Disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 5 février 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-tribunal-bruxelles-2009-02-05-3ab9

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
5 février 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais

Le texte de ce document est en néerlandais.

Texte

61 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 05.02.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 36ste Kamer

AR 2006/5657/A

- BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De BV V. B. B., met maatschappelijke zetel te …, …, …, met als aansprakelijk vertegenwoordiger in België de NV S., met maatschappelijke zetel te …, … en met ondernemingsnummer …;

eisende partij,

Vertegenwoordigd doof Mr. V., advocaat te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de heer eerstaanwezend inspecteur van het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, dienst Controle, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, J. Stevensstraat 7;

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. D. S. loco Mr. D., advocaat te …, …,

In deze zaak, in beraad genomen op 15/01/2009, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

- het verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek, neergelegd ter griffie op 08/05/2006;

- de beschikking tot regeling van conclusietelmijnen en bepaling van de rechtsdag overeenkomstig artikel 750, § 2 en 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 14/03/2007;

- de conclusie en syntheseconclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 21/11/2006 en 26/11/2008;

- de conclusie en 'nieuwe conclusie' van eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 08/12/2006 en 16/10/2008;

- de stukken voor verweerder, neergelegd zitting op 15/01/2009.

De raadslieden van partijen werden gehoord in openbare zitting, waarna één bundel met stukken werd neergelegd en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

1. De BV V. H. B. is een in … gevestigde belastingplichtige die sedert 01/01/1993 over een aansprakelijke vertegenwoordiger in België beschikt, met nam de NV S..

Naar aanleiding van een controle werd de volgende inbreuk op de BTW-wetgeving in hoofde van eiseres vastgesteld (dewelke ook niet wordt betwist). Eiseres deed geen opgave in vak 56 van haar BTW-aangifte van BTW ten belope van 117.248,13 euro. Het betrof hier BTW voor werken waarbij de BTW ten laste wordt genomen door de mede-contractant (art. 20 K.B. nr. 1). In dezelfde correctieopgave werd ook vastgesteld dat voor dit zelfde bedrag een compensatie werd toegestaan. De verschuldigde BTW was aldus 0 euro.

Er werd eiseres in toepassing van artikel 70, §1bis BTW-wetboek en het KB nr. 41 een proportionele boete van 20 % opgelegd, zijnde 23.440,00 euro afgerond.

De aansprakelijke vertegenwoordiger in België van verweerder liet weten de vaststellingen niet te betwisten in een brief van 02/12/2005. De opgelegde boete werd wel betwist.

Eiseres verzocht vervolgens om een kwijtschelding van de boete. Als gevolg hiervan werd een vermindering van deze boete tot 11.720,00 euro toegestaan (medegedeeld per brief van 14/03/2006).

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

2. De vordering van eiseres strekt ertoe de opgelegde boete volledig kwijt te schelden en de terugbetaling te bevelen van de bedragen die wederrechtelijk werden geïnd.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

3. BEOORDELING

3.1. De ontvankelijkheid

3. Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres niet, noch bemerkt de rechtbank ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid. De vordering van eiseres is ontvankelijk.

3.2. Ten gronde

4. Over de onderliggende feiten is geen betwisting tussen partijen. Eiseres had in haar BTW-aangifte geen aangifte gedaan van de BTW op een aantal facturen dewelke onderworpen waren aan het systeem van art. 20 KB nr. 1 (met name dat de BTW ten laste wordt genomen door de mede-contractant, in casu eiseres). In dergelijk geval dient de aannemer de BTW op te nemen onder vak 56 van de aangifte, doch kan deze de BTW onmiddellijk in dezelfde aangifte terug compenseren met de zelf betaalde BTW.

Het betreft hier dus een nuloperatie, hetgeen niet ter discussie staat.

Op basis van artikel 70, § 1 BTW-wetboek wordt "[v]oor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, [...] een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde heffing". In tegenstelling tot wat verweerder meent, kan deze bepaling evenwel geen grond vormen voor het opleggen van een boete wegens een loutere inbreuk op de BTW-reglementering. Een proportionele boete kan blijkens de termen van dit artikel slechts opgelegd worden indien er ook effectief BTW verschuldigd is ener dus een heffing ontdoken is of niet tijdig betaald.

De plicht om de belasting, zoals van toepassing in huidig geding, te voldoen ontstaat ingevolge artikel 20, § 1 en § 4 van het KB nr. 1 door opname in de aangifte in het tijdvak waarin de belasting verschuldigd wordt. Het recht op aftrek bestaat evenwel ingevolge artikel en 2 van het KB nr. 3 op hetzelfde moment, met name het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt. Nu in casu geen aftrek ten onrechte werd gedaan, noch het recht op aftrek wordt betwist, was de correctieopgave een loutere nuloperatie en ontstond er geen verplichting om een bepaald bedrag aan BTW te voldoen, noch is er sprake van enige ‘ontdoken of niet tijdig betaalde heffing’. Verweerder legde dan ook ten onrechte een proportionele boete op.

Nu de vordering van eiseres tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW niet specifiek wordt betwist, is de vordering van eiseres volledig gegrond. De overige middelen dienen niet onderzocht te worden.

4. WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN

5. Nu de vordering van eiseres gegrond is worden de kosten van het geding ten laste van verweerder gelegd.

Op basis van de waarde van het geschil kan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op 1.100,00 euro. Eiseres verwijst in haar besluiten ten onrechte naar een rechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 euro. Huidige vordering is in geld waardeerbaar, met name de opgelegde boete.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond.

Doet de aan eiseres opgelegde administratieve boete van 11.720,00 euro, gekend onder het refertenummer RCIV nr. …, zoals verminderd bij beslissing van 14/03/2006, teniet.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van de ten onrechte op deze basis geïnde sommen.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot 1.100,00 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 05 februari 2009

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer J. V. B., toegevoegd rechter

Mevrouw I. K., afgevaardigd griffier

I. K. J. V. B.

Textes cités

2
AR no 1 art. 203 occurrences
CTVA art. 702 occurrences

Décisions similaires

8