Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Anvers du 17.05.2005
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER – Openbare terechtzitting van 17.05.2005
IN ZAKE :
BVBA E. D. M., HR te … nr. …, waarvan de maatschappelijke zetel thans is gevestigd te …, …;
eiseres in voorziening,
vertegenwoordigd door Meester K. S., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën;
verweerder,
vertegenwoordigd door Meester A. v. L. d. J., advocaat te …, …;
Het Hof, na beraadslaging zitting houdende in openbare zitting, wijst het volgend arrest :
Gelet op de tussenarresten van 2 maart 2004 en 2 november 2004.
Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de zesde kamer.
Verweerder heeft een aantal stukken, waarvan de neerlegging werd bevolen, bijgebracht.
Beide partijen handhaven hun standpunt; zoals uiteengezet in eerdere conclusies.
Volledigheid van het administratief dossier
Bij tussenarrest van 2 maart 2004 werd aan verweerder bevolen bij toepassing van artikel 877 Gerechtelijk Wetboek een aantal stukken neer te leggen.
Verweerder heeft deze stukken aan het dossier toegevoegd.
Bij tussenarrest van 2 november 2004 werden de debatten heropend teneinde verweerder toe te laten de nodige stukken en gegevens bij te brengen waaruit blijkt op welke manier de administratie kennis heeft gekregen van het notitienummer van het gerechtsdossier ten laste van C. J..
Verweerder heeft ook deze stukken aan het dossier toegevoegd.
Het administratief dossier is thans volledig en er is geen reden om verweerder te bevelen het volledige strafdossier bij te brengen.
Inzage van het strafdossier
Uit de thans voorliggende stukken blijkt dat de Procureur des Konings te Mechelen bij schrijven van 23 september 1987 aan de administratie van de BTW met toepassing van artikel 74, § 3 BTW-Wetboek ter kennis bracht dat hij het voornemen had vervolgingen in te stellen ten laste van de genaamde C. J.. In dit schrijven werd het notitienummer reeds vermeld.
Bij schrijven van 25 september 1989 heeft de administratie van de BBI, directie Antwerpen, aan de procureur-generaal bij het Hof van beroep te Antwerpen machtiging gevraagd tot inzage en desgevallend om afschrift te nemen van kwestieus gerechtsdossier.
Bij schrijven van 17 oktober 1989 heeft de procureur-generaal de gevraagde toelating tot het nemen van inzage en afschrift verleend en bij schrijven van 19 oktober 1989 van de gewestelijk directeur werden de heer inspecteur derde BBI-Antwerpen en verificateur-accountant C. hiertoe aangeduid.
Artikel 235, § a, 2de lid WIB 64 bepaalt dat van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met de rechtspleging geen inzage mag worden verleend zonder rechtspleging geen inzage mag worden verleend zonder uitdrukkelijk verlof van de procureur-generaal of de auditeur-generaal.
Die bepaling heeft enkel betrekking op de inzage van de daarin vermelde stukken en niet op de mededeling vanwege de betrokken diensten dat er dergelijke stukken zijn.
Er is dan ook geen sprake van schending van artikel 235 WIB 64.
Eiseres voert aan dat artikel 240, 3de lid (artikel 333, 3de lid WIB 92) is geschonden omdat de kennisgeving van uitbreiding van de onderzoekstermijn niet voorafgaandelijk was aan elke onderzoeksdaad aangezien in hetzelfde document een vraag om inlichtingen werd geformuleerd.
In het schrijven van 1 oktober 1990 van derde BBI wordt enerzijds meegedeeld dat de onderzoekstermijn tot vijf jaar wordt uitgebreid en wordt anderzijds aan eiseres gevraagd een aantal inlichtingen te bezorgen.
Een vraag om inlichtingen waarin eerst opgave wordt gedaan van de aanwijzingen van belastingontduiking en waarin dan concrete vragen worden gesteld, is wel degelijk een geldige kennisgeving, aangezien uit de voorschriften van artikel 240, 3de lid WIB 64 niet volgt dat een kennisgeving die een vragenlijst voorafgaat niet rechtsgeldig zou zijn wanneer deze in hetzelfde document is opgenomen.
In tegenstelling tot hetgeen eiseres voorhoudt is de inzage en/of het afschrift nemen van een strafdossier geen onderzoeksdaad is in de zin van artikel 240, 3de lid WIB 64 en is voor de inzage dan ook geen voorafgaande kennisgeving vereist.
Er is dan ook geen sprake van enige schending van artikel 240, 3de lid WIB 64.
Artikel 246 WIB 64 / artikel 340 WIB 92
Krachtens artikel 246 WIB 64 kan de administratie, ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld, alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met uitzondering van de eed.
Te dezen heeft de administratie zich voor de bepaling van de vermeende meerwinst in hoofde van eiseres gesteund op feitelijke vermoedens.
Eiseres voert aan dat de administratie niet is uitgegaan van op het ogenblik van het vestigen van de aanslag bekende en vaststaande gegevens, dat de administratie zich bezondigt aan een ongeoorloofde opeenstapeling van vermoedens en dat de administratie zich ten onrechte beroept op het gezag van gewijsde dat zou verbonden zijn aan de uitspraak in strafzaken.
Wanneer, zoals in casu, een aanslag van ambtswege werd gevestigd, dient ingeval van bezwaar de belastingplichtige het bewijs te leveren van het juiste bedrag van zijn belastbare inkomsten. De belastingplichtige heeft evenwel het recht de vernietiging van de aanslag te vragen indien hij het bewijs levert dat de belastbare grondslag willekeurig werd bepaald omdat de administratie een rechtsdwaling heeft begaan of op onjuiste feiten heeft gesteund of uit juiste feiten gevolgtrekkingen heeft afgeleid die niet worden verantwoord.
Krachtens artikel·1349 Burgerlijk Wetboek zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt tuit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.
Voor vermoedens - als bewijstechniek - is het essentieel dat het bekend feit of de bekende" feiten ook werkelijk bekend zijn, dit wil zeggen dat het een feite of feiten betreft die buiten kijf staan of waaromtrent geen betwisting kan bestaan nopens de materiële werkelijkheid.
De administratie is uitgegaan van het gegeven vastgesteld bij de genaamde C. J. naar aanleiding van een huiszoeking, met name dat door voornoemde C. J. prestaties werden geleverd die door eiseres niet werden gefactureerd, welk feit in se door eiseres niet wordt betwist.
Uit de gegevens van het strafdossier en met name uit de in beslag genomen stukken is gebleken dat in 1985 door eiseres voor … BEF slijplonen werden betaald aan C. J., terwijl uit een door eiseres zelf meegedeelde opgave (in antwoord op de vraag om inlichtingen van 01.10.1990) blijkt dat slechts … BEF slijplonen werden geboekt als betaald aan de heer C. J. (in de kennisgeving van aanslag van ambtswege werd bij materiële vergissing - in het voordeel van eiseres - een bedrag van … BEF vermeld aIs gefactureerde slijplonen).
Derhalve is de administratie uitgegaan van een bedrag van … BEF niet geboekte slijplonen.
Dit is wel degelijk een bekend en vaststaand feit.
Eiseres stelt dat de administratie niet kan steunen op het vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen van 18 januari 1991, waarin eiseres als burgerlijk aansprakelijke partij werd veroordeeld en waartegen zij geen hoger beroep heeft aangetekend, doch de administratie heeft dit vonnis, dat werd gewezen na de inkohiering van de betwiste aanslag, niet aangehaald om de overeenkomstig artikel 246 WIB 64 gehanteerde bewijsmethode te verbeteren of aan te vullen, maar als bevestiging dat het aan het strafdossier ontleende gegeven van de zwarte lonen terecht als zeker en vaststaand werd aangezien.
Uit het bekende en vaststaande feit van het bestaan van … BEF niet geboekte slijplonen, heeft de administratie besloten tot een bruto-meerwinst van … BEF. Deze winst werd berekend volgens hetzelfde winstpercentage per karaat als de winst verwezenlijkt op de geboekte slijplonen volgens de aangifte, eveneens een bekend feit.
Een feitelijk vermoeden toont op wettige wijze het bestaan aan van de belastbare grondslag indien het, uitgaande van vaststaande feiten en van bestaande gegevens, door middel van een logische redenering, een gegeven afleidt dat daaruit kan volgen.
De afgeleide gegevens moeten voor verantwoording vatbaar zijn en moeten in verband staan met de bekende gegevens waaruit zij zijn afgeleid.
Te dezen dient dan ook vastgesteld te worden dat de administratie artikel 246 WIB 64 op juiste wijze heeft toegepast.
Artikel 132 WIB 64
In de kennisgeving van aanslag van ambtswege heeft de administratie het voornemen aangekondigd de meerwinst te zullen onderwerpen aan de bijzondere aanvullende aanslag voorzien in artikel 132 WIB 64.
In de betwiste aanslag werd het bedrag van … BEF onderworpen aan de bijzondere aanslag op geheime commissielonen.
Eiseres houdt voor dat niet voldaan is aan de toepassingsvereisten van artikel 132 WIB 64.
In toepassing van voormeld artikel 132 WIB 64 wordt een bijzondere aanvullende aanslag gevestigd over de niet bewezen lasten of bedragen die ingevolge de artikelen 47, § 1 en 101 van dat wetboek in de belastbare grondslag zijn opgenomen.
Om geldig de bijzondere aanslag op geheime commissielonen te kunnen vestigen, is het niet voldoende dat de administratie, zoals te dezen, het bestaan bewijst van een verborgen winst; zij moet ook bewijzen dat deze bijkomende winst het patrimonium van de vennootschap heeft verlaten en dat zij gediend heeft om een uitgave te doen in de zin van de artikelen 47, § 1 en 101·'WIB 64, de administratie kan dit bewijs leveren door vermoedens en in voorkomend geval kan de vennootschap deze vermoedens enkel weerleggen door aan te tonen dat de bijkomende winst in haar patrimonium is gebleven.
De vastgestelde meerwinst heeft het patrimonium van eiseres verlaten zonder dat de begunstigde ervan overeenkomstig artikel 47 WIB 64 geïdentificeerd werd, wat af te leiden is uit het feit dat die bewimpelde meerwinst niet in de boekhouding werd opgenomen, ook niet onder de bestanddelen van de balans van de vennootschap terug te vinden is en evenmin kan teruggevonden worden onder de bestanddelen die deel uitmaken van het vermogen van eiseres.
Dergelijke meerwinst is gelijk te stellen met geheime commissielonen.
Eiseres toont niet aan dat die bijkomende winst in haar vermogen is gebleven of werd uitgekeerd aan geïdentificeerde personen.
Artikel 132 WIB 64 werd terecht en op juiste wijze toegepast.
De belastingverhoging
Eiseres voert aan dat ten onrechte een belastingverhoging van 50 % werd opgelegd, vermits niet voldaan is aan de motiveringsverplichting en omdat de opgelegde belastingverhoging artikel 6 EVRM en artikel 14 BUPO-verdrag schendt.
In de kennisgeving van aanslag van ambtswege werd niet aangekondigd dat een belastingverhoging zou worden toegepast. De niet aankondiging van deze belastingverhoging schendt artikel 256, 2de lid WIB 64 en schendt bovendien artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 (charter van de belastingplichtige) dat weliswaar enkel een motiveringsplicht oplegt ten aanzien van administratieve boeten, doch ook van toepassing is ten aanzien van belastingverhogingen (Arbitragehof 18 april 2001).
De aanslag dient dan ook te worden vernietigd in de mate dat een belastingverhoging werd toegepast.
Besluit
De voorziening is slechts gegrond voor zover ze betrekking heeft op de opgelegde belastingverhoging en voor het overige ongegrond.
Eiseres wordt veroordeeld tot ¾ en verweerder tot ¼ van de kosten, zoals hierna overeenkomstig artikel 392 WIB 92 begroot.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak, de tussenarresten van 2 maart 2004 en 2 november 2004 verder uitwerkend en na herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel,
Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935.
Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer D. W..
Verklaart de voorziening gegrond met betrekking tot de belastingverhoging en ongegrond met betrekking tot het overige.
Doet de betwiste aanslag teniet in de mate dat een belastingverhoging werd opgelegd.
Beveelt de herberekening van de aanslag en veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de ten onrechte geïnde bedragen, te vermeerderen met de moratoriumintresten.
Veroordeelt eiseres tot ¾ en verweerder tot ¼ van de kosten, begroot op aan de zijde van :
eiseres
(orig. + kopie : … + rollen : …) : … EUR,
verweerder
nihil.
Aanwezig :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
P. H., Raadsheer;
A. v. R., Plaatsvervangend Raadsheer;
A. v. L., Griffier.
A. V. L. A. V. R. P. H. D. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.