Cour d'appel de Bruxelles, 7 février 2003 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 7 février 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel de Bruxelles, 7 février 2003Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-bruxelles-2003-02-07-5df1

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
7 février 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

72 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 07.02.20023

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 07-02-2003

Nr. van de zaak : 2000/KR/198

INZAKE VAN :

De NV A. T. C. (ATC), met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …; ingeschreven in het handelsregister van Gent onder het nr. ….

appellante,

vertegenwoordigd door Meester R. T., advocaat (…, …).

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat, 12, in de persoon van de Heer Gewestelijke Directeur der directe belastingen te Leuven, wiens kantoren gevestigd zijn te 3000 Leuven, Parkstraat, 121,

2. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Heer Directeur-Generaal van de Centrale BTW­administratie, met burelen gevestigd te 1010 Brussel, Kruidtuinlaan, 50,

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Meester L. loco A. D., advocaat, (…, …)


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

R. 2003/904 EINDARREST - Ontvankelijk ongegrond.

De procedure

Het verzoekschrift in hoger beroep werd op 18 mei 2000 ter griffie neergelegd. Het is gericht tegen een beschikking d.d. 28 april 2000 van de heer Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kort geding.

De ontvankelijkheid van de voorziening wordt niet betwist.

De oorspronkelijke vordering in kort geding, door ATC met toepassing van artikel 584 GW op 18 februari 2000 ingesteld, strekte ertoe de Staat te doen veroordelen tot het heropenen van de “vergunning tot verlegging van de heffing” nr. E.T. 14000/8883, die in 1997 - ingevolge een onderzoek naar vermeende BTW-fraude ingetrokken werd.

ATC stelde dat de vordering in kort geding ontvankelijk en gegrond was omdat respectievelijk de zaak hoogdringend was, en omdat de weigering van de Staat om de vergunning te heropenen een feitelijkheid uitmaakte.

De Heer Voorzitter van de Rechtbank heeft de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

In hoger beroep vraagt ATC dat haar vordering gegrond zou verklaard worden.

Voorwerp van het geschil

De Belgische Staat betwist het hoogdringend karakter van de vordering daaraan gekoppelde ontvankelijkheid, en dat zij een “administratieve feitelijkheid” begaan heeft door bij beslissing van 20 januari 2000 de heropening van de vergunning 14000/8883 te weigeren.

De feiten

1. De vergunning tot voorlegging van de heffing wordt in uitvoering van art. 5, § 3 KB nr. 7 - dat de toepassing van de BTW over de invoer van goederen regelt - door de Minister van Financiën verleend om de uit hoofde van de invoer verschuldigde BTW niet op het tijdstip van de aangifte ter verbruik (d.i. : het ogenblik van de invoer) maar wel op het ogenblik van het indienen van de periodieke BTW-aangifte te voldoen; aldus wordt gedurende enkele maanden de financiering van de BTW bij invoer, vermeden.

2. Eind 1994 verkreeg ATC een vergunning tot verlegging van de heffing.

3. Bij beslissing van 11 februari 1997 heeft de Centrale administratie, bij toepassing van § 15 van de administratieve aanschrijving nr. 3/1973 (bijwerking 1988), de vergunning ingetrokken omdat “na onderzoek van de ter zake bevoegde dienst van de Centrale administratie van de BTW gebleken is dat belanghebbende haar fiscale verplichtingen niet nauwgezet nakomt, inzonderheid wat betreft de voldoening van de belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit haar periodieke BTW-aangiften”.

4. In § 11 van de administratieve aanschrijving nr. 3/1973 (bijwerking 1988) .wordt bepaald dat de administratie de vergunning niet uitreikt “wanneer uit het administratief onderzoek dat na het indienen van de aanvraag werd ingesteld, blijkt dat de betrokkene zijn verplichtingen inzake BTW niet nauwgezet naleeft, inzonderheid wat betreft het indienen win zijn periodieke aangiften en het betalen van de belasting waarvan de opeisbaarheid uit de aangiften blijkt binnen de termijnen gesteld bij het KB. nr. 1 van 23 juli 1969”.

5. Op grond van die bepaling (§ 11) heeft de Centrale administratie der BTW in een eerste beslissing d.d. 21 april 1997 geweigerd de vergunning te heropenen omdat “door de diensten van de Bijzondere Belastinginspectie bij diverse controles werd vastgesteld dar de NV ATC haar verplichtingen inzake BTW niet naleeft”.

6. Op 25 mei 1999 heeft ATC opnieuw gevraagd de vergunning te heropenen; dit werd haar door een tweede beslissing d.d. 10 juni 1999 geweigerd omdat “uit een nieuw administratief onderzoek is gebleken dat de BTW-rekening courant van ATC op 28 februari 1999 op nul werd gezet wegens het niet-tijdig betalen van de BTW waarvan de opeisbaarheid blijkt uit haar periodieke BTW-aangiften en de vennootschap bijgevolg nog steeds aanzienlijke schulden heeft tegenover de BTW-administratie”.

7. De derde weigeringsbeslissing d.d. 6 juli 1999 (na het indienen van een nieuwe aanvraag op 16 juni 1999) is als volgt gemotiveerd : “(...) Zoals U reeds werd medegedeeld bij mijn brief van 8 juni 1999 diende de rekening-courant van uw cliënt op 28 februari 1999 te worden op nul gezet wegens de niet-naleving van voornoemde verplichting” (te weten : de verplichting inzake BTW nauwgezet na te leven inzonderheid wat betreft het betalen van de BTW binnen de termijnen gesteld bij het KB nr. 1). “Het feit dat betrokkene ATC inmiddels een afbetalingsplan heeft bekomen ter aanzuivering van de niet tijdig betaalde BTW, doet geen afbreuk aan de begane overtreding. In deze omstandigheden moet ik U mededelen dat mijn beslissing van 8 juni 1999 wordt gehandhaafd.”

8. Nadat een gerechtelijk onderzoek bij ATC opgestart werd, dat aanleiding gaf tot de aanhouding van vijf verantwoorddijken van die vennootschap en de verzegeling van het bedrijf heeft de BBI o.m. op 23 september 1999 een proces-verbaal van regularisatie voor een bedrag van … F in hoofdsom en … F boete te vermeerderen met de intresten sedert 21.1.1998 aan ATC laten geworden. Deze belastingen worden door de vennootschap formeel betwist. Deze zaak is voor een rechtbank te Gent aanhangig.

9. Op 26 november 1999 heeft de raadsman van ATC een nieuwe aanvraag ingediend (de derde in zes maanden) om reden dat “door versnelde uitvoering van het afbetalingsplan van de openstaande BTW-schulden, werden de BTW-schulden zoals deze bleken uit de BTW-aangiften van mijn cliënte, inmiddels integraal aangezuiverd. De vaststaande BTW-schuld van mijn cliënte is dan ook nihil (...)”.

In de vierde weigeringsbeslissing van 20 januari 2000 antwoordt de administratie dat “aangezien door de diensten van de BBI bij diverse controles werd vastgesteld dat ATC haar verplichtingen inzake BTW niet naleeft, moet ik U mededelen dat conform § 11 van de aanschrijving 3/1973 geen gunstig gevolg kan worden gegeven aan uw verzoek. In deze omstandigheden blijft mijn beslissing van 8 juni 1999 gehandhaafd. Tot slot laat ik U hierbij weten dat toekomstige aanvragen tot heropening enkel zullen beantwoord worden indien betrokkene alle verplichtingen naleeft inzake BTW, met inbegrip van de aanzuivering van al haar schulden”.

Het is ten gevolge van die vierde weigeringsbeslissing dat ATC kwestieuze eis ingesteld heeft.

10. Op 7 juni 2000 heeft ATC nog een vijfde verzoek aan de administratie gericht, dat op 19 juli 2000 een vijfde maal afgewezen werd.

Discussie

a/ betreffende de hoogdringendheid

De eerste rechter heeft terecht beslist dat de enige omstandigheid dat ATC haar handelsactiviteiten heeft kunnen verder zetten ondanks de intrekking in 1997 van de verleggingsvergunning de hoogdringendheid niet uitsluit.

Wegens het niet heropenen van de vergunning ondervindt ATC noodzakelijk dagelijks hinder op concurrentieel vlak omdat zij heel moeilijk op leveranciers buiten de Europese Unie beroep kan doen, gezien haar verplichting de BTW te betalen op het ogenblik van de invoer, wat haar concurrenten niet moeten doen.

De voorwaarde van hoogdringendheid is terzake vervuld.

b/ betreffende de. beweerde “administratieve feitelijkheid” die de vierde weigeringsbeslissing van 20 januari 2000 zou aantasten

1. ATC stelt dat “daar waar de weigeringen tot heropening van de vergunning van 8 juni en 6 juli 1999 nog als gemotiveerd konden worden beschouwd, is dit geenszins het geval met de weigeringsbeslissing van 20 januari 2000”, zodat deze laatste beslissing een administratieve feitelijkheid zou zijn.

2. Op grond van artikel 5, § 3 van het KB nr. 7 van 29.12.1992, kan de Minister de vergunning toestaan; hij is dus niet verplicht deze uit te reiken of te heropenen.

3. Paragraaf 11 van de aanschrijving 3/1973 bepaalt dat de administratie de vergunning niet uitreikt “wanneer uit het administratief onderzoek dat na het indienen van de aanvraag werd ingesteld, blijkt dat de betrokkene zijn verplichtingen inzake BTW niet nauwgezet naleeft, inzonderheid wat betreft her indienen van zijn periodieke aangiften en het betalen van de belasting waarvan de opeisbaarheid uit de aangiften blijkt (…)”.

4. In de tweede en derde beslissing van 8 juni en 6 juli 1999 (zie de uiteenzetting der feiten : nr. 6 en 7) verwijst de administratie naar één van de twee gevallen van niet-naleving van de BTW-verplichtingen, die door paragraaf 11 van de aanschrijving ten titel van gewone voorbeelden (“inzonderheid wat betreft...”) gegeven worden, te weten : het niet-betalen van de belasting waarvan de opeisbaarheid uit de aangiften blijkt.

ATC vergenoegt zich met deze motivatie (zie nr. 1 hierboven) niettegenstaande het feit dat de administratie niet aanduidt welke belastingen niet betaald werden.

5. In de eerste en de vierde beslissing van 21 april 1997 en 20 januari 2000 (zie de uiteenzetting der feiten : nr. 5 en 9) steunt de administratie zich op de algemene richtlijn van paragraaf 11 van de aanschrijving om de heropening van de vergunning te weigeren; volgens deze richtlijn wordt de vergunning geweigerd zodra uit het dossier blijkt dat betrokkene “zijn verplichtingen inzake BTW niet nauwgezet naleeft”.

5.1 In de eerste beslissing wordt geen “motief van dit motief” aangeduid; nochtans heeft ATC nooit betwist dat die beslissing voldoende gemotiveerd was.

5.2 In de vierde beslissing van 20 januari 2000, die het voorwerp maakt van onderhavig geschil, geeft de administratie de reden waarom zij haar beslissing gemotiveerd heeft op grond van het niet-naleven van de BTW verplichtingen.

Dit “motief van het motief van de weigering” wordt inderdaad geleverd wanneer in de beslissing zelf - en niet post factum zoals ATC het voorhoudt­ naar de “diverse controles van de BBI” verwezen wordt.

De resultaten van die controles staan o.m. in een op 23 september 1999 ten laste van ATC opgesteld proces-verbaal van regularisatie vermeld.

De administratie was niet verplicht daarenboven de resultaten van die controles bij haar beslissing van 20 januari 2000 te voegen.

ATC was trouwens, bij het indienen van het vierde verzoek en bij het ontvangen van de beslissing van 20.1.2000, perfect op de hoogte van de verwijten en vorderingen van de administratie, sedert de aanhouding van vijf van haar verantwoordelijken en de verzegeling van haar bedrijf.

De voldoende gemotiveerde beslissing van 20.1.2000 is bijgevolg geen administratieve feitelijkheid.

Het hoger beroep, in het kader van de prima facie behandeling van het kortgeding, is niet gegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Gehoord in openbare terechtzitting de heer B. d. C., plaatsvervangend raadsheer, in zijn verslag;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt appellante tot de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep begroot op … euro voor appellante en op … euro voor geïntimeerden.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 07.02.2003

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

K. V. H., voorzitter;

M. R., raadsheer;

B. d. C., plaatsvervangend raadsheer;

C. D. N., griffier.

C. D. N. B. d. C. M. R. K. V. H.

Textes cités

1
AR no 7 art. 52 occurrences

Décisions similaires

4