naar art.42, 5° Gerechtelijk Wetboek raakt kant noch wal : het is aan hem zelf dat het dwangschrift en de betekening van het dwangbevel zijn gericht, nààst aan de vennootschap, wat meer dan overduidelijk blijkt uit het aan het dwangschrift gehechte proces-verbaal respectievelijk uit het exploot van betekening en dwangbevel.

Partijen hebben elk voor zich standpunt ingenomen ter zake de rechtsplegingvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering enkel toelaatbaar in zoverre ze betwisting van de fiscale vordering tot voorwerp heeft,

Verklaart de aldus beperkt toelaatbare vordering ongegrond,

Veroordeelt eiser tot de kosten,

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder op … (…) Euro bij wijze van rechtsplegingvergoeding.

N. D. L. B.

Textes cités

2
CTVA art. 51bis2 occurrences
CTVA art. 451 occurrence

Décisions similaires

8