Disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 29 janvier 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-cour-appel-gand-2008-01-29-7a4e

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
29 janvier 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

79 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 29.01.2008

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, 5e kamer

Nr. 2005/AR/1275

in de zaak van:

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 14 te 1000 BRUSSEL, in de persoon van de BTW-Ontvanger te Brugge, wiens kantoren, gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. D. P. J., advocaat te …, …

tegen :

V. E., en zijn echtgenote,

V. C., samenwonende te …, …,

geïntimeerden,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. D. loco mr. G. D., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 mei 2005 werd door de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 22 maart 2005 waarbij het verzet van de geïntimeerden tegen het dwangbevel uitgevaardigd door N. C. e. a. inspecteur a. i. van het BTW-ontvangkantoor te Brugge op 04 februari 2002, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 6 februari 2002 door V. K., eerstaanwezend inspecteur a. i. van de BTW-controle te Brugge 2, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge en betekend op 7 februari 2002, werd ingewilligd.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden af te wijzen als niet. gegrond, dit alles met veroordeling van de geïntimeerden in de kosten. van de beide aanleggen.

Op hun beurt vorderen de geïntimeerden de bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de appellant in de kosten van de beide aanleggen.

Feitelijke gegevens

De geïntimeerden zijn niet-belastingplichtige particulieren, die aan hun woning gelegen … te … een grondige verbouwing lieten uitvoeren op grond van een op 24 december 1997 afgeleverde bouwvergunning.

Naar aanleiding daarvan werd door de geïntimeerden een bouwaangifte ingediend op 25 februari 2000 waaruit bleek dat de werken in onroerende staat waren gefactureerd tegen het verlaagd BTW-tarief van 6 %. In samenspraak met de geïntimeerden werd op 3 juli 2001 een plaatsbezoek georganiseerd. Aldus werd vastgesteld dat de oorspronkelijke stallingen en bergingen. naar aanleiding van de verbouwing van de woning volledig werden afgebroken en dat de huidige stallen, wasplaats, sas, koele berging en fietsenberging nieuw gebouwd werden. Het dak van de eerste verdieping werd volledig afgebroken. In het opgemaakt proces-verbaal heeft de verbalisant de oppervlakte berekend van de woning na de uitgevoerde werken.

Aldus bedroeg de oppervlakte van de oorspronkelijke woning na afbraakwerken nog 72,27 m2 en na de uitgevoerde werken 250,28 m2, zodat het nieuw gebouwd gedeelte 178,01 m2 bedroeg.

Volgens dit zelfde proces-verbaal staat het herbouwen van een woning na afbraak gelijk met het bouwen, telkens als de vernieling of de afbraak een dusdanige omvang hebben dat de uitgevoerde werken in feite bijdragen tot de oprichting van een nieuw gebouw. Een verbouwing die het resultaat heeft dat een woning meer dan dubbel zo groot wordt kan niet beschouwd worden als een omvorming, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud van de oorspronkelijke woning. Het oude gedeelte is dan niet meer betekenisvol ten opzichte van de constructie na uitvoering van de werken.

De taxatieambtenaar oordeelde dat de uitgevoerde werken hadden bijgedragen tot de oprichting van een nieuw gebouw zodat op deze werken het BTW-tarief van 21 % toepasselijk was.

Alwaar werken in onroerende staat overeenkomstig art. 1, 3° van het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, zoals dat besluit toen van toepassing was, onderworpen waren aan het BTW-tarief van 21 %, kunnen onder bepaalde voorwaarden dergelijke werken genieten van het verlaagd tarief van 6%. Volgens rubriek XXXI van tabel A van voormeld K.B. gaat het om werken die de "omvorming, renovatie, de rehabilitatie, de verbetering, de herstelling of het onderhoud van een bestaande privé-woning, ouder dan 20 jaar, tot voorwerp hebben".

Dientengevolge werd de nog verschuldigde BTW berekend op … BEF (… EUR), meer een verminderde proportionele boete ingevolge art. 70, § 1 BTW van … BEF (… EUR), of samen … EUR, meer de moratoriumintresten ingevolge artikel 91, § 4 BTW-Wet.

Bij gebrek aan betaling werd een dwangbevel uitgevaardigd, zoals hiervoor vermeld, waartegen door de geïntimeerden verzet werd aangetekend. In hoofdorde werd voorgehouden dat de uitgevoerde werken in onroerende staat wel degelijk omvormings- en of verbouwingswerken waren, welke werken onderworpen waren aan het verlaagd BTW-tarief van 6 %. Ondergeschikt vorderen de geïntimeerden dat de geldboete zou worden kwijtgescholden.

In het bestreden vonnis besliste de eerste rechter dat het duidelijk is dat de geïntimeerden van een oude woning, zonder af te wijken van de oorspronkelijke vorm en met een beperkte uitbreiding een nieuwe woning gemaakt hebben door een voldoende betekenisvol gedeelte van de oude woning te behouden. Behoudens de herindeling werd een deel vernieuwd zodat het om een echte renovatie blijkt te gaan.

In zijn beroepsakte zet de appellant uiteen dat het werk in onroerende staat aan het verlaagd tarief zal worden onderworpen voor zover het o.m. gaat om handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben. Volgens de appellant werd het woonhuis van de geïntimeerden qua structuur en inrichting dusdanig gewijzigd dat men de uitgevoerde werken moet beschouwen als werken die de oprichting van een nieuwe woning tot voorwerp hebben. De appellant verwijst daartoe naar de aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 en naar een mededeling in een BTW-revue. In deze Revue werd er vanuit gegaan dat wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken er alsdan sprake is van "een omvorming". De appellant zet verder uiteen dat de verdieping en het dak volledig nieuw zijn daar waar de eerste rechter in zijn berekening abstractie maakt van de oppervlakten op de verdieping.

De geïntimeerden verwijzen eerst en vooral naar de bouwvergunning die werd verleend omdat de hoofdstructuur van het gebouw volledig behouden zou blijven. Uiteindelijk vorderen zij de bevestiging van het bestreden vonnis.

Beoordeling

1. De enige betwisting betreft de vraag of de bouwwerken door de geïntimeerden uitgevoerd te beschouwen zijn als handelingen bepaald in cijfer XXXI, § 1, 1° van Tabel A, bijlage bij het KB nr. 20 d.d. 20.7.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, namelijk handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele tot voorwerp hebben (BTW-tarief 6 %).

De wetgever heeft de vermelde handelingen niet nader gedefinieerd, zodat men hun de gebruikelijke betekenis dient te geven, gezien niet blijkt dat de wetgever van deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken.

De door het K.B. gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele" onderstellen een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan.

De eerste rechter beschreef de feitelijke toestand als volgt :

- er is een moderne woning opgetrokken met op de benedenverdieping een inkom met traphal, toilet, eetplaats, zitplaats, keuken, technische ruimte, garage, sas, koele berging, wasplaats, twee stallen en een fietsenberging en dit op de plaats waar voorheen een woning stond met een zitplaats, eetplaats, binnenhal met trap, badkamer, slaapkamer, keuken, wasplaats, twee stallen en een berging; de plaats van de buitenmuren is dezelfde gebleven met dien verstande dat er een toevoeging (uitbreiding) gebeurd is om er de zitplaats in onder te brengen; de buitenmuren zelf zijn volledig afgebroken en vernieuwd in de achterbouw (stallen, wasplaats, sas, koele berging en fietsenberging); daar werden ook de binnenmuren volledig vernieuwd; in het voorgebouw werden de binnenmuren op een klein stukje na (tussen de keuken en de technische ruimte) volledig gesloopt, terwijI er op andere plaatsen nieuwe binnenmuren werden gezet;

- de bovenverdieping bevindt zich, zoals voorheen, alleen in het voorgebouw en bestaat uit twee slaapkamers (ongeveer op de plaats waar vroeger ook slaapkamers waren) en een nachthall (met trap), een badkamer en een berging; de buitenmuren van de bovenverdieping werden volledig vervangen en de binnenmuur werd deels gesloopt, terwijl er nieuwe extra binnenmuren werden geplaatst;

- het dak werd volledig verwijderd en vervangen door een nieuw dak;

- voor de achterbouw werden nieuwe funderingssleuven aangebracht.

Met de eerste rechter dient aangenomen te worden dat het herbouwen van een gebouw na afbraak een nieuwbouw is. De achterbouw is immers niet gerenoveerd of omgevormd doch integraal vervangen, zelfs met nieuwe funderingen. Wat de bovenverdieping betreft waarbij o.m. de gewelven tussen de benedenverdieping en de eerste verdieping werden vervangen, het dak volledig werd vernieuwd, spreekt de eerste rechter van een renovatie.

Deze zienswijze kan niet worden gevolgd. De afbraak van het eerste verdiep van het oude gebouw gevolgd door de oprichting van een totaal nieuw verdiep gaat verder dat "een omvorming". De uitgevoerde werken met sloping van de buitenmuren en heroprichting van de binnenmuren zijn dermate essentieel dat deze werken bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw.

Wanneer dan wordt gekeken naar de oppervlakte dan blijft na de afbraakwerken het gelijkvloerse hoofdgebouw over, hetzij 72,27 m2, terwijl na uitvoering van de werken het nieuw gebouwd gedeelte alleen reeds 178,01 m2 bedraagt. Zonder zich expliciet uit te spreken over de administratieve aanschrijving nr. 6 waarnaar partijen regelmatig naar verwijzen hebben de uitgevoerde bouwwerken geleid tot meer dan een verdubbeling van de oppervlakte t.a.v. het "oud" gedeelte.

Deze gegevens nopen tot het besluit dat de werken een nieuwbouw tot stand hebben gebracht en dat er geen sprake kan zijn van·een "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van reiniging".

Dit is zelfs het geval wanneer geen rekening gehouden wordt met de oppervlakte van de verdieping dan nog bedraagt de oppervlakte van het oude gedeelte minder dan de helft van de totale oppervlakte na uitvoering van de werken. Deze verhouding wordt berekend als volgt :

- grondoppervlakte behouden gedeelte 72,27 m2

- grondoppervlakte nieuw gedeelte :

* hoofdgebouw 72,27 m2

* nieuw gedeelte achterbouw 74,64 m2

* zitplaats 31,10 m2

* totaal 178,01 m2

Het feit dat de bovenmuren werden afgebroken omwille van de slechte staat ervan en opnieuw werden opgericht met gebruikte materialen reikt verder dan het herstel van een bovenmuur , doch betreft wel degelijk de oprichting van een nieuwe muur. Het feit dat bouwtechnische redenen hebben bijgedragen tot de afbraak van de oude muren ontneemt deze kwalificatie niet. Het beroep van de appellant komt derhalve gegrond voor.

2. De geïntimeerden vorderen de vermindering of de kwijtschelding van de boete.

De boete hun opgelegd is deze voorzien bij artikel 70, § 1 BTW-wetboek, en verminderd overeenkomstig artikel 1, 1°, tabel G, Afdeling I, cijfer IV van het KB nr. 41 van 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van, de belasting over de toegevoegde waarde.

Deze boete wordt door de wet opgelegd ongeacht de vraag of de overtreder al dan niet te goeder trouw handelde.

De opgelegde administratieve boete is een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955). Zij wordt opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die belastingplichtige is, en strekt ertoe zowel de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het Hof bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004, Silvester's Horeca Service t/ België, www.echr.coe.int/echr). Het Hof kan onder meer nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, wat ook inhoudt dat het Hof mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en of de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de in betwisting zijn de administratieve boete (vergelijk met Cass. 24.01.2002, Pas. 2002, nr. 51 p. 226 en met Cass. 21.01.2005, rolnr. C020572N, www.cass.be ; vergelijk ook met Cass. 16.2.2006, rolnr. C040094N, www.cass.be ). Mocht het Hof van oordeel zijn dat de straf onevenredig is en de administratie niet naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de betwiste boete, en van de vaste schalen van boeten moet worden afgeweken, dient het aan te geven op welke gronden van deze schalen moet worden afgeweken (vergelijk met Cass. 16.2.2007, rolnr. F.06.0033.N, op heden ongepubliceerd). Het Hof beschikt evenwel niet over de bevoegdheid om op grond van een subjectieve appreciatie van wat het redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in de boete te verminderen of kwijt te schelden (vergelijk met Cass. 16.2.2007, www.cass.be , rolnummer C040390N; Cass. 16.2.2007, www.cass.be , rolnummer F05001 5N).

Het blijkt te dezen niet dat de opgelegde boete onevenredig is met de begane inbreuk.

3. In de wet van 21 april 2007 (B.S. 31.5.2007) betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat wordt een verhoogde rechtsplegingsvergoeding toegekend ten laste van de in het ongelijk gestelde partij aan de in het gelijk gestelde partij. Daar waar de geïntimeerden de rechtsplegingsvergoeding hebben begroot op het maximumbedrag van·… EUR in hun syntheseconclusies van 13 november 2007 hebben partijen zich op ·de. openbare terechtzitting van 18 december 2007 akkoord verklaard met het basisbedrag dat volgens het KB van 26 oktober 2007 … EUR bedraagt gezien de waarde van de vordering zich situeert tussen 5.000 en 10.000 EUR.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond :

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende.

Verklaart de. oorspronkelijke vordering toelaatbaar doch wijst het verzet af als ongegrond. Zegt dat het dwangbevel dat ten nadele van de geïntimeerden op 4 februari 2002 werd uitgevaardigd zijn volle uitwerking behoudt.

Veroordeelt de geïntimeerden tot de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van de appellant :

* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

- aan de zijde van de geïntimeerden :

* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op NEGENENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ACHT.

Aanwezig :

De Heer A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

De Heer G. T., Raadsheer,

Mevrouw G. D. R., Plaatsvervangend Raadsheer,

De Heer M. V., griffier.

M. V. G. D. R. G. T. A. D. M.

Textes cités

2
AR no 20 art. 11 occurrence
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8