Droit de déduction, Factures fictives · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 1er avril 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit de déduction, Factures fictives

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-factures-fictives-tva-cour-appel-anvers-2025-04-01-56d9

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
1er avril 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

59 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 01.04.2025 (Rôle 2023/A/394)

WF 713-15-21/021215 - Finality 54351595

[ Arrêt favorable ]

Taxe sur la valeur ajoutée – Droit de déduction – Factures fictives

Dispositions légales

Articles 45,§ 1 et 60,§ 5 CTVA

Article 5,§ 1, 5° et 6° de l’arrêté royal n°1

Résumé de l’arrêt

1. Faits et antécédents de procédure

Le redevable est enregistré en tant qu'assujetti à la TVA pour l'activité économique des « autres services postaux et de messagerie ».

Lors d'un contrôle, il a été constaté que les factures d'achat des sous-traitants, sur lesquelles le droit à déduction avait été exercé, ne répondaient pas aux exigences formelles et matérielles et n'étaient donc pas probantes. Le droit à déduction a été rejeté et les infractions ont été consignées dans un procès-verbal qui a été notifié. La dette fiscale a été inscrite au registre de perception et de recouvrement. Par requête, le redevable a introduit un recours devant le tribunal de première instance contre la dette fiscale susmentionnée. Le tribunal a jugé que le recours du redevable était recevable mais non fondé.

L'assujetti a interjeté appel contre ce jugement.

2. Arrêt

La cour estime que l'appelant ne démontre pas la réalité des prestations fournies ni le montant des frais à l'aide des pièces justificatives nécessaires. Les factures ne mentionnent pas précisément les prestations fournies et l'adresse du siège social d'un des fournisseurs est erronée. Toutes les factures des différents clients ont la même présentation. Les factures ne précisent donc pas les prestations auxquelles elles se rapportent, et encore moins qu'il s'agit de services de transport réellement fournis. Aucun contrat pouvant justifier la facturation n'est présenté, ni aucun autre document (preuves de paiement, communications entre les parties concernées, etc.) permettant de le démontrer.

L'appelant ne démontre pas non plus que les factures concernées ont été payées. Aucun justificatif de paiement ou reçu n'est présenté, pas plus qu'un livre de caisse. Le fait que les factures aient été « généralement payées en espèces » ne dispense pas l'appelant de son obligation de preuve en la matière. La déduction de la TVA a été rejetée à juste titre.

Texte intégral

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 01.04.2025

(Rolnr. 2023/AR/394)

H.R., RRN …, wonende te …,

Eiser in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. G.E. loco mr. D.S., advocaat te …

tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 27 januari 2023, gekend onder rolnummer 21/1098/A

tegen

BELGISCHE STAAT -FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM MECHELEN 767, met diensten te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22, met correspondentieadres te 9050 GENT, Gaston Crommenlaan 6,

Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is F.T., fiscaal ambtenaar,

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 27 januari 2023 alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 7 maart 2023 en ingeschreven op 8 maart 2023, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Feitelijke en procedurele retroacta.

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op het innings- en invorderingsregister met nummer … d.d. 15 december 2020 en uitvoerbaar verklaard op 16 december 2020 gekend onder schuldnummer … waarbij een bedrag van 9.735,60 EUR als B.T.W. wordt nagevorderd en een boete ten bedrage van 970 EUR, meer nalatigheidsintresten.

Na controle stelde de administratie inbreuken vast op de uitoefening van het recht op aftrek voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017. In het bijzonder was vastgesteld dat de facturen van BVBA J., BVBA S. en M. die betrekking zouden hebben op onderaannemingen inzake koeriersdiensten, onvoldoende gedetailleerde gegevens bevatten om te bepalen of ze beroepsmatig zijn en om de juiste aard en omvang van de ontvangen handelingen te bepalen. Er werd eiser in hoger beroep een correctieopgave toegezonden op 3 november 2020. Op 25 november 2020 werd dienaangaande een proces-verbaal opgesteld ingevolge waarvan een bedrag van 9.735,60 EUR als B.T.W. verschuldigd was meer een geldboete van 10%. De schuld werd op 15 december 2020 opgenomen in het innings- en invorderingsregister.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 9 maart 2021, vorderde eiser in hoger beroep de vorderingen integraal toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het proces-verbaal van regularisatie met kenmerk BE••••.•••.•••/MVDV d.d. 25 november 2020 alsook het innings- en invorderingsregister met nummer … d.d. 15 december 2020 en uitvoerbaar verklaard op 16 december 2020 gekend onder schuldnummer … te vernietigen, minstens te ontheffen en verweerder in hoger beroep te verwijzen in de gedingkosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiser in hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond en veroordeelde hen tot de kosten, niet begroot en vereffend op 0 EUR.

De eerste rechter oordeelde dat de in aftrek genomen B.T.W. op de betwiste facturen terecht werd verworpen en verwees hiervoor naar het feit dat de betwiste facturen niet gedetailleerd zijn (geen vermelding welke pakketten of zelfs helemaal geen omschrijving, geen detail van prijs, geen data waarop de prestaties zouden zijn verricht) en naar de antwoorden en documenten bekomen van POSTNL. Er wordt geen overeenkomst of enige briefwisseling met de onderaannemer voorgelegd. Eiser in hoger beroep beweert dat de facturen cash werden betaald, maar toont niet aan dat de cashverrichtingen werden geregistreerd in enige boekhouding en waarvan de gelden dan wel afkomstig zouden zijn. Evenmin worden ontvangstbewijzen voorgelegd. De eerste rechter verwijst tevens naar de vaststellingen gedaan door verweerder in hoger beroep aangaande de vermelde beweerde onderaannemers. De rechtbank stelde vast dat eiser i i hoger beroep geen afdoende stukken voorleggen die de aard, de hoeveelheid, het belastbaar feit en de werkelijkheid van de beweerde prestaties aantonen en zich beperkt tot loutere beweringen. Aangaande de opgelegde geldboete oordeelde de eerste rechter dat deze in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk.

Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 7 maart 2023 en ingeschreven op 8 maart 2023, hoger beroep ingesteld.

2.De vorderingen in hoger beroep.

2.1. Eiser in hoger beroep vordert huidige zaak als samenhangige zaak te behandelen met de zaak onder rolnummer 2023/AR/588 gelet op hun nauwe verbondenheid, het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en te hervormen en vervolgens opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering van eiser in hoger beroep ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren, dienvolgens het proces-verbaal van regularisatie met kenmerk BE••••.•••.•••/MVDV d.d. 25 november 2020 alsook het innings- en invorderingsregister met nummer … d.d. 15 december 2020 en uitvoerbaar verklaard op 16 december 2020 gekend onder schuldnummer … te vernietigen, minstens te ontheffen, verweerder in hoger beroep te verwijzen in alle gedingkosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.080 EUR per aanleg. In ondergeschikte orde vordert eiser in hoger beroep het dossier naar de bijzondere rol te verzenden in afwachting van de resultaten en inhoud van het gerechtelijk onderzoek naar POSTNL, alsook de sociale strafrechtprocedure, gelet op het pertinente belang van (de inhoud van) dit onderzoek in functie van het verweer en argumentatie door eiser in hoger beroep en eiser in hoger beroep nog voorbehoud te verlenen tot het voorleggen van bijkomende nuttige stukken wanneer deze beschikbaar zouden zijn en daarover nader te concluderen.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en eiser in hoger beroep tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen.

3.Bespreking.

In casu wordt het recht op aftrek geweigerd van de B.T.W. die werd aangerekend in facturen uitgereikt door BVBA J., BVBA S. en M. in 2017. De betrokken vennootschappen zouden reservechauffeurs ter beschikking hebben gesteld aan de heer H.R. wanneer deze niet voldoende eigen chauffeurs had om zijn transportlijnen voor POSTNL te bedienen.

In toepassing van artikel 45, §1, 1° W.B.T.W. mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen, geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Eiser in hoger beroep die het recht op aftrek inroept, dient het bewijs te leveren dat hij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen. Het komt dan ook eiser in hoger beroep toe om aan te tonen dat aan de gefactureerde diensten werkelijke prestaties ten grondslag liggen en dat deze gebruikt worden voor zijn belastbare activiteit.

Eiser in hoger beroep toont de echtheid van de geleverde prestaties en het bedrag van de kosten echter niet aan met bewijsstukken. In casu worden enkel de facturen voorgelegd die werden uitgereikt door BVBA J., BVBA S. en M. De facturen bevatten geen nauwkeurige vermelding van de geleverde prestaties. De facturen van BVBA J., waarop een verkeerde rnaatschappelijke zetel is vermeid, vermelden slechts de maand waarop de prestaties betrekking zouden hebben. De facturen van BVBA S. en M., die overigens dezelfde lay-out hebben, vermelden enkel 'forfait'. Uit de facturen blijkt dan ook niet op welke prestaties ze betrekking hebben, laat staan dat hieruit zou blijken dat het om werkelijk geleverde vervoersdiensten zou gaan. Er worden geen overeenkomsten voorgelegd die de facturatie kunnen staven, noch andere stukken (betalingsbewijzen, communicatie tussen betrokkenen, ...) waaruit zulks zou kunnen blijken. Ingevolge de vervoersovereenkomst tussen de heer H.R. en POSTNL is nochtans de schriftelijke goedkeuring van POSTNL vereist wanneer men een onderaannemer wenst aan te stellen (stuk 2 eiser in hoger beroep).

Eiser in hoger beroep toont bovendien niet aan dat de betrokken facturen werden betaald. Betalingsbewijzen of ontvangstbewijzen worden niet voorgelegd, evenmin als een kasboek. Dat de facturen 'meestal contant' werden betaald, ontslaat eiser in hoger beroep niet van zijn bewijslast ter zake.

Ook de zogenaamde 'dagplanningen' die door eiser in hoger beroep worden bijgebracht als stuk 7 bewijzen de echtheid van de gefactureerde prestaties niet. Behoudens de vaststelling dat deze Iijsten deels betrekking hebben op 2019, is niet bekend door wie de gevoegde Iijsten werden opgesteld. Het betreffen voorts Iijsten met vermelding van de data 17/2/2017, 2/3/2017 en 6/4/2017 zonder dat op enigerlei wijze een Iink kan worden gemaakt met de door de zogenaamde onderaannemers aan de heer H.R. uitgereikte facturen.

Eiser in hoger beroep kan zich ter zake niet verschuilen achter POSTNL, noch achter het korte tijdsbestek waarbinnen, volgens eiser in hoger beroep, met de reservechauffeurs diende te worden onderhandeld. De bewijslast rust immers op eiser in hoger beroep die dient aan te tonen dat aan de gefactureerde diensten werkelijke prestaties ten grondslag liggen. Dat eiser in hoger beroep ter zake te goeder trouw is -er werd een verminderde geldboete van 10% opgelegd-, doet hieraan geen afbreuk. Er is dan ook geen enkele grond om huidige zaak naar de rol te verzenden in afwachting van enig strafonderzoek.

Bij gebrek aan objectief en controleerbaar bewijs dat werkelijke prestaties ten grondslag liggen aan de kwestieuze facturen, werd de aftrek van de B.T.W., aangerekend in deze facturen terecht verworpen in toepassing van artikel 45 W.B.T.W..

Aangezien aldus sprake is van een onjuiste aangifte acht het hof de opgelegde geldboete van 10% in overeenstemming met de wet, gepast en evenredig met de gepleegde inbreuk.


Het hoger beroep van eiser in hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd.

De administratie is in hoger beroep niet vertegenwoordigd door een raadsman. Het hcf begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dan ook op 0 EUR en Iegt deze ten laste van eiser in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg..

Dispositif

4. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof veroordeelt eiser in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Det arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 1 april 2025 door

E. D. Raadsheer

E. C. Griffier

Note du SPF Finances

Référence WF

WF 713-15-21/021215 - Finality 54351595

Les identifiants d'une partie que le SPF Finances laissait en clair (numéro d'entreprise) sont remplacés par des points. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

Textes cités

3
AR no 1 art. 52 occurrences
CTVA art. 452 occurrences
CTVA art. 602 occurrences

Décisions similaires

8