Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 22.03.2021
WF 708-15-20/030274
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Facture – Mentions sur la facture – Amende fiscale – Arrêté du Régent du 18 mars 1831
Dispositions légales
Article 45, § 1er, du Code de la TVA
Arrêté royal n° 41, du 30 janvier 1987, fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée
Résumé
1. Les faits et les antécédents de procédure
L’assujettie est identifiée à la TVA pour l’exercice de l’activité de grossiste de produits chimiques à usage industriel et autre commerce de détail.
Suite à un contrôle effectué chez l’assujettie pour la période courant du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2018, un procès-verbal rapport a été rédigé le 3 mars 2020. Selon l'administration, l’assujettie a déduit indûment de la TVA et elle est tenue de payer la TVA, une amende et des intérêts de retard.
Le 17 avril 2020, un ordre de recouvrement a été émis sur la base de ce procès-verbal. L’assujettie a déposé une requête contre cet ordre de recouvrement auprès du tribunal.
2. Le jugement
i. Le droit à la déduction de la TVA
L’assujettie n’apporte aucune preuve que les prestations de services mentionnés sur les factures ont été effectivement exécutées. Les prestations de services ne sont pas détaillées et aucune explication n'est donnée quant à la manière dont les montants facturés ont été calculés. Les factures du 31 janvier et du 30 mai 2018 mentionnent un acompte alors que les montants avaient déjà été comptabilisés en tant que factures à recevoir le 31 décembre 2016.
C'est un mystère de savoir comment un montant de 120 000 euros est comptabilisé en tant que factures à recevoir le 31 décembre 2016 alors que le contrat est daté du 30 décembre 2016 et a été exécuté bien plus tard.
Le tribunal juge que l’assujettie ne prouve pas à suffisance que les conditions pour opérer la déduction sont remplies. L’assujettie ne prouve pas que les prestations de services mentionnées sur les factures lui ont été effectivement prestées.
ii. L’amende fiscale
Selon la Cour de cassation (Cass. 17 janvier 2019, F.16.0130.F), les cours et tribunaux ne sont pas compétents pour réduire les amendes TVA en dessous des montants prescrits par l'arrêté royal n° 41 si la remise ou la réduction n'a pas été préalablement demandée au ministre des Finances sur la base de l'article 9 de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831.
Rien ne prouve que le demandeur ait d'abord demandé la remise ou la réduction de l'amende en vertu de l'article 9 de l’arrêté du Régent du 18 mars 1831.
Les faits démontrent que les factures sont fictives. L’assujettie est par conséquent de mauvaise foi.
Sur la base de ces constatations et de l'infraction, le tribunal estime que le montant de l'amende administrative fixé par l'administration correspond à une application correcte des dispositions légales et réglementaires concernant les amendes aux faits établis et ce malgré que ce montant calculé en valeur absolue soit relativement élevé. En l’espèce, l’infliction de l'amende est justifiée et elle n’est pas disproportionnée par rapport aux infractions.
Étant donné que la demanderesse n'a pas demandé au préalable au ministre des Finances une réduction ou une remise de l'amende en vertu de l'article 9 de l’arrêté du Régent du 18 mars 1831, le tribunal ne peut pas non plus réduire l'amende en dessous du tarif légal.
Remarque
Le jugement est coulé en force de chose jugée
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer
Vonnis van 22/03/2021
In de zaak : 20/1204/A
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:
S.W.nv (KBO: 0417....75), met zetel te ... eisende partij, voor wie optreedt meester ..., advocaat te ...,
tegen:
de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G, Vincke Dujardinstraat 4, verwerende partij, voor wie optreedt de heer X, attaché, verbonden aan het KMO Centrum BRUGGE, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,....
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 18 mei 2020.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder neergelegde stukken.
De zaak werd met akkoord van partijen zonder pleidooien in beraad genomen op de zitting van 22 februari 2021.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE417..., voor de activiteit van groothandel in chemische producten voor industrieel gebruik en overige detailhandel in nieuwe artikelen in gespecialiseerde winkels. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Na een controle bij eiseres voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2018 en een vraag om inlichtingen, wordt op 3 maart 2020 een proces-verbaal opgesteld. Volgens de administratie heeft eiseres onterecht BTW afgetrokken en is zij verschuldigd als BTW 25.200,00 EUR, als proportionele geldboete 50.400,00 EUR en intresten op het BTW-bedrag. Op 17 april 2020 wordt op basis van dit proces-verbaal een innings- en invorderingsbericht aan eiseres verzonden.
Door eiseres wordt fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18 mei 2020.
2. Eiseres vraagt dat:
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- voor recht wordt gezegd dat de BTW en aankleven niet verschuldigd zijn;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de op grond van de aldus ontheven aanslagen betaalde of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoriumintresten; verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. Recht op aftrek van de BTW
Conform artikel 45 §1,1° W.BTW heeft een BTW-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare diensten.
De bewijslast dat de voorwaarden van artikel 45 §1 W.BTW zijn voldaan, ligt bij de belastingplichtige.
Om het recht van aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige tevens in bezit zijn van de wettelijk vereiste documenten (zoals o.a. facturen uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53 §2 en 53octies W.BTW).
De betwisting betreft 4 facturen opgesteld door de NV Groep-S.W voor een bedrag van in totaal 120.000 EUR plus 25.200 EUR BTW. De prestatie waarvoor gefactureerd wordt bestaan volgens de facturen uit diverse administratie, marketing en verkoop volgens contractuele overeenkomst en voorschotten afrekening op verkoopcommissie.
Het enkele bezit van facturen, bewijst niet afdoende het recht op aftrek. Het bestaan van de facturen bewijst niet afdoende dat de vermelde diensten werkelijk zijn uitgevoerd.
Uit de stukken blijkt het volgende.
De maatschappelijke zetel van de NV Groep-S.W is gevestigd op hetzelfde adres als de maatschappelijke zetel van eiseres. De zaakvoerder van eiseres is de heer W.S.. De heer W.S. is ook gedelegeerd bestuurder van de NV Groep-S.W.
De oprichtingsakte van de NV Groep-S.W werd neergelegd bij de rechtbank van koophandel op 10 november 2017. De vennootschap is voor BTW-doeleinden geregistreerd vanaf 1 januari 2018 voor de activiteit van management. Op het formulier 604a is als datum van aanvang van de activiteiten vermeld 21 december 2017.
In de boekhouding van eiseres staat op 31 december 2016 geboekt 126.600 EUR als te ontvangen facturen. De jaarrekening werd neergelegd op 30 augustus 2017. Volgens eiseres heeft 120.000 EUR van de te ontvangen facturen betrekking op de managementprestaties van de NV Groep-S.W.
De vermelde facturen werden door de NV Groep-S.W opgemaakt op 30 december 2017 (2), 31 januari 2018 en 30 mei 2018.
Eiseres heeft aan verweerder een overeenkomst bezorgd afgesloten tussen eiseres en de NV Groep-S.W. Er wordt vermeld in deze overeenkomst dat deze 'wordt opgemaakt in twee exemplaren te Brugge op datum 30/12/2016'. Op de overeenkomst wordt het ondernemingsnummer van de NV Groep-S.W vermeld {dat pas is toegekend op 10 november 2017). Eiseres erkent dat de overeenkomst niet werd opgemaakt op 30 december 2016. Wanneer dit wel is gebeurd blijkt uit niets, maar het kan ten vroegste vanaf 10 november 2017. De overeenkomst gedateerd op 30 december 2016 wordt voor de NV Groep W.S. ondertekend door mevrouw H.M., ad hoc zaakvoerder. Een bewijs van aanstelling van H.M. als zaakvoerder ad hoc wordt niet neergelegd.
Eiseres legt geen enkel bewijs voor dat de op de facturen vermelde prestaties werkelijk werden verricht. De prestaties zijn niet gedetailleerd en er wordt geen uitleg gegeven omtrent de berekening van de gefactureerde bedragen. Op de facturen van 31 januari en 30 mei 2018 wordt vermeld voorschot, terwijl de bedragen reeds op 31 december 2016 staan geboekt als te ontvangen facturen.
Het is een raadsel hoe op 31 december 2016 een bedrag van 120.000 EUR als te ontvangen facturen wordt geboekt, terwijl de overeenkomst pas werd gedateerd op 30 december 2016 en veel later werd opgemaakt.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres niet afdoende bewijst dat de voorwaarden voor aftrek voldaan zijn. Zij bewijst niet dat de op de facturen vermelde diensten ook werkelijk werden geleverd aan eiseres.
De door eiseres aangehaalde rechtspraak is niet relevant, gezien er geen betwisting is omtrent de werkelijkheid van de gefactureerde diensten.
2. Geldboete
Een geldboete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt (Arbitragehof,24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Volgens het Hof van Cassatie (Cass. 17 januari 2019,F.J.F. 2019,afl. 4,151) zijn de hoven en rechtbanken onbevoegd om BTW-boeten te herleiden tot onder de bedragen die zijn voorgeschreven door het l<B nr. 41 indien niet eerst kwijtschelding of vermindering is gevraagd aan de Minister van Financiën op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
Uit niets blijkt dat eiseres eerst kwijtschelding of vermindering van de geldboete heeft gevraagd op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
Uit de dossier blijkt dat eiseres niet afdoende bewijst dat diensten die worden vermeld op de facturen van de NV Groep-S.W ook werkelijk werden gepresteerd. Eiseres heeft samen met de NV Groep-S.W stukken opgemaakt om de geboekte en gefactureerde bedragen alsnog te verantwoorden. Uit de feiten aangehaald onder punt 1 blijkt afdoende dat de facturen fictief zijn. Eiseres is zodoende ter kwader trouw. De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van de boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken. Gezien eiseres niet eerst vermindering of kwijtschelding van de geldboete heeft gevraagd bij de Minister van Financiën op grond van het Regentbesluit van 18 maart 1831, kan de rechtbank de geldboete ook niet verlagen tot onder het wettelijk tarief.
Indien de rechtbank al in de mogelijkheid zou zijn om uitstel te verlenen wat betreft de geldboete, ziet de rechtbank geen enkele reden om dit uitstel te verlenen. Uit het dossier blijkt ontegensprekelijk dat eiseres ter kwader trouw was. In de huidige stand van de wetgeving zou een uitstel ook definitief zijn, wat niet de bedoeling kan zijn.
Verweerder beschikt reeds over een uitvoerbare titel.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, dient zij in te staan voor de kosten van het geding.
Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en heeft derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG TWEEËNTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EENENTWINTIG waar zitting hadden: ...
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.