Disposition pénale, amende administrative, droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 6 septembre 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-droit-tribunal-kortrijk-2004-09-06-28e5

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
6 septembre 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

191 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Courtrai du 06.09.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER FISCAAL MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN.

In de zaak AR nr. 98/1837/A – 250

NV B., verhuurmaatschappij

- met zetel te …, …

- tot 30/06/2003 ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …

- EISERES,

- vertegenwoordigd door en pleitend Mr. S. V. loco Mr. G. D., advocaat te …, …, (ref. 9714)

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde

- vertegenwoordigd door de heer ontvanger van het Tweede BTW-ontvangkantoor,

- met kantoren gevestigd te 8500 Kortrijk Hoveniersstraat 31

- VERWEERDER,

- vertegenwoordigd door en pleitend Mr. F. W., advocaat te …, …, (ref. RD 760).

I. Vorderingen en standpunten.

A. De NV B.

1. Bij dagvaarding op 1 oktober 1998 betekend aan de Belgische Staat leidde de NV B. de zaak in.

Zij vorderde :

- te zeggen voor recht dat de betekening-bevel van 4 augustus 1998 met het dwangbevel van 24 juli 1998 ongegrond is en zij zich verzet tegen het bevelschrift en het dwangschrift en vordert dat dit ongegrond en zelfs nietig zou worden verklaard;

- dienvolgens vraagt zij ontlast te worden van de vordering van de gevorderde bedragen;

- zij maakt voorbehoud overeenkomstig artikel 807 Ger. W. om de vordering te wijzigen, aan te passen of uit te breiden gedurende de procedure, ook voor het vorderen van de passende schadevergoeding en eventuele dwangsommen gezien, zoals uiteengezet in het motiverend gedeelte, de Administratie ten onrechte bedragen inhoudt, zelfs tegen een in het motiverend gedeelte vermeld Arrest van het Hof van Beroep [van 18 maart 1998];

- dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement.

2. In haar conclusie neergelegd ter griffie op 30 oktober 2001 vorderde zij het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond te verklaren.

3. In haar conclusie neergelegd ter griffie op 6 juni 2003 handhaafde zij haar vordering.

B. De Belgische Staat.

1. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 30 november 1998 nam de Belgische Staat een standpunt in ten opzichte van de vordering van de NV B..

De Belgische Staat vroeg

- het verzet van de NV B. onontvankelijk en ongegrond te verklaren;

- de NV B. te veroordelen tot de kosten van het geding.

2. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 11 januari 2002 handhaafde hij zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

3. In zijn conclusie neergelegd ter griffie op 1 september 2003 handhaafde hij zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

ll. Feitelijke gegevens.

1. De NV B. B. werd opgericht bij akte verleden voor notaris V. te … op 24 mei 1976.

Bij akte verleden voor notaris V. op 29 maart 1983 werd de maatschappelijke benaming van de NV B. B. gewijzigd in NV B. en het maatschappelijk doel uitgebreid.

Voortaan behoorde ook de verhuur van auto's tot het maatschappelijk doel van de vennootschap.

2. De NV BLF-R. werd opgericht bij akte verleden voor notaris V. op 28 november 1991.

Oprichters waren : de NV B. en de consoorten L. en B. De NV B. deed een inbreng in natura: zij bracht 11 wagens in.

3. Bij dagvaarding op 19 september 1991 betekend tekende de NV B. verzet aan tegen het dwangbevel op 22 augustus 1991 uitgevaardigd, op 30 augustus 1991 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 12 september 1991 aan haar betekend.

Bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 20 februari 1995 werd het verzet ontvankelijk verklaard, maar afgewezen als ongegrond en het bestreden dwangbevel bevestigd.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 21 april 1995 tekende zij hoger beroep aan tegen dit vonnis.

Bij arrest van het Hof van Beroep te Gent van 18 maart 1998 werd het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard en het bestreden vonnis bevestigd.

4. Op 21 oktober 1994 voerde een ambtenaar van de BTW-administratie een controle uit bij de NV B. inzake de toepassing van de BTW­reglementering tijdens de periode van 1 januari 1990 tot 31 december 1993.

Op 28 oktober 1994 maakte hij een proces-verbaal op.

Dit proces-verbaal vermeldde onder meer :

"... Bij toepassing van artikel 45, §2 van het BTW-Wetboek is de BTW geheven op automobielen voor personenvervoer en ten aanzien van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen ten hoogste voor 50 procent aftrekbaar. Krachtens artikel 45, § 2, a is die bepaling niet van toepassing op voertuigen om te worden verhuurd door een onderneming van wie de beroepswerkzaamheid bestaat specifiek in de verhuur van automobielen (leasing daaronder begrepen).

Wanneer de vennootschap slechts auto's verhuurt aan een zustermaatschappij, kan de uitzonderingsbepaling geen toepassing vinden en geldt het aftrekplafond van 50 procent.

De uitzonderingsbepaling van artikel 45, § 2,a kan alleen maar ingeroepen worden door de eigenlijke verhuurondernemingen stricto sensu, dat wil zeggen door ondernemingen welke naar buiten uit gekend zijn als verhuurders van auto's en hun diensten aanbieden aan het publiek in het algemeen, derwijze dat al wie een personenauto wenst te huren daarvoor bij de betrokken onderneming terecht kan.

De contracten in verband met verhuur van personenauto's werden derhalve enkel afgesloten met gelieerde ondernemingen in de ruime zin van het woord.

Op het adres van de maatschappelijke zetel was geen aanduiding van de naam van de vennootschap met vermelding van de aard van haar werkzaamheid (o.a. verhuur van personenwagens); bovendien is de NV B. niet opgenomen in de Handels- en beroepengids voor West­Vlaanderen (Gouden Gids) onder de rubrieken "auto's - verhuur op lange termijn", "auto's - verhuur zonder chauffeur" en "auto's - leasing".

Op alle hierna vermelde inkomende fakturen werd de BTW volledig afgetrokken op leveringen en diensten met betrekking tot automobielen voor personenvervoer.

…

Samenvatting der verschuldigde rechten :

jaar 1990 : … BEF [- thans … euro]

jaar 1991 : … BEF [- thans … euro]

Totaal : … BEF [- thans … euro].".

Volgens dit proces-verbaal is de NV B. verschuldigd aan de Belgische Staat administratie BTW :

- BTW : … BEF [in werkelijkheid : … BEF - thans … euro];

- boete op grond van artikel 70, § 1 bis van het BTW-Wetboek : … BEF - thans … euro;

- de interesten overeenkomstig artikel 91, § 1 van het BTW-Wetboek.

Op 30 mei 1995 ondertekende de heer E. L., bestuurder van de NV B., een akte van afstand aan de verlopen tijd van verjaring.

Op 20 juli 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, op 22 juli 1998 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 24 juli 1998 aangetekend ter kennis gebracht aan de NV B..

Op 4 augustus 1998 deelde de administratie mee dat de NV B. over een bijkomende termijn van 2 maanden beschikte om verzet aan te tekenen tegen het dwangbevel.

Op 1 oktober 1998 tekende de NV B. verzet aan tegen dit dwangbevel.

III. Stellingen van de partijen.

A. De NV B.

1. De argumentatie die de NV B. in de dagvaarding ontwikkelt, kan samengevat worden als volgt :

Zij is niet akkoord met de stelling dat zij enkel zou verhuren aan een zustermaatschappij.

Zij heeft duidelijk aangetoond aan de administratie dat ook andere personen en vennootschappen van deze diensten gebruik maken. Het is onjuist dat zij zich niet zou wenden tot het publiek.

Uit de publicaties en publiciteit die zij voorlegt, blijkt dat drukwerk werd besteld voor verspreiding.

Wat betreft het aantal verhuurde wagens : nergens in de fiscale wetgeving is een aantal wagens bepaald.

De administratie blokkeert een bedrag tegen het arrest van 18 maart 1998 in.

De uitspraak van het arrest heeft alleen betrekking op de periode 1 juli 1984 tot 31 december 1987.

2. De argumentatie die de NV B. in haar conclusie neergelegd ter griffie op 30 oktober 2001 ontwikkelt, kan samengevat worden als volgt :

De periode waaromtrent thans de betwisting gaat, is de periode van 1 juli 1984 tot 31 december 1987 [in werkelijkheid: 1 januari 1990 tot 31 december 1993].

De NV B. beroept zich op de uitzonderingsbepaling van artikel 45, § 2,a BTW-wet om 100 % aftrek toe te passen, gezien de aktiviteit van de NV B.

Daartoe zijn slechts 2 voorwaarden vereist, namelijk :

1) het moeten voertuigen zijn die bestemd zijn om te worden verkocht of verhuurd;

2) door een belastingplichtige die een beroepswerkzaamheid uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van voertuigen.

Zij is wel degelijk een vennootschap die zich bezighoudt met de verhuur van voertuigen.

Zij verhuurt aan derden.

Conform artikel 126 Wet inkomstenbelasting gaat het niet om zustervennootschappen, zodat de verhuring effectief aan derden, zoals voorgeschreven in het wetboek BTW, is voltrokken.

Bovendien werd een tractor verhuurd aan derden.

Zij richt zich tot het publiek, wat blijkt uit de publicaties en publiciteit die door haar werden naar voor gebracht, zowel van 1986 en het drukwerk van 1988.

De bestemming van de wagens zelf leidt noodzakelijkerwijze tot het bestaan van de verhuuractiviteit.

3. De argumentatie die de NV B. in haar conclusie neergelegd ter griffie op 6 juni 2003 ontwikkelt, kan samengevat worden als volgt :

De voorwaarden opdat het Arrest van het Hof van Beroep te Gent onmiddellijk toegepast zou moeten worden, zijn niet vervuld.

Sedert 1997 is aan de voorwaarden van artikel 45 voldaan.

Het wagenpark van BLF-Renting bestaat op heden uit 58 voertuigen.

Deze voertuigen worden alle verhuurd aan derden.

Er wordt actief publiciteit gevoerd, onder meer in de Gouden Gids,

Ondernemen en Impuls.

B. De Belgische Staat.

1. De argumentatie die de Belgische Staat in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 30 november 1998 ontwikkelt, kan samengevat worden als volgt :

Onderhavig geschil heeft betrekking op de gecontroleerde periode van 1 januari 1990 tot 30 september 1991.

Een identieke betwisting, maar dan betreffende de periode van 1 juli 1984 tot 31 december 1987, werd reeds door de NV B. voor de Rechtbank gebracht en leidde tot volgende uitspraken :

vonnis van 20 februari 1995 van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk;

het verzet van de NV B. werd ontvankelijk maar ongegrond verklaard;

arrest van 18 maart 1998 van het Hof van Beroep te Gent;

de NV B. tekende beroep aan tegen het vonnis op 19 april 1995, maar het Hof verklaarde op 18 maart 1998 het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden vonnis.

De NV B. brengt in onderhavige procedure dezelfde argumenten en stukken naar voor.

De uitzonderingsbepaling, vastgelegd in artikel 45, §2, a BTW-Wetboek, is enkel van toepassing op belastingplichtigen die een beroepswerkzaamheid uitoefenen die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen.

Terzake verstrekte het Hof van Beroep te Brussel in zijn arrest van 24 november 1987 een definitie van de belastingplichtige die zich kan beroepen op hogergenoemde uitzonderingsbepaling met betrekking tot de verhuur van personenwagens.

Het stelde dat artikel 45, § 2, a BTW-Wetboek enkel kan worden ingeroepen door eigenlijke verhuurondernemingen dewelke naar buiten uit gekend zijn als verhuurders van auto's en hun diensten aanbieden aan het publiek in het algemeen, derwijze dat al wie een personenauto wenst te huren daarvoor bij dergelijke onderneming terecht kan.

Deze definitie van een eigenlijke verhuuronderneming werd opnieuw bevestigd in het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 18 januari 1993, in het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 24 december 1993 en in het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 21 september 1994.

De Belgische Staat legt hierbij de afgesloten huurovereenkomsten voor met betrekking tot de gecontroleerde periode.

Daaruit blijkt dat de NV B. slechts personenwagens heeft verhuurd aan 2 bedrijven, namelijk de NV K. L.-B. en de PVBA C. E..

Er is geen wijziging ten opzichte van de vorige zaak.

De stukken met betrekking tot de publiciteit die de NV B. voorlegt, zijn dezelfde als deze die werden naar voor gebracht in het geschil betreffende de periode van 1 juli 1984 tot 31 december 1987.

De NV B. brengt in huidige procedure geen enkel nieuw gegeven of stuk naar voor waaruit zou blijken dat publiciteit wordt gevoerd naar buiten uit.

Op het adres van de maatschappelijke zetel van de NV B. is er geen aanduiding van de naam van de vennootschap met vermelding van de aard van haar werkzaamheid (o.a. verhuur van personenwagens).

De NV B. is niet opgenomen in de Handels- en Beroepengids voor West-Vlaanderen (Gouden Gids) onder de rubrieken "auto's - verhuur op lange termijn", "auto's - verhuur zonder chauffeur" en "auto's - leasing".

De NV BLF-Renting is wel te beschouwen als een verhuuronderneming in de strikte zin van het woord.

De NV BLF-Renting heeft echter, behalve een inbreng, niets te maken met de NV B..

De Belgische Staat ziet niet waar hij een motivering qua aantal personenwagens zou hebben aangewend.

Uit de bovenstaande elementen blijkt dat de feitelijke omstandigheden waarin de bedrijvigheid wordt uitgeoefend, niet gewijzigd zijn ten opzichte van de periode van 1 juli 1984 tot 31 december 1987, waarover het Hof van Beroep te Gent op 18 maart 1998 uitspraak heeft gedaan.

De inhoudingen die de NV B. in de verzetsakte betwist, hebben geen betrekking op de vordering die in de huidige procedure aangevochten wordt.

2. De nieuwe argumentatie die de Belgische Staat in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 11 januari 2002 ontwikkelt, kan samengevat worden als volgt :

De conclusie van de NV B. van 29 oktober 2001 is volledig identiek aan de conclusie die door haar werd neergelegd op 24 februari 1996 voor het Hof van Beroep te Gent.

In deze zaak werd dezelfde betwisting gevoerd, maar dan voor de periode van 1 juli 1984 tot 31 december 1987.

In casu is het essentieel dat de NV B. gedurende de gecontroleerde periode enkel aan verbonden ondernemingen personenwagens heeft verhuurd, zodat, ondanks beschouwingen van de NV B. omtrent het feit dat de klanten-huurders geen zustervennootschappen in de zin van het Wetboek van Inkomstenbelastingen zijn, niet kan geponeerd worden dat de NV B. een eigenlijke verhuuronderneming was die haar diensten naar buiten aanbood aan het publiek in het algemeen.

De NV B. verhuurt bedrijfsgebouwen, zij verhuurt personenwagens en zij factureert administratiekosten door aan verbonden ondernemingen. Op de verhuur van de tractor na, verricht zij geen handelingen met "derden", waarmee geen band bestaat.

3. De nieuwe argumentatie die de Belgische Staat in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 1 september 2003 ontwikkelt, kan samengevat worden als volgt :

De NV B. negeert duidelijk dat onderhavig geschil betrekking heeft op de gecontroleerde periode van 1 januari 1990 tot 30 september 1991.

De stukken die worden voorgelegd, hebben betrekking op latere periodes.

Bovendien gaan ze alle uit van de NV BLF-Renting.

De Belgische Staat betwist niet dat deze vennootschap inderdaad een verhuuronderneming is.

Zij verhuurt effectief aan derden en voert publiciteit in de Gouden Gids. De bedrijfstak van de NV B. werd echter pas ingebracht in de N.V. BLF-Renting bij akte verleden op 28 november 1991, dus ná de gecontroleerde periode.

De NV BLF-Renting had, vóór de voornoemde inbreng, niets te maken met de NV B..

Alle stukken op naam van de NV BLF-Renting (bovendien van een latere periode) kunnen dan ook geen bewijs leveren aangaande de werkelijke activiteit van de NV B. vóór haar inbreng.

IV. Procedure.

De NV B., vertegenwoordigd door Mr. S. V. loco Mr. G. D., en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door Mr. F. W., verschenen in openbare terechtzitting.

De raadslieden zetten de zaak uiteen.

De debatten werden gesloten.

De raadslieden legden elk een dossier neer.

De zaak werd in beraad genomen.

De stukken werden ingezien.

V. Beoordeling.

A. De aftrek.

1. De regeling in verband met de aftrek van de BTW bij de levering en diensten met betrekking tot voertuigen is vastgelegd in artikel 45, § 2 en artikel 45, § 2, a van het BTW-Wetboek.

De algemene regel is geformuleerd in artikel 45, § 2.

Artikel 45, § 2 (oud) bepaalt :

"Ten aanzien van de levering en de invoer van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 procent van de betaalde belasting.".

De uitzondering is geformuleerd in artikel 45, § 2, a.

Artikel 45, § 2, a (oud) bepaalt :

"Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op voertuigen bestemd om te worden verkocht of verhuurd door een belastingplichtige die een beroepswerkzaamheid uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen.".

2. De kernvraag is :

Ressorteert de verhuur van voertuigen door de NV B. in de periode van 1 januari 1990 tot 30 september 1991 onder artikel 45, § 2 (de algemene regel) dan wel onder artikel 45, § 2, a (de uitzondering) van het BTW-Wetboek?

Om deze vraag te beslechten, moet nagegaan worden wat de ware aard van de beroepsactiviteit van de NV B. in de betrokken periode was. Was de NV B. al dan niet een eigenlijke verhuuronderneming van auto's?

3. Vaststaande rechtspraak sedert het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 24 november 1987 stelt dat de uitzonderingsbepaling van artikel 45, § 2, a enkel ingeroepen kan worden door eigenlijke verhuurondernemingen die naar buiten uit gekend zijn als verhuurders van auto's en hun diensten aanbieden aan het publiek in het algemeen, derwijze dat al wie een personenauto wenst te huren daarvoor bij een dergelijke onderneming terecht kan.

4. De NV B. was in de betrokken periode geen eigenlijke verhuuronderneming die naar buiten uit gekend was als verhuurder van auto's en haar diensten aanbood aan het publiek in het algemeen.

5. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de NV B. in de betrokken periode enkel voertuigen verhuurde aan de NV K. L.-B. en de PVBA C. E. en niet aan het publiek in het algemeen.

De NV K. L.-B. en de PVBA C. E. waren verbonden ondernemingen met de NV B.

Het is niet van belang dat de K. L.-B. en de PVBA C. E. geen zustervennootschappen waren in de zin van artikel 126 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen.

Van belang is dat de NV B. geen auto's verhuurde aan het publiek in het algemeen.

6. Dat de NV B. een tractor verhuurde aan derden, vormt geen argument.

Artikel 45, § 2, a heeft het over automobielen en niet over tractoren.

7. Op het adres van de maatschappelijke zetel was geen aanduiding van de naam van de vennootschap met vermelding van de aard van haar werkzaamheid (o.a. verhuur van personenwagens).

8. De publiciteit die de NV B. voorlegt, overtuigt niet dat de vennootschap zich voor de verhuur van auto's richt tot een breed publiek.

Twee folders zijn niet gedateerd en niet geadresseerd, één folder is gedateerd 1 juni 1983 - hetzij 7 jaar voor de gecontroleerde periode - , doch niet geadresseerd.

De advertentie in de Gouden Gids is niet relevant, want ze betreft de NV BLF-Renting en niet de NV B.

Voor de NV B. zelf werd geen publiciteit gevoerd in de Gouden Gids.

9. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de administratie correct de activiteit van de NV B. in de betrokken periode omschrijft: de NV B. verhuurt bedrijfsgebouwen, verhuurt personenwagens en factureert administratiekosten door aan verbonden ondernemingen.

Op de verhuur van de tractor na, verricht zij geen handelingen met "derden", waarmee geen band bestaat.

Deze omschrijving toont aan dat de volledige beroepswerkzaamheid van de NV B. er niet op gericht is om handelingen te verrichten met derden, maar om activa te verhuren en exploitatiekosten te ventileren onder verbonden ondernemingen en aldus een patrimonium te beheren.

10. De bestemming alleen van de wagens is niet bepalend.

Artikel 45, § 2, a stelt immers dat het om een beroepswerkzaamheid moet gaan.

11. Dat de NV BLF-Renting een eigenlijke verhuuronderneming in de zin van artikel 45, § 2, a is, is niet relevant.

De huidige zaak betreft de NV B. en niet de NV BLF-Renting.

De NV BLF-Renting werd trouwens pas opgericht na de gecontroleerde periode.

12. Besluit :

De verhuur van voertuigen door de NV B. in de periode van 1 januari 1990 tot 30 september 1991 ressorteert onder de algemene regel van artikel 45, § 2 en niet onder de uitzondering van artikel 45, § 2,a van het BTW-Wetboek.

De NV B. kon voor deze handelingen geen 100 %, maar slechts 50 % BTW in mindering brengen.

Het verzet is ongegrond.

Het dwangbevel blijft van kracht.

B. De inhoudingen.

De inhoudingen die de NV B. in de dagvaarding betwist, hebben geen betrekking op de vordering van de administratie die in de huidige procedure aangevochten wordt.

In haar conclusies ontwikkelt de NV B. die grief trouwens niet verder.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Wijzende op tegenspraak;

Verklaart het verzet ontvankelijk, doch ongegrond.

Zegt derhalve dat het dwangbevel van kracht blijft.

Veroordeelt de NV B. tot de kosten, aan de zijde van de Belgische Staat vastgesteld op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Kortrijk, in openbare terechtzitting, op zes september tweeduizend en vier.

Aanwezig : C. V., alleenzetelend rechter,

I. D., adjunct-griffier.

I.D. C. V.

Textes cités

3
CTVA art. 451 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8